ECLI:NL:OGHACMB:2026:293

ECLI:NL:OGHACMB:2026:293

Instantie Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak 17-09-2026
Datum publicatie 19-10-2026
Zaaknummer H-20/25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:OGEAA:2025:3

Samenvatting

Onderzoek Flamingo. Erfpachtuitgifte Malmok. Vrijspraak van (poging tot) oplichting en misbruik van functie. Niet bewezen is dat de verdachte als teamcoördinator bij de DIP handelde met het vereiste oogmerk of doel om zichzelf of een ander te bevoordelen. Wel schuldig aan valsheid in geschrift, meermalen gepleegd: zij stelde twee ambtelijke brieven op waarin zij bewust ten onrechte vermeldde dat een perceel al eerder was gereserveerd. Beroep op overmacht in de zin van noodtoestand verworpen. Een ministeriële opdracht en de ervaren hiërarchische druk laten de eigen strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de ambtenaar onverlet. Schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel op grond van artikel 1:12 Sr Aruba, gelet op de druk waaronder de verdachte handelde, haar persoonlijke omstandigheden en de overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

Zaaknummer: H-20/25

Parketnummer: P-2023/01977

Uitspraak: 17 september 2026 Tegenspraak

Vonnis

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) van 22 januari 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1984 op [geboorteland],

wonende in [adres].

Hoger beroep

Het Gerecht heeft de verdachte bij zijn vonnis van het onder 1 primair ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde veroordeeld tot:

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureurs-generaal, mrs. B.S. van Unnik en A. Vroombout (hierna: de procureur-generaal), en van wat door de verdachte en haar raadsman, mr. J.J.C. Odor, naar voren is gebracht.

De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte integraal zal worden vrijgesproken van het ten laste gelegde, dan wel dat zij wordt ontslagen van alle rechtsvervolging op grond van overmacht in de zin van noodtoestand.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het Hof tot andere beslissingen komt.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging – ten laste gelegd dat:

feit 1 (oplichting)

primair

zij in of omstreeks de periode van 7 januari 2019 tot en met 12 december 2019 te Aruba, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de DIP en/of het land Aruba heeft bewogen tot de afgifte van een of meerdere reserveringsbrieven voor en/of erfpachtrechten op een of meerdere percelen, [perceel 1] en/of [perceel 2], in de omgeving Malmok, in elk geval van enig goed, en/of tot het verlenen van een dienst en/of tot het aangaan van een schuld, hebbende verdachte en/of haar medeverdachten met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:

waardoor de DIP en/of het land Aruba werden bewogen tot bovenomschreven afgifte en waarbij verdachte zich heeft voorgedaan als een betrouwbare team coördinator uitgifte terreinen bij de DIP en/of een betrouwbare ambtenaar;

subsidiair

zij in of omstreeks de periode van 7 januari 2019 tot en met 12 december 2019 te Aruba, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de DIP en/of het land Aruba heeft bewogen tot de afgifte van een of meerdere reserveringsbrieven voor en/of erfpachtrechten op een of meerdere percelen, [perceel 1] en/of [perceel 2], in de omgeving Malmok, in elk geval van enig goed, en/of tot het verlenen van een dienst en/of tot het aangaan van een schuld, hebbende verdachte en/of haar medeverdachten met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:

terwijl de uitvoering van dit voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 2 (valsheid in geschrift)

zij in of omstreeks de periode van 1 maart 2019 tot 20 november 2019 te Aruba, tezamen en in vereniging althans alleen, opzettelijk

zijnde die brieven geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt of heeft vervalst met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door (een) ander(en) te doen gebruiken, bestaande de valsheid of vervalsing hierin dat in strijd met de waarheid in die brieven was vermeld en/of opgenomen dat sprake was van een dubbele en/of eerdere reservering voor het perceel [perceel 1] waardoor de verleende reservering en/of het verleende erfpacht op genoemd perceel moest worden ingetrokken;

feit 3 (misbruik van functie)

zij op een of meer tijdstippen in de periode van 7 januari 2019 tot en met 12 december 2019 te Aruba tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in haar hoedanigheid van, teamcoördinator uitgifte terreinen bij de DIP opzettelijk met misbruik van haar functie en/of positie iets heeft gedaan en/of nagelaten te doen teneinde enig voordeel voor hem en/of een ander te verkrijgen, namelijk heeft zij:

waardoor genoemde personen met de verkregen reservering voor het recht van erfpacht op genoemde percelen enig voordeel verkregen.

Vrijspraak van feit 1 en 3

Het onderhavige strafrechtelijke onderzoek ziet op vermeende onregelmatigheden die zich in de periode 2017 tot 2020 hebben voorgedaan bij de uitgifte van erfpachtrechten door het Land Aruba aan derden. Daarbij zou kort gezegd de verdachte uit hoofde van haar functie als team coördinator uitgifte terreinen bij de Dienst Infrastructuur en Planning (DIP) van het Land Aruba, samen met de voor die dienst verantwoordelijke minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Milieu (ROIM), medeverdachte [medeverdachte], een tweetal aan [medeverdachte] gelieerde aanvragers buiten het gangbare beleid om hebben bevoordeeld door hen reserveringen op erfpachtterreinen te verschaffen. Daartoe zou de verdachte het Land Aruba hebben opgelicht, vervalsingen hebben gepleegd en misbruik hebben gemaakt van haar functie.

Het Hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van de onder 1 ten laste gelegde oplichting moet kunnen worden vastgesteld dat de verdachte heeft gehandeld met het oogmerk om zichzelf of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door middel van een of meer oplichtingsmiddelen. Voor een bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde misbruik van functie dient vast te staan dat de verdachte dat opzettelijk heeft gedaan om enig voordeel voor zichzelf of een ander te verkrijgen.

Het Hof is van oordeel dat uit het dossier onvoldoende kan worden afgeleid dat de verdachte met een dergelijk oogmerk heeft gehandeld. Evenmin kan worden vastgesteld dat zij haar functie heeft misbruikt met het doel om zichzelf of een ander te bevoordelen.

Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat uit het dossier volgt dat het zogenaamde FIFO-beleid (‘First In First Out’) het uitgangspunt vormde bij de uitgifte van erfpachtgronden, maar dat binnen de DIP ten aanzien van grote percelen een uitzonderingspraktijk bestond. De directeur van de DIP heeft verklaard dat dergelijke percelen bestemd waren voor zogenoemde ‘young professionals’ en dat in die gevallen van het FIFO-beleid werd afgeweken. Het Hof heeft in dit verband niet kunnen vaststellen dat de in de tenlastelegging genoemde [betrokkene 4] en [getuige 4], die in de categorie young professional vielen, niet voldeden aan de voorwaarden die binnen het beleid golden voor de behandeling van hun aanvragen. Daarom kan niet worden vastgesteld dat de toekenning van de reserveringen aan hen al daarom berustte op een ongeoorloofde afwijking van het beleid, dan wel een onjuiste voorstelling van zaken, gericht op de besluitvorming omtrent de erfpachtuitgifte.

Wel is komen vast te staan dat de verdachte uitvoering heeft gegeven aan de door minister [medeverdachte] opgelegde wijziging van de perceeltoewijzingen in Malmok. Daarbij is het reeds aan een andere aanvrager, te weten [betrokkene 2], toegewezen perceel, genummerd [perceel 1], uiteindelijk aan [betrokkene 4] toegekend en is de perceelverdeling zodanig aangepast, dat [betrokkene 4] en [getuige 4] naast elkaar gelegen percelen konden verkrijgen.

Deze omstandigheden leiden echter niet tot de conclusie dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de haar ten laste gelegde feiten onder 1 en 3. Uit het dossier komt naar voren dat de verdachte heeft gehandeld in het kader van haar ambtelijke werkzaamheden als teamcoördinator uitgifte terreinen bij de DIP en uitvoering heeft gegeven aan de opdracht van de minister. Niet is gebleken dat zij een persoonlijke relatie had met [betrokkene 4] of [getuige 4], dat zij op de hoogte was van eventuele persoonlijke banden tussen deze personen en de minister, of dat zij enig (persoonlijk) belang had bij de uiteindelijke perceelverdeling. In het dossier zijn dan ook geen aanknopingspunten te vinden voor een oogmerk bij de verdachte om zichzelf of een ander te bevoordelen.

Dat de verdachte zich daarbij schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift door een brief op te stellen en door de directeur van de DIP te laten ondertekenen waarin, in strijd met de waarheid, was vermeld dat sprake was van een eerdere reservering op perceel [perceel 1] voormeld, zoals onder feit 2 bewezen is verklaard, leidt niet tot een ander oordeel. Deze omstandigheid toont aan dat de verdachte betrokken is geweest bij het onjuist vastleggen van de grond voor de intrekking van de reservering van [betrokkene 2], maar ook daaruit volgt niet dat zij daarmee heeft gehandeld met het oogmerk om zichzelf of een ander wederrechtelijk te bevoordelen of dat zij haar functie heeft misbruikt met het doel een ander voordeel te verschaffen. Sterker nog, volgens het Hof kan het handelen van de verdachte niet anders worden aangemerkt dan als de blinde uitvoering van een opdracht van de minister.

De verdachte wordt daarom van het ten laste gelegde onder 1 primair en subsidiair (oplichting) en 3 (misbruik van functie) vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het Hof acht – op grond van de inhoud van de hierna weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij in de periode van 1 maart 2019 tot 20 november 2019 te Aruba, opzettelijk

zijnde die brieven geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door (een) ander(en) te doen gebruiken, bestaande de valsheid hierin dat in strijd met de waarheid in die brieven was vermeld en/of opgenomen dat sprake was van een eerdere reservering voor het perceel [perceel 1].

Het Hof acht niet bewezen wat de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Het Hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hiernavolgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring.

Voorts wordt opgemerkt dat in de bewijsmiddelen geen (expliciete) landsaanduiding is opgenomen, maar dat algemeen bekend is dat de in die bewijsmiddelen wel opgenomen plaatsen zijn gelegen in Aruba.

1. Geschrift, te weten een brief van de DIP aan de DOW d.d. 19 november 2019:

Aan: Dienst Openbare Werken

Team: UC-Uitgifte Centrum

Onderwerp: Bouwaanvraag tnv [betrokkene 2]

Datum: 19 nov 2019

Middels reserveringsbrief de dato 08 april 2019 is een perceel gelegen te Malmok kadastraal bekend met veldwerknummer [perceel 1], groot 729 m2, aan dhr. [betrokkene 2] toegekend. Achteraf is geconstateerd dat bovengenoemd perceel al in reservering was, en dus dubbel uitgegeven.

Ingevolge ministeriele beslissing de dato 23-10-2019 is een ander perceel, gelegen te Palm Beach, aan dhr. [betrokkene 2] toegekend.

Naar aanleiding van het bovenstaande en van zijn reeds gedane investering(en) wordt uw dienst bij deze gaarne verzocht de bouwaanvraag op het nieuwe perceel (zie situatietekening) aan te passen.

Ondertekend door TC-UC en Directeur DIP, [getuige 2]

2. Geschrift, te weten een brief van de DIP aan de minister d.d. 20 november 2019:

Aan: De Minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Milieu

Onderwerp: aanbieding 1 conceptovereenkomst tot vestiging van erfpacht (woningbouw) ter ondertekening en goedkeuring

Naar aanleiding van het vermelde onderwerp, doe ik u één conceptovereenkomst ter ondertekening en goedkeuring toekomen ten name van [betrokkene 2]

Betrokkene heeft in april 2019 reservering gekregen voor een woningbouwperceel te Malmok en heeft aan alle voorwaarden voldaan. Hij komt derhalve thans in aanmerking om het recht van erfpacht te verkrijgen op het woningbouw perceel.

Echter, nadat wij zijn overeenkomst hebben opgemaakt, kwamen wij erachter dat het aangeboden perceel te Malmok al reeds in reservering was. Gezien het voorafgaande, komt de overeenkomst, geregistreerd met nummer DIP 1626, te vervallen.

Middels een gesprek d.d. 2 september 2019, werd dhr. [betrokkene 2] hierover geïnformeerd en is de afdeling meteen aan de slag gegaan om andere opties aan dhr. [betrokkene 2] aan te bieden.

Na een vergadering met dhr. [betrokkene 2] hebben wij een perceel te Palm Beach aan hem aangeboden.

Gezien het voorafgaande verzoeken wij u eerbiedig goedkeuring om de ingediende bouwtekening van de Dienst Openbare Werken (DOW) te accorderen op de nieuwe aanbod te Palm Beach.

Oranjestad, 20 nov 2019

Ondertekend door TC-UC en Directeur DIP, [getuige 2]

3. Proces-verbaal ligging en benaming terreinen Malmok:

Kadaster: [perceel 1]

Veldwerknummers/kavels: [perceel 1]

Grootte: 729 m2

4. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep het volgende verklaard:

Ik was als de Team Coördinator van de afdeling Uitgifte Centrum (TC-UC) bij de DIP belast met en verantwoordelijk voor de uitgifte van percelen in erfpacht. Ik heb de brieven van 19 en 20 november 2019 opgemaakt. Ik wist dat het aan [betrokkene 2] aangeboden perceel te Malmok niet al in reservering was.

Bewijsoverwegingen

De raadsman heeft betoogd dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte opzettelijk heeft gehandeld. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte de brieven van 19 en 20 november 2019 op deze wijze heeft opgesteld om niet te vermelden dat de wijziging van het aan [betrokkene 2] aangeboden perceel het gevolg was van een opdracht van de minister. Voorts heeft de verdachte verklaard dat weliswaar formeel geen sprake was van een eerdere reservering van het perceel te Malmok, maar dat daarvan in feitelijke zin wel sprake was omdat de minister het perceel al aan iemand anders zou hebben toebedeeld.

Het Hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Vaststaat dat de verdachte de brieven van 19 en 20 november 2019 heeft opgesteld. In beide brieven is als reden voor de wijziging van het aan [betrokkene 2] aangeboden perceel vermeld dat het perceel te Malmok al in reservering was en daarom een ander perceel aan hem werd aangeboden. De verdachte heeft verklaard dat zij wist dat van een eerdere reservering van dat perceel geen sprake was. De in de brieven opgenomen mededeling stemde dan ook niet overeen met de werkelijkheid.

De door de verdediging aangevoerde omstandigheid dat de verdachte de werkelijke aanleiding voor de perceelwijziging – een opdracht van de minister – niet in de brieven heeft willen opnemen, leidt niet tot een ander oordeel. Als de verdachte ervoor heeft gekozen de werkelijke gang van zaken niet te vermelden en daarvoor in de plaats een feitelijk onjuiste reden op te nemen, heeft zij in de brieven bewust een onjuiste voorstelling van zaken gegeven. Dat volgens de verdachte “onofficieel” sprake was van een eerdere toezegging van het perceel aan een ander, maakt dit niet anders. Een informele afspraak of toezegging kan naar haar aard niet worden gelijkgesteld met de in de brieven vermelde eerdere reservering. Door desondanks te vermelden dat het perceel al in reservering was, heeft de verdachte een feitelijke situatie weergegeven waarvan zij wist dat deze niet bestond.

Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat de brieven zijn opgesteld namens de directeur van de Dienst Infrastructuur en Planning en waren gericht aan de Dienst Openbare Werken onderscheidenlijk de minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Milieu. Het betreft ambtelijke stukken die binnen het overheidsapparaat dienden ter onderbouwing van de verdere besluitvorming omtrent de uitgifte van een erfpachtrecht. De geadresseerden moesten erop kunnen vertrouwen dat de daarin opgenomen feiten een juiste weergave vormden van de werkelijkheid.

Gelet op het voorgaande is het Hof van oordeel dat de verdachte wist dat de in de brieven opgenomen mededeling omtrent de eerdere reservering van het perceel onjuist was. Door die mededeling desondanks op te nemen, heeft zij opzettelijk gehandeld. Het verweer wordt dan ook verworpen.

Verweer ten aanzien van de strafbaarheid

De raadsman heeft een beroep op overmacht in de zin van een noodtoestand gedaan en bepleit dat de verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvolging. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de verdachte in opdracht van de minister de betreffende percelen moest wijzigen, waarbij de minister nadrukkelijk te kennen heeft gegeven dat aan deze opdracht uitvoering moest worden gegeven. Binnen de Arubaanse ambtelijke praktijk bestaat voor een ambtenaar in feite geen mogelijkheid om een opdracht van een minister te weigeren zonder het risico van ernstige persoonlijke consequenties. Verder heeft de verdachte de brief waarin melding wordt gemaakt van een dubbele boeking opgesteld overeenkomstig het advies van [betrokkene 3], destijds waarnemend directeur van de DIP, en is deze brief medeondertekend door [getuige 2], directeur van de DIP, aldus de raadsman.

Het Hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Vooropgesteld wordt dat uitzonderlijke omstandigheden in een individueel geval kunnen meebrengen dat gedragingen die door de wetgever strafbaar zijn gesteld, toch gerechtvaardigd kunnen worden geacht, onder meer als moet worden aangenomen dat daarbij is gehandeld in noodtoestand, dat wil zeggen - in het algemeen gesproken - dat de pleger van het feit, staande voor de noodzaak te kiezen uit onderling strijdige plichten en belangen, de zwaarstwegende heeft laten prevaleren.

Naar het oordeel van het Hof is van een zodanige noodtoestand geen sprake. De door de verdediging gestelde opdracht van de minister en de binnen de ambtelijke organisatie ervaren druk om aan die opdracht uitvoering te geven, brengen niet mee dat de verdachte werd geplaatst voor een zodanige keuze tussen onderling strijdige plichten of belangen die het opnemen van een onjuiste feitelijke mededeling in officiële ambtelijke stukken kon rechtvaardigen. Van de verdachte mocht worden verwacht dat zij afzag van het opnemen van een mededeling waarvan zij wist dat deze onjuist was. De gestelde vrees voor negatieve gevolgen voor haar carrière of persoonlijke situatie, weegt – hoe zwaar de ervaren druk voor de verdachte ook geweest mag zijn – niet op tegen het zwaarwegende maatschappelijke belang dat moet kunnen worden vertrouwd op de juistheid van officiële ambtelijke geschriften.

Dat de brieven zouden zijn opgesteld overeenkomstig het advies van de waarnemend directeur van de DIP en mede zijn ondertekend door de directeur van de DIP, leidt niet tot een ander oordeel. Het handelen in een hiërarchische ambtelijke context of het opvolgen van een dergelijk advies laat de eigen (strafrechtelijke) verantwoordelijkheid van de individuele ambtenaar om te weigeren een vals geschrift op te maken immers onverlet.

Het Hof verwerpt daarom het beroep op overmacht in de zin van noodtoestand.

Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het onder 2 bewezenverklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:184 juncto 1:136 van het Wetboek van Strafrecht van Aruba. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Geen straf of maatregel

Het Hof heeft acht geslagen op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De verdachte heeft zich als Teamcoördinator Uitgiftecentrum bij de DIP schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift door twee ambtelijke brieven op te stellen waarin in strijd met de waarheid is vermeld dat een perceel te Malmok al eerder was gereserveerd. Deze brieven dienden ter onderbouwing van de verdere besluitvorming over de uitgifte van een erfpachtrecht. Door zo te handelen heeft de verdachte het vertrouwen geschaad dat in de juistheid van officiële ambtelijke geschriften moet kunnen worden gesteld. Gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde is oplegging van een straf in beginsel aangewezen.

Het Hof ziet in de bijzondere omstandigheden van dit geval evenwel aanleiding toepassing te geven aan artikel 1:12 van het Wetboek van Strafrecht van Aruba en zal bepalen dat aan de verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat de verdachte, in afwijking van de gebruikelijke gang van zaken, van de minister opdracht kreeg een al aan een derde toegewezen perceel aan een andere aanvrager toe te wijzen. De verdachte heeft bezwaar gemaakt tegen die gang van zaken, omdat de procedure met de eerste aanvrager al vergevorderd was. De minister liet echter weten dat aan zijn opdracht uitvoering moest worden gegeven. Het Hof acht aannemelijk dat de hiërarchische verhouding en de hevige druk die de verdachte daarbij heeft ervaren, eraan hebben bijgedragen dat zij de onjuiste mededeling in de brieven heeft opgenomen. Hoewel deze omstandigheden haar handelen niet rechtvaardigen, spelen zij wel een rol in de stafmaatoverwegingen.

Verder houdt het Hof sterk rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Uit haar strafkaart blijkt dat zij niet eerder wegens een misdrijf is veroordeeld. Daarnaast blijkt uit haar verklaring ter terechtzitting dat zij alleen de zorg draagt voor haar drie minderjarige kinderen en – mede als gevolg van deze strafzaak – in een financieel moeilijke situatie verkeert.

Ten slotte betrekt het Hof het aanzienlijke tijdsverloop in zijn oordeel. De verdachte is op 6 april 2022 voor het eerst als verdachte gehoord. Het Gerecht in eerste aanleg heeft op 22 januari 2025 vonnis gewezen. De verdachte heeft vervolgens op 4 februari 2025 hoger beroep ingesteld. Het Hof doet vandaag, 17 september 2026, einduitspraak, waardoor de redelijke termijn in zijn geheel is overschreden. De verdachte heeft aldus gedurende geruime tijd in onzekerheid verkeerd over de strafrechtelijke afdoening van haar zaak.

Alles afwegende is het Hof van oordeel dat, ondanks de ernst van het bewezenverklaarde, de hiervoor genoemde omstandigheden van dien aard zijn dat kan worden volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel.

BESLISSING

Het Hof:

vernietigt het vonnis van het Gerecht en doet in zoverre opnieuw recht;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair en subsidiair en 3 ten laste is gelegd en spreekt haar daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij;

kwalificeert het bewezenverklaarde als hiervoor omschreven;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

bepaalt dat ter zake van het bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.P.C.M. Waarts, voorzitter, mr. Y.C. Bours en mr. M.L.A. Angela, leden van het Hof, bijgestaan door mr. E.P. Versluis, griffier, en op 17 september 2026 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao met een directe beeld- en geluidsverbinding met het gerechtsgebouw in Aruba.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. P.P.C.M. Waarts
  • mr. Y.C. Bours
  • mr. M.L.A. Angela

Griffier

  • mr. E.P. Versluis

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand