ECLI:NL:OGHACMB:2026:294

ECLI:NL:OGHACMB:2026:294

Instantie Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak 17-09-2026
Datum publicatie 19-10-2026
Zaaknummer H-18/25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:OGEAA:2025:4

Samenvatting

Onderzoek Flamingo. Politieke benoemingen (feiten 1 en 3): veroordeling van een voormalig liaison/publieksmedewerker van het bureau van de minister van ROIM wegens medeplegen van passieve ambtelijke omkoping en misbruik van functie, telkens meermalen gepleegd. De verdachte werkte nauw samen met de minister om campagnevoerders en politieke aanhangers aan banen bij DOW en Serlimar te helpen. Bij vier personen vormden campagneactiviteiten en toegezegde politieke steun de tegenprestatie voor die hulp. Misbruik van functie bewezen ten aanzien van de plaatsing van zes personen. Vrijspraak van passieve ambtelijke omkoping (feit 2). Hoewel de verdachte gedurende langere tijd geld en andere financiële ondersteuning ontving, is onvoldoende verband vastgesteld tussen die ondersteuning en haar ambtelijke handelen om dit als tegenprestatie of beloning aan te merken. Vernietiging van de vrijspraak in eerste aanleg. Werkstraf van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Wegens overschrijding van de redelijke termijn ziet het Hof af van het daarnaast opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden.

Uitspraak

Feit 1

dat zij op een of meer tijdstippen in de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 augustus 2020 te Aruba, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in haar hoedanigheid van liaison/publieksmedewerker bij het bureau van de minister van ruimtelijke ontwikkeling, infrastructuur en milieu (ROIM), althans als ambtenaar en/of in het vooruitzicht van een aanstelling als ambtenaar/minister van [medeverdachte 1], welke aanstelling is gevolgd, van [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] en/of [betrokkene 1] en/of [betrokkene 5] en/of [betrokkene 6] en/of [betrokkene 7] en/of [betrokkene 8] een gift of belofte of een dienst, te weten:

A.

heeft aangenomen, terwijl zij, verdachte en/of haar medeverdachten wisten, althans redelijkerwijs moesten vermoeden dat deze giften en/of deze beloften en/of deze diensten haar/hun werden gedaan en/of verleend en/of aangeboden,

B.

voor zichzelf en/of een of meer anderen heeft gevraagd,

te weten

Feit 2

dat zij op een of meer tijdstippen in de periode van 1 november 2017 tot en met 31 augustus 2020 te Aruba, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in haar hoedanigheid van liaison/publieksmedewerker bij het bureau van de minister van ROIM, althans ambtenaar bij voornoemd bureau van [betrokkene 9], een gift of belofte of een dienst, te weten:

A.

heeft aangenomen, terwijl zij, verdachte en/of haar medeverdachten wisten, althans redelijkerwijs moesten vermoeden dat deze giften en/of deze beloften en/of deze diensten haar/hun werden gedaan en/of verleend en/of aangeboden,

B.

voor zichzelf en/of een of meer anderen heeft gevraagd,

te weten

Feit 3

dat zij op een of meer tijdstippen in de periode van 1 november 2017 tot en met 31 augustus 2020 te Aruba tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in haar hoedanigheid van consulent/liaison/publieksmedewerker bij het bureau van de minister van ROIM, opzettelijk met misbruik van haar functie en/of positie iets heeft gedaan en/of nagelaten te doen teneinde enig voordeel voor haar en/of een ander te verkrijgen, namelijk hebben verdachte en/of haar medeverdachten:

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het Hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Inleiding

In het zaaksdossier [verdachte] spelen twee verdachten een centrale rol, te weten [medeverdachte 1] en [verdachte] in de onderhavige zaak. Voor de leesbaarheid zal het Hof hen zoveel mogelijk aanduiden bij hun achternaam.

Verder wordt in deze zaak verwezen naar na te noemen politieke partijen:

Arubaanse Volkspartij: AVP;

Movimiento Electral di Pueblo: MEP;

Pueblo Orguyoso y Respeta POR.

Ook zijn na te noemen ministeries en de (in de tenlastegelegde periode) daaronder vallende directies of diensten van belang:

- het Ministerie van Algemene Zaken, Cultuur, Milieu en Natuur;

- het Ministerie van Toerisme, Transport en Arbeid, vanaf 13 oktober 2013 het Ministerie van Toerisme, Transport, Primaire Sector en Cultuur;

 Directie Landbouw, Veeteelt en Visserij: DLVV (in de volksmond Santa Rosa)

- het Ministerie van Ruimtelijke Ordening, Infrastructuur en Milieu (ROIM);

Ten aanzien van Serlimar is van belang dat Serlimar al sinds 2005 een sui generis is. In de Memorie van Toelichting op de Landsverordening Serlimar (LV Serlimar) is het volgende bepaald:

Uit de aard van het Bedrijf als rechtspersoon sui generis volgt ten eerste dat de rol van de betrokken minister – in casu de minister van Volksgezondheid en Milieu, hierna te noemen de Minister – bij zijn functioneren beperkt zal zijn. In concreto zal die rol bestaan uit het geven van aanwijzingen van algemene aard, het benoemen van de meerderheid van de leden van het toezichthoudend orgaan en, onder bepaalde omstandigheden, het toepassing geven aan een taakverwaarlozingsbepaling. Een dergelijke rol komt overeen met de grote mate van zelfstandigheid die door de regering wenselijk wordt geacht voor het goed functioneren van het Bedrijf.

De politieke loopbaan van [medeverdachte 1]

[Medeverdachte 1] is al sinds 1994 actief in de Arubaanse politiek. Hij is begonnen als adviseur bij het bureau van de minister van Economische Zaken van Toerisme. Tussen 2001 en 2009 was hij AVP-parlementslid van de Staten van Aruba. Daarna werd hij minister van Toerisme en Transport. In november 2016 trad hij af als minister, stapte hij uit de AVP en richtte hij een nieuwe politieke partij op, POR. Bij de verkiezingen in september 2017 haalde POR twee zetels. [Medeverdachte 1] werd op 17 november 2017 als minister beëdigd in het kabinet Wever-Croes I. [Medeverdachte 1] kreeg de leiding over het Ministerie van ROIM. Op 17 september 2019 kondigde hij zijn vertrek aan, waarna hij zijn ambt als minister op 12 december 2019 formeel neerlegde. Zijn ministerpost werd op 28 januari 2020 overgenomen door [betrokkene 10]. Zij constateerde vrijwel direct onregelmatigheden bij het Ministerie van ROIM, die zij heeft aangekaart onder meer bij de Landsrecherche.

De loopbaan van [verdachte] in de politiek

Uit de verklaringen van [verdachte] in het dossier blijkt dat zij in 1994 is begonnen als secretaresse van de minister van Economische Zaken van Toerisme. Van 2001 tot 2009 werkte zij als administratief medewerkster bij Serlimar. In 2010 heeft [medeverdachte 1] haar gevraagd om voor hem te komen werken bij Santa Rosa. Daar is ze tot 2014 gebleven. Toen [medeverdachte 1] minister werd is ze publieke werken gaan doen. Nadat [medeverdachte 1] de APV verliet, is zij teruggegaan naar Santa Rosa. Daar heeft ze gewerkt totdat [medeverdachte 1] in 2017 de verkiezingen won en minister van ROIM werd. In november 2017 is zij ter beschikking gesteld aan [medeverdachte 1]. Zij is toen gaan werken op het bureau van de minister. Daar is ze blijven werken tot zij in januari 2020 een toegangsverbod kreeg. Op 10 augustus 2020 werd zij geschorst.

Vrijspraak feit 2

De procureur-generaal heeft bewezenverklaring gevorderd van het onder 2 ten laste gelegde, stellende dat [verdachte] betalingen heeft ontvangen van [betrokkene 9] en dat zij [betrokkene 9] in ruil daarvoor een ingang heeft geboden tot de minister van ROIM en de DIP. Ook zorgde zij voor bespoediging van de aanvragen van projecten van [betrokkene 9]. De procureur-generaal wijst in dit verband op na te noemen tussen [verdachte] en [betrokkene 9] gevoerde gesprekken. Op 18 oktober 2019 vraagt [betrokkene 9], direct nadat is afgesproken waar en wanneer [verdachte] het geld kan ophalen, aan haar om de vragen aan [medeverdachte 1] te stellen. Ook wil hij van haar weten wie van de DIP of de DOW hij kan benaderen. In een gesprek van 23 oktober 2019 vraagt [betrokkene 9] haar om opvolging te doen bij de DIP. [Verdachte] was zich, volgens de procureur-generaal, bewust van het belang dat [betrokkene 9] had om zijn aanvragen via haar te versnellen. Door dan toch nog giften van [betrokkene 9] aan te nemen, heeft [verdachte] zich schuldig gemaakt aan passieve omkoping.

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het onder 2 tenlastegelegde. Zij stelt dat de financiële steun van [betrokkene 9] aan [verdachte] moet worden gezien in het kader van hun langdurige vriendschap, niet in het kader van zakelijke of politieke afspraken. Er is dan ook geen sprake van een causaal verband tussen de giften van [betrokkene 9] en de ambtelijke gedraging van [verdachte].

Oordeel van het Hof

[Verdachte] en [betrokkene 9] hebben ieder voor zich verklaard dat [verdachte] gedurende een langere periode geld en andere vormen van financiële ondersteuning van [betrokkene 9] heeft ontvangen. Daarbij valt wel op dat hun verklaringen over de hoogte en de aard van de betalingen en ook de periode waarin die betalingen door [betrokkene 9] aan [verdachte] zijn gedaan behoorlijk uiteenlopen. Gelet echter op de inhoud van de door [verdachte] en [betrokkene 9] gevoerde telefoongesprekken op 17 en 18 oktober 2019, waarin [betrokkene 9] tegen [verdachte] zegt dat hij “het op dezelfde plek zal neerleggen” en dat “het meer geld is dan normaal” én de van de [naam school] verkregen informatie over de betaling van het schoolgeld van de dochter van [verdachte] in 2017/2018 en 2018/2019, gaat het Hof ervan uit dat [verdachte] gedurende een langere periode financiële ondersteuning van [betrokkene 9] heeft ontvangen.

Waar de verklaringen van [verdachte] en [betrokkene 9], als gezegd, op onderdelen uiteenlopen, zijn [betrokkene 9] en [verdachte] stellig en consistent in hun verklaring dat de betalingen van [betrokkene 9] aan [verdachte] moeten worden gezien in het licht van hun vriendschap en dat [verdachte] daar nooit iets voor heeft hoeven ‘terug’ doen.

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het behoeft geen betoog dat het, zeker gezien de positie van [verdachte] als ambtenaar, beter was geweest als [verdachte] en [betrokkene 9] een professionele afstand in acht hadden genomen waar het de zakelijke belangen van [betrokkene 9] betrof. Dit laat onverlet dat op grond van voornoemde feiten en omstandigheden op basis van de inhoud van het dossier niet kan worden vastgesteld dat sprake was van een zodanig verband tussen de financiële ondersteuning van [betrokkene 9] en het handelen van [verdachte], dat haar handelen moet worden aangemerkt als tegenprestatie of beloning voor die financiële ondersteuning. Het Hof betrekt hierbij dat [verdachte] al ruimschoots vóór de gesprekken in oktober 2019, waarin [betrokkene 9] verzoeken aan haar doet, financiële steun van hem ontving. Daarnaast heeft het Hof geconstateerd dat [betrokkene 9] en [medeverdachte 1] elkaar al sinds 1994 kenden en dat uit het dossier blijkt dat zij met elkaar in contact stonden (in de telefoon van [medeverdachte 1] zijn chats aangetroffen van 18 oktober 2016 tot en met 19 juni 2020 en in de telefoon van [betrokkene 9] van 1 januari 2018 tot en met 26 oktober 2021), waaruit het Hof afleidt dat [betrokkene 9] [verdachte] niet nodig had om met [medeverdachte 1] in contact te kunnen komen.

Het Hof zal de verdachte dan ook vrijspreken van het onder 2 tenlastegelegde.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs voor de feiten 1 en 3

Bij feit 1 wordt [verdachte] verweten dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan passieve ambtelijke omkoping omdat zij in haar functie van liaison/publieksmedewerker van het bureau van de minister van ROIM, samen met een ander ([medeverdachte 1]) (politieke) invloed heeft uitgeoefend ter bevordering van het verkrijgen van een baan bij een overheidsdienst en/of het geven van een voorkeursbehandeling aan [betrokkene 2], [betrokkene 3], [betrokkene 4], [betrokkene 1], [betrokkene 5], [betrokkene 6], [betrokkene 7] en [betrokkene 8]. Deze personen is een voorkeursbehandeling gegeven bij het krijgen van een baan bij – kort gezegd – een overheidsdienst (DOW en/of Serlimar) in ruil voor politieke steun (in de zin van campagnevoeren en/of stemmen op [medeverdachte 1] of zijn partij POR).

Het Hof stelt voorop dat van passieve omkoping sprake is als komt vast te staan dat de ambtenaar een gift, belofte of dienst heeft aangenomen, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze gift, belofte of dienst hem werd gedaan om hem te bewegen om, al dan niet in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten, dan wel ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem in zijn bediening is gedaan of nagelaten. De wet vereist dus een verband tussen de gift, belofte of dienst en de ambtelijke gedraging. Bij het verlenen van een dienst gaat het om het verrichten van een feitelijke handeling ten gunste van een ander (bijvoorbeeld het voeren van campagne voor iemand en/of het stemmen op iemand). Van een belofte is sprake als een toekomstig voordeel in het vooruitzicht wordt gesteld. Het toegezegde voordeel kan een gift of dienst zijn, maar ook een betrekkelijk vage toezegging (bijvoorbeeld om voor iemand campagne te zullen gaan voeren en/of op iemand te zullen stemmen). Of de toegezegde gift of dienst uiteindelijk volgt, is daarbij niet van belang.

Bij feit 3 wordt [verdachte] verweten dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan misbruik van haar functie, aangezien zij in haar functie van liaison/publieksmedewerker van het bureau van de minister van ROIM, samen met een ander ([medeverdachte 1]), (politieke) invloed heeft uitgeoefend ter bevordering van het aanstellen van [betrokkene 2] bij DOW en de andere in lid 1 genoemde personen bij Serlimar.

Het Hof stelt voorop dat het hierbij moet gaan om een ambtenaar die opzettelijk ‘met misbruik van zijn functie’ iets doet of nalaat om enig voordeel voor zichzelf of een ander te verkrijgen. Dat brengt met zich dat de gedraging van de ambtenaar in relatie moet staan tot zijn functie, in die zin dat die functie hem tot die gedraging in staat stelt, maar dat de gedraging bij een normale uitoefening van de functie achterwege zou blijven en dat de gedraging door de ambtenaar is verricht om enig voordeel te verkrijgen. Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat in de aard van het ambtenaarschap besloten ligt dat al snel sprake kan zijn van overtreding van een geschreven norm. Ambtenaren dienen zich volgens de ambtseed immers te gedragen, zoals een goed ambtenaar betaamt en zij dienen onkreukbaar en betrouwbaar te zijn. Ruime open normen van deze strekking zijn ook neergelegd in de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht. Dit betekent dat laakbaar gedrag al voldoende kan zijn voor overtreding van artikel 2:354 Sr.

Ten aanzien van [verdachte] geldt dat zij ambtenaar is als bedoeld in 1:205 Sr.

De verklaringen van [medeverdachte 1]

[Medeverdachte 1] ontkent dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan enig strafbaar feit. Hij heeft met betrekking tot [verdachte] aangegeven dat zij tijdens zijn campagne erg belangrijk voor hem was. Zij was toen een vertrouwenspersoon voor hem. Hij heeft verder verklaard dat [verdachte] op zijn bureau als liaison officer werkte. Hij heeft haar gevraagd om voor hem te komen werken om het publiek te helpen. Zij kreeg die baan omdat hij haar vertrouwt en ervan overtuigd is dat zij iemand is die voor het volk werkt. Praktisch gezien viel [verdachte] rechtstreeks onder hem.

De verklaring van [verdachte]

[Verdachte] is in totaal twaalf keer als verdachte door de Landsrecherche gehoord. In die verklaringen zijn diverse onderwerpen aan de orde gekomen, waaronder ‘terreinaanvragen’, ‘spookambtenaren’, ‘de giften die zij van [betrokkene 9] ontving’, haar rol als campagnevoerder voor POR en/of [medeverdachte 1] én de door haar verrichte werkzaamheden op het bureau van de minister van ROIM. Alleen dat laatste onderdeel is hier nu van belang.

[Verdachte] heeft daarover verklaard dat zij op het bureau van minister [medeverdachte 1] van ROIM werkte als consulent voor het publiek. Zij hield zich in die hoedanigheid onder meer bezig met werkeloze burgers die om banen kwamen vragen. Volgens haar regelen mensen die hulp nodig hebben dat via de politiek. De mensen die zij hielp waren vooral mensen van het lagere kader, die hem (het Hof begrijpt: [medeverdachte 1]) in de campagne hadden geholpen.

Volgens haar heeft [medeverdachte 1] zes of zeven personen een baan gegeven bij de DIP. Die personen waren gelieerd aan POR. Het waren campagnadors (het Hof begrijpt: campagnevoerders) van [medeverdachte 1]. [Medeverdachte 1] heeft volgens haar vaker geregeld dat mensen op bepaalde plekken een functie kregen. Hij is een politieke minister. Alle ministers zijn politiek en geven werk aan mensen die zij willen. Aldus [verdachte].

Volgens [verdachte] heeft [medeverdachte 1] ook verschillende jongens een baan gegeven bij Serlimar. Volgens haar stuurt de directeur dan een brief naar de minister, waarin hij aangeeft dat hij mensen nodig heeft. [Medeverdachte 1] heeft, volgens haar, een eigen lijst van mensen de werk nodig hebben. Hij helpt zijn eigen mensen. [Verdachte] denkt dat [medeverdachte 1] wel twaalf tot vijftien mensen een baan heeft gegeven. Volgens haar gaat alles via de politiek sneller.

Logboek en sollicitatiebrieven

Zoals gezegd, heeft [betrokkene 10] in juli 2020 bij de Landsrecherche melding gemaakt van onregelmatigheden bij Serlimar, onder meer inhoudende dat Serlimar werd gerund vanaf het bureau van de minister van ROIM. Tijdens de gesprekken met de Landsrecherche heeft zij diverse stukken overgelegd, die afkomstig waren van de desktop van [verdachte].

Het ging, voorzover hier relevant, om sollicitatiebrieven en een logboek.

De sollicitatiebrieven betroffen diverse ongetekende brieven van diverse personen voor verschillende (overheids)banen. De brieven waren veelal gericht aan minister [medeverdachte 1]. In enkele van de in het Nederlands opgestelde brieven stond een typefout (hoogachteing in plaats van hoogachtend). Dat was onder andere het geval in de brief van [betrokkene 5] van 17 januari 2018 en in de brief van [betrokkene 3] van 29 juli 2019.

Het logboek bleek een registratie te zijn, met verschillende rubrieken, waaronder:

- Team campagne partij POR 2021, team [voornaam/bijnaam verdachte]

Hierop staan de namen vermeld van een groot aantal personen, onder wie [betrokkene 8], [betrokkene 2] en [betrokkene 6] met daarbij de opmerking dat zij de partij en [medeverdachte 1] blijven steunen. Ook is vermeld [voornaam betrokkene 5] is boos. Het Hof begrijpt dat het hier gaat om [betrokkene 5].

- Vacature bij DOW

Hierop is de naam van [betrokkene 2] vermeld. Bij het commentaar staat ‘[medeverdachte 1] heeft tegen [voornaam betrokkene 2] gezegd dat zodra hij 18 jaar oud wordt, zal hij van hem een baan krijgen bij het DOW, maar tot nu toe heeft hij nog niets gekregen’.

- Deze zijn allemaal mensen die [medeverdachte 1] geholpen heeft om een baan bij Serlimar zelf te krijgen en het zijn campagnevoerders van Team[medeverdachte 1] POR 2018.

Hierop staan onder meer de volgende personen genoemd.

Over de sollicitatiebrieven heeft [verdachte] verklaard dat ICT een standaardbrief heeft gemaakt en dat zij deze brieven heeft geschreven.

Over het logboek heeft zij verklaard dat zij deze lijsten in haar computer op kantoor had staan. [Medeverdachte 1] had deze lijsten ook. Ze had allemaal verschillende lijsten. Zij maakte de lijsten en zij hield daarop bij wat de mensen bij haar op kantoor kwamen doen. Zij heeft opgeschreven wat de mensen tegen haar zeiden wat [medeverdachte 1] tegen hen had gezegd. [Medeverdachte 1] wist dat zij deze lijsten bijhield. Zij stuurde de lijsten, waaronder de lijst dat ‘ze de partij blijven steunen’, naar [medeverdachte 1]. Op de lijst ‘Team [voornaam verdachte]’ staan allemaal campagnevoerders van POR van [medeverdachte 1].

Manila-mappen

Op 10 augustus 2020 heeft een zoeking plaatsgevonden op het kantoor van [verdachte] bij het bureau van de minister van ROIM, op dat moment [betrokkene 10]. Daarbij zijn diverse goederen, waaronder enkele manila-mappen, in beslag genomen.

Op een van die mappen stond geschreven: “Esakinan ta pami mes pidi [medeverdachte 1] juda nan – Nos hendenan”.

[Verdachte] heeft verklaard dat zij deze mappen heeft gemaakt. Met ‘Nos hendenan’ bedoelde zij mensen van POR, de campagnevoerders of stemmers. Een keer in de maand nam zij dit mee naar de staff meeting. Zij zei dan dat dit de voters en campagnevoerders van POR zijn en dat zij om hulp hebben gevraagd. De minister zorgde dat ze een baan kregen als ze de juiste papieren hadden.

Op de vraag waarom is vermeld ‘nos hendenan en votadornan’ antwoordt zij dat deze apart zijn. Deze mensen hebben hard gewerkt voor alle kandidaten en tegen hen werd gezegd dat als wij zouden winnen we hen zouden helpen.

[Verdachte] verklaart verder dat ze voor de campagne bij mensen langsgingen om te vragen of ze POR, [medeverdachte 1], [naam] of [betrokkene 10] wilden steunen. Als ze dan zouden winnen met POR dan zouden ze deze mensen helpen. De mensen die geen vaste baan hadden, zouden ze helpen. Als ze een vergadering hadden van POR zei [medeverdachte 1] dat ze iedereen zouden gaan helpen, als ze zouden winnen. Iedereen was blij dat [medeverdachte] iedereen zou gaan helpen.

WhatsAppgroep Teamcampana2021

In een onder [medeverdachte 1] inbeslaggenomen telefoon is een WhatsAppgroep gevonden met de naam ‘Teamcampana2021’. Deze groep is op 30 augustus 2018 aangemaakt door [verdachte] en bestaat uit 78 leden, onder wie [betrokkene 7], [ betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 6]. Ook [medeverdachte 1] was een van de leden.

Het Hof heeft hieronder een deel van de gesprekken weergegeven.

[Verdachte] heeft verklaard dat zij deze WhatsAppgroep heeft aangemaakt en dat [medeverdachte 1] een van de leden was, dat hij de berichten las, maar zelf nooit iets heeft geplaatst. [Medeverdachte 1] vroeg haar wel om bepaalde berichten te plaatsen, onder andere het bericht van 10 september 2018, waarin wordt verzocht om de publicaties van [medeverdachte 1] op social media te liken.

Tussenconclusie

Het Hof leidt uit het voorgaande af dat [verdachte], aan wie [medeverdachte 1] een baan heeft gegeven op het bureau van de minister in de functie van publieksmedewerker (of zoals [medeverdachte 1] haar noemde: liaison officer) veel contact had met het publiek.

Het Hof wil zonder meer aannemen dat, zoals [verdachte] heeft verklaard, niet alleen aanhangers van POR en/of [medeverdachte 1] met klachten en hulpvragen bij haar kwamen, en ook dat niet alleen POR- en/of [medeverdachte 1]-aanhangers door haar werden geholpen. Dit laat evenwel onverlet dat het Hof heeft geconstateerd dat campagnevoerders van POR en/of [medeverdachte 1] zich onderscheidden van andere hulpvragers. Deze mensen waren, volgens [verdachte], anders omdat zij hard hadden gewerkt voor de POR-kandidaten. Aan hen was hulp beloofd als POR zou winnen. [Verdachte] koppelt die hulp zelf onder andere aan hulp bij het vinden van een baan. [Verdachte] hielp, naar eigen zeggen, vooral mensen van het lagere kader, die [medeverdachte 1] in de campagne hadden geholpen. Dat niet alle hulpvragers gelijk waren blijkt ook wel uit het mapje met verwijzingen naar ‘nos hendenan en votadornan’ en uit de benamingen van enkele lijsten uit haar logboek, te weten ‘Team campagne partij POR 2021, team [verdachte] en ‘deze zijn allemaal mensen die [medeverdachte 1] geholpen heeft om een baan bij Serlimar zelf te krijgen en het zijn campagnevoerders van Team[medeverdachte 1] POR 2018’. De speciale positie die deze campagnevoerders toekwam blijkt ook uit de berichten in de WhatsAppgroep Teamcampana2021. Ook daaruit blijkt dat de mensen die in 2017 voor [medeverdachte 1] campagne hebben gevoerd, zouden worden geholpen. [Verdachte] schrijft meermalen dat zij trots is op het feit dat [medeverdachte 1] zijn campagnevoerders en stemmers aan het helpen is en dat het al bij een groot deel van hen al is gelukt.

Het Hof wijst in dit verband nog op de verklaring van campagnevoerder [betrokkene 20], inhoudende dat de campagnevoerders van [medeverdachte 1] zouden worden geholpen met werk of andere dingen. Volgens hem kon [verdachte] daarvoor zorgen met hulp van de minister. De 100 campagnevoerders moesten worden geholpen omdat ze de politicus hadden gesteund.

En op de verklaringen van [betrokkene 21], inhoudende dat [medeverdachte 1] iemand is die geliefd wil zijn, die dingen voor zichzelf doet. Hij geeft jou geen baan om het Land Aruba beter te maken, ‘het is voor wat, hoort wat’ en van [betrokkene 1], inhoudende dat als je hen niet steunt, zij jou ook niet meer steunen’.

Het verschil tussen ‘gewone’ burgers en POR en/of [medeverdachte 1]-aanhangers blijkt voorts uit na te noemen WhatsAppgesprekken.

In een door [verdachte] met (naar het Hof begrijpt:) [betrokkene 22] gevoerd gesprek, vraagt [betrokkene 22] aan [verdachte] of zijn schoonzus een afspraak kan krijgen met [medeverdachte 1]. [Verdachte] antwoordt dat ze zal kijken wat ze kan doen, maar dat die schoonzus geen campagne heeft gevoerd voor POR of [medeverdachte 1]. [Verdachte] geeft aan dat ze respect heeft voor [betrokkene 22] en zijn familie die sterk achter [medeverdachte 1] hebben gestaan en dat ze daarom met de schoonzus gaat praten en zal kijken of [medeverdachte 1] haar kan helpen.

Op 28 januari 2020 zegt [medeverdachte 1] tegen [betrokkene 10]: “ik werd gebeld over het geval van [naam] die met het contract bij DIP werkt. Vanmiddag zal hij genotificeerd worden dat zijn contract niet zal worden verlengd. Ik heb begrepen dat het om een goede werker gaat. Hij is iemand die door ons is geplaatst. Ofwel door mij. En is onze mensen.

Op 14 maart 2020 zegt [medeverdachte 1] tegen [betrokkene 10]: Ben jij op de hoogte dat zij bij Serlimar onze mensen, die hun best aan het doen zijn om het bedrijf vooruit te brengen, aan het ontslaan zijn? Degenen die via een contract werden benoemd worden ontslagen, zodat al degenen die [voormalige minister] en de AVP daarin hadden gezet kunnen blijven werken. (…). Ze zijn degenen aan het ontslaan die ons kunnen helpen. Onze mensen Dat is niet goed.

[Betrokkene 10] antwoordt dat het niet haar doel is om onze mensen te ontslaan, maar er is een probleem dat niet zo kan blijven.

[Medeverdachte 1] zegt: In elk geval [betrokkene 10]. Nu ben jij Minister, jij moet de beslissing nemen. Wel jammer dat je al mijn werk dat ik gedaan heb negeer en dat je achter onze eigen mensen aangaat. (…) Ga maar door dan gaan we AVP terug hebben maar niet volgend jaar maar nog dit jaar in de regering.

Op de mededeling van [betrokkene 10] dat ze echt niet achter onze mensen aangaat, ze kent ze niet allemaal, antwoordt [medeverdachte 1]: “Ik wel!! En het zijn onze mensen. Het zijn POR mensen.’

Op 16 maart 2020 schrijft [medeverdachte 1] aan [betrokkene 10]: “Wat gaat er gebeuren met degenen die brieven aan het ontvangen zijn bij Serlimar. Ze zijn allemaal onze mensen. Kan hiermee gewacht/gestopt worden? Ik herhaal dat elk van hun juist onze mensen zijn. Mensen die werkten en campagne voerden voor POR. Zodat wij vandaag in de regering kunnen zijn.”

Uitoefenen van (politieke) invloed bij het krijgen van een baan bij DOW of Serlimar

Het Hof heeft de vraag te worden beantwoord of [verdachte], samen met [medeverdachte 1], (politieke) invloed heeft aangewend ter bevordering van de aanstelling van de in de tenlastelegging genoemde personen bij Serlimar en/of DOW, en/of hen daarbij een voorkeursbehandeling heeft gegeven.

Het Hof herhaalt hier [verdachtes] verklaring dat [medeverdachte 1] vaker heeft geregeld dat mensen op bepaalde plekken een functie kregen. Zo heeft hij volgens haar twaalf tot vijftien mensen personen een baan gegeven bij Serlimar.

Haar verklaring op dit punt staat niet op zichzelf, maar vindt steun in de hieronder weergegeven verklaringen van [betrokkene 23] en [betrokkene 24] én in diverse WhatsAppgesprekken die [medeverdachte 1] heeft gevoerd met [betrokkene 24] en met [betrokkene 25] (de toenmalige directeuren van Serlimar).

[Betrokkene 23] is sinds [datum] directeur van de dienst DHR. Zij heeft verklaard dat er een verschil is tussen de indienstneming bij een bureau van de minister of bij de diensten. Bij benoemingen binnen het bureau dient de minister een verzoekbrief in bij de ministerraad, waarna de ministerraad beslist. Daarna vult de minister een PZ-formulier in, waarna de DRH een onderzoek kan instellen. De DRH kan negatief adviseren, maar uiteindelijk bepaalt de minister. Als een besluit van de ministerraad naar de DRH wordt gestuurd, is er formatie en begroting. De DRH kan daar niets tegen inbrengen omdat het kloppend is gemaakt. Zo krijgen de bureaus hun personeel. Een benoeming bij een bureau van de minister is politiek. Het is een politieke keuze van de politicus. [Medeverdachte 1] spande de kroon met zijn benoemingen.

Bij een dienst gaat het anders. Dan is er een voorgedragen sollicitant en wordt advies gevraagd aan de DRH. [Medeverdachte 1] omzeilde deze procedure vaak. Hij zei dan dat de directie DIP iemand wilde aannemen en ging gelijk met de voordracht naar de ministerraad. Als die voordracht werd goedgekeurd, werd het ‘des ministers’ genoemd. Dat was niet zo, maar zo maakte hij het. Voor vacatures bij de diensten was het uitgangspunt dat er geen politieke benoemingen plaats vonden. Bij [medeverdachte 1] zagen we echter dat hij wel bemoeienis had bij overplaatsingen en benoemingen bij de diensten. Hij ging voorbij aan de procedures en ging direct naar de ministerraad om iemand geplaatst te krijgen.

[Betrokkene 24] heeft verklaard dat zij in november 2017 door [medeverdachte 1] is benaderd om bij Serlimar te gaan werken. Zij heeft daar van december 2017 tot 6 september 2018 gewerkt als Operations Manager van het interim managementteam.

Zij had contact met [verdachte] over de sollicitatiebrieven om bij Serlimar te werken. [Verdachte] en [medeverdachte 1] gaven goedkeuring wie er moest worden aangenomen. Er kwamen sollicitaties binnen via de e-mail van Serlimar. [Betrokkene 24] deed dan de screening, maar daarginds werd bepaald wie bij Serlimar aangenomen kon worden. [Betrokkene 24] had daar geen laatste woord over. Alleen bij de officiële vacaturestellingen bij Serlimar die gepubliceerd werden, was zij betrokken. Die sollicitaties gingen wel zoals het hoorde. [Verdachte] en [medeverdachte 1] hebben haar geïnformeerd dat zij beslissen wie van de campagnevoerders binnenkomen of niet. Volgens [betrokkene 24] verwachten veel van de campagnevoerders iets van je terug. [Verdachte] en [medeverdachte 1] hebben [betrokkene 24] verschillende keren gezegd dat zij beslissen wie er binnenkomt. Zij hadden vanaf dag één bemoeienis met het personeel van Serlimar.

Het Hof wijst in dit verband op de WhatsAppgesprekken tussen [betrokkene 24] en [medeverdachte 1] op 6 maart 2018 en tussen [betrokkene 24] en [verdachte] van 12 augustus 2018, waaruit die bemoeienis met het personeel van Serlimar duidelijk blijkt.

[Betrokkene 24] zegt op 6 maart 2018 tegen [medeverdachte 1]: We hebben een tekort aan beladers. Serlimar heeft er 3 nodig in totaal. We hebben een sollicitatiebrief van een familielid van een werknemer, kunnen we hem aannemen. Kunt u mij 2 werknemers sturen…Had [verdachte] een brief van [betrokkene 1] gegeven? (…)

[Medeverdachte 1] antwoordt: Nee [betrokkene 24] wacht op ons, laat die 3 even wachten, voordat we hun gaan benoemen, hou die 3 eventjes achter zodat we niet te veel commotie veroorzaken doordat er in 1 keer te veel mensen benoemd worden. Hoewel we ze nodig hebben, is het moeilijk om de werknemers uit te leggen. Dus laten we even met die 3 wachten en langzamerhand halen we ze binnen/plaatsen we ze in.

[Betrokkene 24] vraagt in een gesprek van 12 augustus 2018 aan [verdachte] om een update over de brief van ene [naam]. [Verdachte] antwoordt dat zij donderdag met [medeverdachte 1] heeft gezeten over al ‘onze’ campagnevoerders en ook apart van een paar van de kandidaten en [naam] zit binnen. [Medeverdachte 1] heeft tegen haar gezegd dat hij deze maanden niemand kan plaatsen. Pas in november zal hij kijken wat Serlimar nog mist en dan zal hij ze plaatsen. Twee gaat hij wel helpen, namelijk [betrokkene 6], die heeft gevraagd voor belader. Hij is ‘een goede campagnevoerder van mij en [medeverdachte 1]’. En [betrokkene 2]. Ten aanzien van hun twee heeft [medeverdachte 1] gezegd dat het over een paar weken gegeven zal worden.

[Betrokkene 24] is na haar vertrek opgevolgd door [betrokkene 25].

Dat [medeverdachte 1] zich ook dan bezig blijft houden met het plaatsen van personeel bij Serlimar leidt het Hof af uit onderstaande WhatsAppgesprekken tussen [betrokkene 25] en [medeverdachte 1]. Deze zijn relevant naast de door hen gevoerde gesprekken, die zijn weergegeven bij de bespreking van de in de tenlastelegging genoemde personen.

[Betrokkene 25] schrijft op 9 april 2019 naar [medeverdachte 1]: “We zijn bezig met het werven van een aantal beladers. Er zijn wel veel sollicitaties binnengekomen, maar ik dacht laat me met minister checken of u één of andere persoon in gedachten had, die wij iets hadden beloofd of zo, zodat ik dat dan weet om rekening mee te houden. Wat dan ook laat me weten.”

[Medeverdachte 1] antwoordt: “Geef me een kans tot vrijdag, dan kan ik jou antwoorden.”

Op 14 april 2029 zegt [betrokkene 25]: “Goedenavond Minister. Deze week moet ik nog 7 beladers werven. Ik heb niets meer van de minister gehoord. Zijn er nog mensen die Minister wil aanbevelen. (…)”

[Medeverdachte 1] antwoordt dat [betrokkene 25] morgen de namen krijgt.

Op 18 april 2019 laat [medeverdachte 1] weten dat hij dinsdag weer op kantoor is en dat hij dan de namen opstuurt voor de beladers en de andere persoon in de debiteuren afdeling en incasso.

Voorts een voicebericht van [betrokkene 25] naar [medeverdachte 1] van 6 mei 2019. In dat bericht geeft [betrokkene 25] aan dat hij heeft gehoord dat de beladers niet blij waren met de nieuwe groep mensen die was aangenomen, terwijl zij zelf familieleden hadden aanbevolen. (…) Zo had [naam] hem gevraagd om tegen de minister te zeggen dat zijn zoon [naam] is en dat hij een stemmer is. (…) [Betrokkene 25] zegt verder dat hij heeft uitgelegd dat die posities zoals altijd van het ministerie komen en dat het beleid moet worden gerespecteerd. [Medeverdachte 1] antwoordt daarop dat ze niet vanuit het ministerie komen. Het zijn mensen die gesolliciteerd hebben en die hij heeft doorgestuurd naar Serlimar. [Medeverdachte 1] zegt op 2 juni 2019 met betrekking tot de beladers tegen [betrokkene 25] dat [betrokkene 25] niet tegen de beladers moet zeggen dat die dingen via het ministerie lopen. Hij moet zeggen dat er sollicitaties bij jullie binnenkomen en dat er sollicitaties bij de minister binnen komen, die de minister allemaal doorstuurt naar Serlimar. En dat bij Serlimar wordt besloten, ‘zodat het niet klinkt alsof het bij het ministerie wordt besloten’.

Het Hof bespreekt hieronder de in de tenlastelegging genoemde personen.

1. [Betrokkene 2]

[Betrokkene 2] is met ingang van 16 maart 2020 in dienst getreden bij de DOW in de functie van 2e projectmedewerker W&F. Deze overeenkomst is op 22 september 2020 getekend door [betrokkene 2] en minister van ROIM [betrokkene 10].

[Betrokkene 2] heeft verklaard dat hij al vanaf 2009 politiek actief is. Sindsdien kent hij [medeverdachte 1] en [verdachte]. Hij was altijd op het kantoor van [medeverdachte 1] en sprak voor hem met het publiek. Hij heeft campagne gevoerd voor [medeverdachte 1] toen [medeverdachte 1] bij de AVP zat en ook toen hij bij de POR zat. [Verdachte] en hij hebben geholpen met de oprichting van POR. Hij was in 2017 zeventien jaar oud. Hij mocht niet stemmen, maar heeft wel stemmen voor [medeverdachte 1] gezocht. Als aan hem een geel mapje wordt getoond, met daarop ‘Sollicitatie DOW’, zijn naam en ‘ta cla’ antwoordt hij dat [verdachte] zijn curriculum vitae heeft opgemaakt en iemand anders van het bureau van [medeverdachte 1] zijn brief. Als hem de registraties in het logboek van [verdachte] worden getoond, te weten ‘Blijft POR en [medeverdachte 1] steunen’ en ‘[medeverdachte 1] heeft tegen [betrokkene 2] gezegd dat zodra hij achttien jaar oud wordt, zal hij van hem een baan krijgen bij het DOW, maar tot nu toe heeft hij nog niks’, antwoordt hij dat [medeverdachte 1] hem vóór de verkiezingen van 2017 heeft gezegd dat hij, zodra [betrokkene 2] achttien jaar werd, een baan voor hem zou regelen bij de DOW. Volgens [betrokkene 2] zei [medeverdachte 1] altijd dat wanneer [medeverdachte 1] groot wordt, [medeverdachte 1] hem een baan zal geven.

Het Hof is gebleken dat [betrokkene 2] lid is van de WhatsAppgroep Teamcampana2021, en dat hem in die groep meermalen een hart onder de riem is gestoken. Volgens [verdachte] en anderen moet [betrokkene 2] geduldig blijven en zal [medeverdachte 1] hem zeker helpen.

Verder wordt er diverse keren met of over [betrokkene 2] gesproken.

- [ [Verdachte] geeft in een gesprek met [betrokkene 24] op 12 augustus 2018 aan dat ze donderdag met [medeverdachte 1] heeft gezeten over al onze campagnevoerders. [Medeverdachte 1] heeft tegen haar gezegd dat hij voorlopig niemand meer kan plaatsen. Twee mensen gaat hij wel helpen. Dat zijn [betrokkene 6] en [betrokkene 2]. Ten aanzien van hun twee heeft [medeverdachte 1] gezegd dat het over een paar weken gegeven zal worden.

- [ [Verdachte] zegt in een gesprek met [betrokkene] van 13 november 2019 dat [medeverdachte 1] bezig is om [betrokkene 2] per 1 december bij de DOW te plaatsen om daar te werken.

- [ [Betrokkene 2] zegt op 11 december 2019 tegen [medeverdachte 1] dat hij erg blij is dat hij verschillende campagnes met [medeverdachte 1] heeft mogen voeren en dat [medeverdachte 1] hem vandaag ook heeft kunnen helpen met een goede baan bij de DOW waar zijn toekomst zal zijn.

- In een gesprek van 13 december 2019 zegt [verdachte] tegen [betrokkene 13] dat ze nog op Aruba is en dat ze een aantal stukken voor mensen aan het afronden is. Zij zegt dat [betrokkene 2] 2 januari zal beginnen met werken bij de DOW. [Verdachte] zegt dat hij ze dan allemaal heeft geholpen.

- In een gesprek van 16 juli 2020 zegt [verdachte] tegen [betrokkene 2] dat [medeverdachte 1] haar vandaag heeft gevraagd om aan [betrokkene 2] te vragen of hij zaterdag kan komen helpen. [Betrokkene 2] antwoordt dat hij zeker komt. [Verdachte] zegt vervolgens dat ze weet dat hij nooit meer bij hun terug komt, dat dat niet erg is, dat ze toch van hem blijft houden en dat als hij zich op een dag herinnert wie hem heeft geplaatst, hij wel zal terugkomen.

2) [ [Betrokkene 3]

[Betrokkene 3] is op 15 november 2019 bij Serlimar in dienst getreden.

In het dossier bevindt zich een door [betrokkene 3] ondertekende sollicitatiebrief van 29 juli 2019 voor een baan als opzichter bij Serlimar. Deze brief is gericht aan minister [medeverdachte 1] en is, volgens het stempel (en de handtekening van [verdachte]) op 29 juli 2019 ontvangen bij het Ministerie van ROIM. Een ongetekende versie van deze brief is aangetroffen in de door [betrokkene 10] overgelegde stukken uit de computer van [verdachte]. In beide brieven staat ‘hoogachteing’ in plaats van ‘hoogachtend’.

[Verdachte] heeft bovendien verklaard dat zij de sollicitatiebrief van [betrokkene 3] heeft gemaakt en naar de personal assistent van [medeverdachte 1]) heeft gestuurd. [Verdachte] heeft verder verklaard dat [betrokkene 3] een contract had gekregen van de AVP, voordat de AVP bij Serlimar weg was. Toen [medeverdachte 1] minister werd, heeft [betrokkene 3] [medeverdachte 1] verteld dat hij een contract had van de AVP, maar dat hij de baan niet heeft gekregen. [Medeverdachte 1] heeft [betrokkene 3] daarop naar haar gestuurd. Zo heeft [betrokkene 3] uiteindelijk een baan gekregen. Volgens haar heeft [betrokkene 3] door [medeverdachte 1] een contract gekregen van 5 jaar bij Serlimar.

De bemoeienis van [verdachte] en [medeverdachte 1] bij de plaatsing van [betrokkene 3] bij Serlimar blijkt verder uit onderstaande WhatsAppberichten, die in de telefoon van [medeverdachte 1] zijn gevonden.

Op 29 juli 2019 laat [betrokkene 3] aan [medeverdachte 1] weten dat hij net met [verdachte] heeft gezeten en dat hij zijn sollicitatiebrief voor een functie van opzichter bij Serlimar heeft ingediend.

Op 25 augustus 2019 stuurt [medeverdachte 1] documenten naar [betrokkene 25], waaronder:

Met daarbij de tekst: Hij heeft een sollicitatie bij jullie. Voor de functie bij quality assurance

En

Met daarbij de tekst: Deze is de andere.

[Betrokkene 25] antwoordt diezelfde dag dat hij zal kijken of ze iets voor hen hebben.

Op 4 september 2019 zegt [betrokkene 25] dat P&O opdracht heeft gekregen om contact op te nemen met [betrokkene 1] om op een afspraak te komen.

[Medeverdachte 1] weet even niet over wie het gaat. Hij zegt [betrokkene 1]? en Volgens wat jij mij had gezegd, was het toch de heer [betrokkene 3] die je wilde aannemen bij Quality.

[Betrokkene 25] reageert: [betrokkene 1]. Ja [betrokkene 3] ook. Toch alle 2? Of heeft [betrokkene 3] meer urgentie?

[Medeverdachte 1] antwoordt: Inderdaad die twee/allebei.

Er bestaan kennelijk toch nog onduidelijkheden.

Op 1 oktober 2019 zegt [betrokkene 25]: Goede dag, Minister. (…) De meneer die bij ons kwam solliciteren ons, degene die de minister naar mij had gestuurd … uhm [betrokkene 3]… Het idee is dat hij voor een ploeg gaat van Mantencion bo Bario of voor een positie bij Serlimar. Doordat van hetgeen [verdachte] doorstuurde, dat hij naar haar had gestuurd, wil hij een ploeg worden. Maar ik heb het anders begrepen van de minister. Dus ik heb aan [verdachte] gezegd dat ik eigenlijk de dingen/zaken direct met de minister regel want anders wordt het verwarrend als het via verschillende mensen gaat. Graag indien minister mij kan laten weten welke de bedoeling is dat minister met hem heeft, want voor mij is het ene beetje verwarrend.

[Medeverdachte 1] antwoordt: Zoals wij tweetjes met elkaar hebben besproken.

Diezelfde dag zegt [medeverdachte 1] tegen [verdachte] dat [betrokkene 26] door de minsterraad is gegaan. [betrokkene 3] moet deze week beginnen als het goed is, zullen ze hem bellen. [naam] ook, maar hij denkt dat [verdachte] hem niet kent. Volgens [medeverdachte 1] is dat iemand die voor ons heeft gestemd. Hij begint bij Serlimar. (…) [medeverdachte 1] herhaalt dat ze tegen [betrokkene 26] moet zeggen dat hij klaar is, daarover hebben wij gesproken en [betrokkene 3] gaat ook beginnen.

Op 29 oktober 2019 stuurt [betrokkene 3] enkele WhatsAppberichten naar [medeverdachte 1]:

Daarna komen er enkele kinken in de kabel. Zo laat [betrokkene 3] [medeverdachte 1] op 13 november 2019 weten dat hij bij Serlimar is en dat ze hem een baan als medewerker onderhoud willen geven. Hij heeft gesolliciteerd voor opzichter. Hij weet niet wat hij moet doen. Hij weet niet meer hoe het zit. Hij kan niet leven van het minimumloon. Hij vraagt [medeverdachte 1] om hem alstublieft te laten weten hoe het zit. [Medeverdachte 1] antwoordt daarop dat ze hem zullen bellen. Hij moet rustig blijven. [Betrokkene 3] geeft aan dat hij een beetje bang is dat als [medeverdachte 1] aftreedt zij hem niet meer zullen helpen. [Medeverdachte 1] zegt dat hij niet moet twijfelen. [Betrokkene 3] antwoordt dat hij echt super loyaal is. POR en [medeverdachte 1].

Die loyaliteit blijkt ook uit een gesprek van 23 september 2019 tussen [betrokkene 3] en [medeverdachte 1], waarin [betrokkene 3] zegt: Minister [medeverdachte 1], ik kom net uit een gesprek met Serlimar en ze hebben me een “pick up/ophaal langs de weg” aangeboden maar volgens wat [betrokkene] zegt is het beter “cabuya” zegt, iets vasts tot mijn pensioen zal beter zijn, wat ik eigenlijk wilde. Maar als dat niet mogelijk is, en ik een contract “langs de weg” kan krijgen en om later vast te worden, zal ook goed zijn. Nu neem ik aan wat komt, vol liefde. En ik ben blij dat [medeverdachte 1] mij geholpen heeft, superblij. (…) “Loyalty”. Ik ben volledig trouw aan de partij. Wanneer ik in dat hokje stap, zal ik die stem, als [medeverdachte 1] er niet is, aan degene die namens [medeverdachte 1] blijft geven. Ik zal voor hem stemmen en campagne voor hem voeren. En vanaf nu wil ik [medeverdachte 1] nogmaals zeggen, ik herhaal dat ik al veel mensen achter mij heb staan, hier in de buurt, zijn er best veel mensen die tegen mij zeggen van ja Rido, wij gaan met [medeverdachte 1]. Venten die MEP waren, venten die AVP waren, allemaal, wij, ze steunen mij zodat we naar [medeverdachte 1] gaan. Ok? Dus we zijn er. Nogmaals dank voor de hulp.

3) [ [Betrokkene 27]

[Betrokkene 27] is op [datum] 2019 bij Serlimar in dienst getreden in de functie van belader bij de afdeling huishoudelijk afval. Hij heeft een overeenkomst gekregen voor de duur van één jaar. Deze overeenkomst is gesloten op 8 januari 2020. [Betrokkene 25] heeft de overeenkomst namens Serlimar ondertekend.

Uit de verklaring van [betrokkene 27] zelf blijkt dat hij gedurende één jaar bij Serlimar heeft gewerkt. Hij zocht toen een baan omdat hij op dat moment geen baan had. Hij verklaart verder dat zijn vrouw [betrokkene 28] kandidaat was op de POR-lijst en dat hij om zijn vrouw te steunen ook betrokken was bij POR.

[Betrokkene 28] heeft verklaard dat [betrokkene 27] haar echtgenoot is en dat hij zonder werk zat. Hij werkte van oktober 2018 tot maart 2019 [bedrijf]. Daarna heeft hij een jaar bij Serlimar gewerkt. Hij was contractant. Aangezien [medeverdachte 1] een groot netwerk heeft, hoopte zij dat hij iets kon doen of een goed woord voor hem kon doen. Het is [betrokkene 27] uiteindelijk gelukt om een baan te krijgen bij Serlimar door [medeverdachte 1]. Hij heeft daarvoor een sollicitatiebrief geschreven naar Serlimar voor de functie van belader.

Dat [betrokkene 28] zich voor hulp tot [medeverdachte 1]s heeft gewend kan worden afgeleid uit het in dit verband tussen hen verstuurd WhatsAppbericht.

Op 6 augustus 2020 schrijft [betrokkene 28]: (…) Ik wil checken of de mogelijkheid bestaat of misschien Serlimar een plek heeft waar [betrokkene 27] kan worden geplaatst. Zelfs om een vrachtwagen te besturen of om afval/vuilnis op te halen zal goed zijn. Hij heeft bij verschillende bedrijven/plaatsen gesolliciteerd en gaat naar gesprekken toe etc. Maar als er een plek is zal ik dit op prijs stellen.

[Medeverdachte 1] antwoordt daarop dat hij het heeft genoteerd.

De betrokkenheid van [medeverdachte 1] bij de plaatsing van [betrokkene 27] blijkt verder nog uit onderstaand WhatsAppgesprek, dat in de telefoon van [medeverdachte 1] is gevonden.

Op 30 april 2019 stuurt [medeverdachte 1] enkele namen door naar [betrokkene 25], namelijk: [naam], [naam], [naam], [naam], [naam] en [naam]. Hij schrijft erbij 5 kandidaten voor beladers. Daarna stuurt [medeverdachte 1] een bericht met de tekst deze is kandidaat voor chauffeur: [betrokkene 27]. [Medeverdachte 1] vraagt of ze volgende week al zouden kunnen starten.

[Betrokkene 25] antwoordt daarop dat ze meteen zullen mobiliseren. Beladers en operators van zware gereedschappen hebben ze zo spoedig mogelijk nodig. Chauffeurs weet hij niet zeker, dat zal hij nagaan.

[Medeverdachte 1] vraagt [betrokkene 25] om deze chauffeur ook voor hem te push/duw. [Betrokkene 25] antwoordt dat hij dat zal doen.

4) [ [Betrokkene 1]

{Betrokkene 1] is op 1 januari 2020 in dienst getreden bij Serlimar in de functie van heldpdeskmedewerker bij de afdeling helpdesk. Hij heeft een overeenkomst gekregen voor de duur van één jaar. Deze overeenkomst is op 16 januari 2020 gesloten. [Betrokkene 25] heeft de overeenkomst namens Serlimar ondertekend.

[Betrokkene 1] heeft verklaard dat hij in februari 2020 bij Serlimar is begonnen en dat hij daar één jaar heeft gewerkt. Hij heeft daartoe een (niet persoonsgerichte en niet direct voor Serlimar bedoelde) sollicitatiebrief gestuurd. Hij heeft verder verklaard dat [medeverdachte 1] bij hem thuis is gekomen en dat hij toen aan [medeverdachte 1] heeft beloofd om hem te steunen bij de verkiezingen van 22 september 2017. [Medeverdachte 1] heeft toen een vlag bij zijn huis gezet. [Betrokkene 1] heeft dit gedaan om werk bij Serlimar te krijgen.

In het dossier bevindt zich een sollicitatiebrief van [betrokkene 1] van 15 december 2017. Deze brief is gericht aan minister [medeverdachte 1] en betreft een verzoek om een baan bij de overheid. [medeverdachte 1] heeft deze brief op 25 augustus 2019 naar [betrokkene 25] gestuurd. Het Hof verwijst in dit verband naar de hiervoor onder 2) ten aanzien van [betrokkene 3] weergegeven berichten tussen [betrokkene 25] en [medeverdachte 1] van 25 augustus 2019 en 4 september 2019.

[Medeverdachte 1]s betrokkenheid blijkt verder uit de navolgende WhatsAppgesprekken.

Op 5 november 2019 stuurt [betrokkene 1] een Whatsappbericht naar [medeverdachte 1]: Goede dag. Ik wil minister graag zeggen dat ik een interview heb gekregen met [medewerker] bij Serlimar. Ik ben daar erg dankbaar voor. Ik had een maand geleden met haar gesproken. Maar sindsdien heb ik niets meer gehoord. Ik blijf checken met [medewerker], maar zij blijft me maar zeggen dat zij geen antwoord heeft gekregen van de directeur. Ik weet dat Minister het deze dagen erg druk heeft, maar als minister een follow-up voor mij kan doen, over hoever zij met mijn sollicitatie zijn. Bij voorbaat bedankt, Minister. [betrokkene 1].

Op 10 januari 2020 stuurt [betrokkene 1] een Whatsappbericht naar [medeverdachte 1]: (…) Ik wil van de gelegenheid gebruik maken om een hartelijke groet te sturen en daarnaast grote dank omdat het mij gelukt is om bij Serlimar binnen te gaan. Bedankt voor de inspanningen en hulp minister [medeverdachte 1]. (…) [betrokkene 1].

5) [ [betrokkene 5]

[Betrokkene 5] is op 1 maart 2018 bij Serlimar in dienst getreden in de functie van administratief medewerker bij de afdeling secretariaat. Zij heeft een overeenkomst gekregen voor de duur van één jaar. Deze overeenkomst is gesloten op 27 augustus 2018. [Betrokkene 29], waarnemend directeur, heeft de overeenkomst namens Serlimar ondertekend.

Uit een brief van [betrokkene 29] aan [betrokkene 5] van 1 november 2018 blijkt dat haar functie met ingang van 18 juni 2018 is gewijzigd in de functie van magazijnmedewerker bij de afdeling Financiële Economische en Logistieke Zaken.

In het dossier heeft het Hof een door [betrokkenen 5] ondertekende sollicitatiebrief van 17 januari 2018 aangetroffen. Deze brief is volgens het stempel op 18 januari 2018 ingekomen bij het bureau van de minister van ROIM, en op 19 januari 2018 bij Serlimar. Een ongetekende versie van deze brief is aangetroffen in de door [betrokkene 10] overgelegde stukken uit de computer van [verdachte]. In beide brieven staat ‘hoogachteing’ in plaats van ‘hoogachtend’.

Haar naam komt op meerdere plaatsen voor in het logboek van [verdachte], namelijk:

- In de lijst ‘team Campagne Partij POR 2021, team [voornaam/bijnaam verdachte].

[Voornaam berokkene 5] met de tekst is boos.

- Deze zijn allemaal mensen die [medeverdachte 1] geholpen heeft oom een baan bij Serlimar zelf te krijgen en het zijn campagnevoerders van het Team[medeverdachte 1] POR 2018

[Betrokkene 5] – het is [voornaam betrokkene 5] gelukt om een baan bij Serlimar te krijgen. Zij is op 1 maart 2018 begonnen.

[Betrokkene 5] heeft verklaard dat zij in 2017 politieke campagne heeft gevoerd voor de AVP. Zij kent [verdachte] al sinds 2009 toen [verdachte] campagne voerde voor AVP. In 2017 was [verdachte] campagnevoerder voor [medeverdachte 1]. [Verdachte] heeft haar toen gevraagd om te komen helpen met de campagne van [medeverdachte 1] en POR. Dat heeft [betrokkene 5] niet gedaan omdat zij haar zoon ging helpen met zijn verhuizing naar de Dominicaanse Republiek. Haar contact met [verdachte] is altijd goed geweest. Daarom heeft [betrokkene 5] [verdachte] gevraagd om een afspraak voor haar te maken met de minister met betrekking tot een overplaatsing. Zij was toen al in dienst bij Serlimar. Omdat [medeverdachte 1] op dat moment aftrad als minister heeft zij hem niet meer om hulp met de overplaatsing gevraagd. Ze besloot naar huis te gaan.

In een op 1 oktober 2019 tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] gevoerd WhatsAppgesprek hebben zij het eerst over [betrokkene 26] en [betrokkene 3]. Aan het einde van dat gesprek vraagt [verdachte] of hij wil kijken of hij haar dochter kan helpen. [Medeverdachte 1] antwoordt daarop dat zijn hoofd vandaag en morgen vol zit met Serlimar en die dingen.

Volgens [verdachte] ging dit gesprek over [betrokkene 5], die zij haar dochter noemt. Zij wilde [medeverdachte 1] vragen om [betrokkene 5] aan een andere baan te helpen.

6) [ [Betrokkene 6]

Het Hof heeft in het dossier geen sollicitatiebrief van hem aangetroffen, noch een door hem getekende overeenkomst met Serlimar.

Volgens zijn eigen verklaring werkt hij vanaf 2017 of 2018 bij Serlimar in de functie van truckdriver en werkt hij daar nog steeds.

Als [verdachte] ter terechtzitting in eerste aanleg naar [betrokkene 6] wordt gevraagd, antwoordt zij: “Ze komen allemaal bij mij. Ze gaan naar Serlimar voor een vacature en daar wordt gezegd dat ze een brief moeten schrijven. Ze komen dan bij ons en wij schrijven de brief. Ik boek ze in en stuur ze door naar Serlimar.

Ook komt zijn naam op meerdere plaatsen in het logboek van [verdachte] voor, namelijk:

- In de lijst ‘team Campagne Partij POR 2021, team [voornaam/bijnaam verdachte].

[Betrokkene 6] met de tekst blijft partij POR en [medeverdachte 1] steunen.

- Deze zijn allemaal mensen die [medeverdachte 1] geholpen heeft om een baan bij Serlimar zelf te krijgen en het zijn campagnevoerders van het Team [medeverdachte 1] POR 2018

[Betrokkene 6] – het is [voornaam betrokkene 6] gelukt om een baan bij Serlimar te krijgen. Hij is op 1 juni 2018 begonnen.

Verder noemt [verdachte] de naam van [betrokkene 6] in een Whatsappgesprek met [betrokkene 24] op 12 augustus 2018. Zij zegt dan dat [medeverdachte 1] tegen haar heeft gezegd dat hij deze maanden niemand kan plaatsen. Pas in november zal hij kijken wat Serlimar nog mist en dan zal hij ze plaatsen. Twee gaat hij wel helpen, namelijk [betrokkene 6], die heeft gevraagd voor belader. Hij is ‘een goede campagnevoerder van mij en [medeverdachte 1]’. En [betrokkene 2]. Ten aanzien van hun twee heeft [medeverdachte 1] gezegd dat het over een paar weken gegeven zal worden.

Ten slotte noemt [verdachte] de naam van [betrokkene 6] in een WhatsAppbericht dat zij op 13 juli 2020 voert met [naam]. Daarin zegt ze: ”Ik heb ook aan iemand gezegd, bleef [betrokkene 6] helpen/steunen/duwen, heeft me bijna gek gemaakt, heb hem geholpen met een baan bij Serlimar en nu zegt hij dat hij mij niet gaat helpen? Ik zei nee? Ok is goed. Toen hij vast bleef zitten op Santo Domingo, had hij wel [verdachte] haastig gebeld. Ik zei, ik had gedacht dat jullie niet meer op de partij zouden stemmen. Nou ik had besloten om hem toch te helpen, nu is hij wel in de reet van [verdachte].

7) [Betrokkene 7]

In het dossier bevindt zich een sollicitatiebrief van [betrokkene 7] van 21 februari 2018. Deze brief is gericht aan minister [medeverdachte 1] en betreft een verzoek om in aanmerking te komen voor een baan bij Serlimar in de functie van helper in het magazijn.

[Verdachte] heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat zij deze brief voor [betrokkene 7] heeft geschreven. Dat past goed bij de in die sollicitatiebrief voorkomende fout (hoogachteing in plaats van hoogachtend).

Uit de in de telefoon van [medeverdachte 1] aangetroffen WhatsAppberichten blijkt dat [medeverdachte 1] de sollicitatiebrief van [betrokkene 7] op 23 februari 2018 heeft doorgestuurd naar [betrokkene 24] met de tekst ‘magazijnmedewerker’.

[Betrokkene 7] is bij de rechter-commissaris gehoord. Hij heeft verklaard dat hij op enig moment heeft beloofd om [medeverdachte 1] en/of de politieke partij POR te steunen bij de verkiezingen van 22 september 2017 en/of 25 juni 2021 en dat hij campagnevoerder was voor [medeverdachte 1] en dat hij lid was van de WhatsAppgroep Teamcampagna2021.

Zijn naam komt verder voor in het logboek van [verdachte], namelijk:

- Deze zijn allemaal mensen die [medeverdachte 1] geholpen heeft om een baan bij Serlimar zelf te krijgen en het zijn campagnevoerders van het Team[medeverdachte 1] POR 2018 [betrokkene 7] – het is [voornaam betrokkene 7] gelukt om een baan bij Serlimar te krijgen. Hij is op 1 maart 2018 begonnen.

8) [ [Betrokkene 8]

Het Hof heeft in het dossier geen sollicitatiebrief van haar aangetroffen, noch een door haar getekende overeenkomst met Serlimar.

[Betrokkene 8] heeft verklaard dat zij vanaf augustus 2019 gedurende een jaar en drie maanden bij Serlimar heeft gewerkt. Volgens haar hebben de vader van haar kind en [voornaam betrokkene 12] [verdachte] om hulp gevraagd bij het vinden van een baan voor [betrokkene 8]. [Betrokkene 8] heeft verklaard dat zij gewoon heeft gesolliciteerd. Het duurde daarna even voordat zij antwoord kregen. [Verdachte] bleef toen bellen om te vragen naar de stand van zaken.

De naam van [betrokkene 8] komt voor in een van de rubrieken in het logboek van [verdachte], namelijk in de rubriek Team Campagne Partij POR 2021 – Team [voornaam/bijnaam verdachte], met de opmerking ‘Blijft partij POR en [medeverdachte 1] steunen’.

In een op 3 mei 2019 gevoerd WhatsAppgesprek tussen [betrokkene 25] en [medeverdachte 1] geeft [betrokkene 25] aan dat ze vijf helpdeskmedewerkers nodig hebben in verband met de uitbreiding bij de MFA’s. Hij vraagt of de minister mensen heeft voor die positie.

[Medeverdachte 1] antwoordt: zeker.

Op 14 mei 2019 forward [medeverdachte 1] een aantal namen en telefoonnummers naar [betrokkene 25], daaronder de naam [betrokkene 8] en telefoonnummer. Hij schrijft erbij:

Bondia e aplicante nan pa help desk saludos (de sollicitanten voor de helpdesk).

Op 6 november 2019 hebben [verdachte] en [medeverdachte 1] het over [betrokkene 8]. In het gesprek gaat het eerst over de terreinaanvraag van 7 oktober 2014.

[Medeverdachte 1] zegt dat hij die van [betrokkene 8] heeft. Hij gaat haar helpen. Hij vraagt [verdachte] om contact op te nemen. [Verdachte] moet kijken of ze nog bij de bank werkt. [Verdachte] antwoordt dat ze gelijk naar haar toe gaat. Ze weet wie het is. Het is een van zijn mensen. In een volgend bericht zegt [verdachte] dat ze naar de woning van [betrokkene 8] is gegaan. [Betrokkene 8] werkt niet meer bij de bank maar bij Serlimar. [Verdachte] zegt tegen [medeverdachte 1] dat hij haar zelf werk heeft gegeven. Die is volgens [verdachte] goed met [betrokkene 8]. [Verdachte] sluit af met de mededeling: “zo is het ons ook met [betrokkene 8] gelukt.”

In haar verhoor van 24 november 2022 bevestigt [verdachte] dat [medeverdachte 1] [betrokkene 8] heeft aangenomen.

Conclusie

Het Hof leidt uit hetgeen hiervoor is vastgesteld ten aanzien van [betrokkene 27] en [betrokkene 1] af dat [medeverdachte 1] zich heeft ingespannen om een baan voor hen te vinden bij Serlimar. Van enige betrokkenheid van [verdachte] daarbij is niet gebleken. Het Hof zal [verdachte] in zoverre dan ook vrijspreken van de onder 1 tenlastegelegde passieve omkoping en in het verlengde daarvan ook van het onder 3 tenlastegelegde misbruik van functie met betrekking tot deze personen.

Het Hof leidt uit hetgeen hiervoor is vastgesteld ten aanzien van [betrokkene 5] en [betrokkene 8] af dat [medeverdachte 1] en [verdachte] zich hebben ingespannen om voor hen een baan te vinden bij Serlimar. Hoewel het feit dat hun namen voorkomen in het logboek van [verdachte] te denken geeft, kan het Hof ten aanzien van hen niet vaststellen dat zij in ruil voor de inspanningen van [medeverdachte 1] en [verdachte] een gift, dienst of belofte aan [medeverdachte 1] en/of [verdachte] hebben gedaan. Het Hof zal [verdachte] dan ook vrijspreken van de onder 1 tenlastegelegde passieve omkoping met betrekking tot deze personen.

Het Hof acht wel bewezen dat [verdachte] zich, samen met [medeverdachte 1], schuldig heeft gemaakt aan passieve omkoping ten aanzien van [betrokkene 2], [betrokkene 3], [betrokkene 6] en [betrokkene 7]. Het Hof heeft hiervoor vastgesteld dat aan de campagnevoerders voor POR en/of [medeverdachte 1] in ruil voor hun inspanningen hulp is beloofd onder meer bij het vinden van werk, als POR zou winnen. {betrokkene 2], [betrokkene 6] en [betrokkene 7] hebben campagne gevoerd voor POR en/of [medeverdachte 1] en [betrokkene 3] heeft toegezegd dit te zullen gaan doen en ook op de POR te zullen stemmen. Uit de op ieder van hen betrekking hebbende verklaringen en WhatsAppberichten blijkt dat [verdachte] en [medeverdachte 1] zich ook daadwerkelijk voor ieder van hen hebben ingespannen om die ‘verkiezings’-belofte gestalte te doen, welke inspanningen uiteindelijk hebben geresulteerd in een baan voor [betrokkene 2] bij DOW en banen bij Serlimar voor [betrokkene 3], [betrokkene 6] en [betrokkene 7].

Het Hof overweegt nog dat [verdachte] en [medeverdachte 1] daarbij nauw samenwerkten. [Verdachte] onderhield het contact met de campagnevoerders. Zij hield bij wie er moest worden geholpen en hielp zo nodig met het schrijven van de sollicitatiebrieven. Zij hield ook bij of het was gelukt om iemand bij een overheidsdienst of Serlimar te plaatsen en met ingang van welke datum. Zij bracht de campagnevoerders die nog moesten worden geholpen onder de aandacht van [medeverdachte 1]. [Medeverdachte 1] had vanuit zijn rol als minister van ROIM en oprichter van POR politieke invloed. Hij onderhield contact met de directeur van Serlimar en gaf deze aanwijzingen. Dat [medeverdachte 1] wil daarbij bepalend was, blijkt niet alleen uit de verklaring van [betrokkene 24] die heeft aangegeven dat [medeverdachte 1] (en [verdachte]) het laatste woord hadden, maar ook uit de vele hiervoor weergeven WhatsAppberichten. Daaruit blijkt immers dat [betrokkene 24] en [betrokkene 25] bij [medeverdachte 1] te rade gaan of zij mensen kunnen aannemen, en zo ja wie. [Betrokkene 25] opmerking (in een gesprek van 9 april 2019) dat ze bezig zijn met het werven van beladers, maar dat hij bij de minister wil checken of hij een andere persoon in gedachten heeft, aan wie iets is beloofd, spreekt in dit verband boekdelen.

Het Hof acht op grond van het voorgaande, in het bijzonder gezien de inspanningen van [verdachte], samen met [medeverdachte 1], bij het vinden van banen voor [betrokkene 2], [betrokkene 3]. [betrokkene 6], [betrokkene 7], [betrokkene 5] en [betrokkene 8] ook bewezen dat zij opzettelijk misbruik heeft gemaakt van haar functie. Immers, zij heeft zich in haar functie als publieksmedewerker op het bureau van de minister van ROIM beziggehouden met het plaatsen van campagnevoerders en aanhangers van POR en/of [medeverdachte 1] bij de overheidsdienst DOW en bij Serlimar. Deze personen genoten hierdoor een voorkeursbehandeling ten opzichte van andere burgers. Dit alleen al past niet bij wat van een ambtenaar mag worden verwacht. Daar komt bij dat overheidsdiensten objectief en deskundig moeten zijn, vrij van politieke inmenging. Dat geldt te meer voor Serlimar, dat als sui generis een zelfstandige positie heeft ten opzichte van de overheid. Met haar handelen heeft [verdachte] de noodzakelijke scheiding tussen politiek en overheid ondermijnd en de integriteit en de bijzondere verantwoordelijkheid die haar ambt met zich brengt, geschonden.

Bewezenverklaring

Het Hof acht – met eenparigheid van stemmen – wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd, met dien verstande dat zij:

Feit 1

in de periode van 1 november 2017 tot en met 1 januari 2020 te Aruba, tezamen en in vereniging met een ander als ambtenaar van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en [betrokkene 6] en [betrokkene 7] en een belofte of een dienst, te weten:

- steunverlening in de zin van campagnevoeren voor en/of stemmen op [medeverdachte 1] en/of zijn partij bij de verkiezingen;

A.

heeft aangenomen, terwijl zij, verdachte en haar medeverdachte wisten, dat deze beloften en/of diensten hun werden verleend en/of aangeboden,

- teneinde haar, verdachte, en/of medeverdachte te bewegen om, al dan niet in strijd met haar/hun plicht, in haar/hun bediening iets te doen en/of na te laten

te weten

Feit 3

in de periode van 1 november 2017 tot en met 1 januari 2020 te Aruba tezamen en in vereniging met een ander, in haar hoedanigheid van consulent/liaison/publieksmedewerker bij het bureau van de minister van ROIM, opzettelijk met misbruik van haar functie iets heeft gedaan teneinde enig voordeel voor een ander te verkrijgen, namelijk hebben verdachte en haar medeverdachte:

Het Hof acht niet bewezen wat de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.

Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezenverklaarde

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten.

Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd.

Ten aanzien van feit 1

medeplegen van het als ambtenaar een dienst of belofte aannemen, wetende dat deze hem of een ander wordt aangeboden teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 3

medeplegen van het als ambtenaar opzettelijk met misbruik van zijn functie of positie iets doen of nalaten iets te doen ten einde enig voordeel voor hem of een ander te verkrijgen, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Oplegging van straf

De procureur-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden met aftrek van de tijd die zij heeft doorgebracht in voorarrest.

De verdediging heeft een strafmaatverweer gevoerd.

Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder dat is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten door de rechter worden opgelegd.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan passieve omkoping. Gebleken is dat zij in de aanloop naar de verkiezingen van 2017 campagne heeft gevoerd voor POR en/of [medeverdachte 1] en dat zij gold als zijn vertrouweling. Tijdens de campagne is aan campagnevoerders van POR en/of [medeverdachte 1] in ruil voor hun steun aan en/of stem op de partij en/of [medeverdachte 1] hulp beloofd onder meer bij het vinden van werk. Sympathisanten van POR en/of [medeverdachte 1] genoten daarbij een voorkeurspositie ten opzichte van niet-sympathisanten. Ook personen die pas na de verkiezingen hun loyaliteit aan de partij of [medeverdachte 1] betuigden, kwamen in aanmerking voor de voorkeursbehandeling.

Juist in die voorkeursbehandeling schuilt in dit geval de strafwaardigheid. Burgers moeten erop kunnen vertrouwen dat overheidsdienaren hun ambt naar behoren en zonder aanziens des persoons uitvoeren en zich in hun optreden niet laten leiden door eigen belang. Strafoplegging dient er in dit geval toe aan de verdachte, aan anderen die als ambtenaar enige vorm van overheidsmacht uitoefenen en aan het publiek duidelijk te maken dat dit soort handelen niet wordt getolereerd en dat daartegen wordt opgetreden. Juist binnen een kleine gemeenschap als Aruba is het van cruciaal belang dat het algemene belang zwaarder weegt dan het partijpolitieke belang. Wanneer dit principe wordt losgelaten, hebben politieke verschuivingen immers direct ingrijpende gevolgen voor de bezetting van overheidsdiensten en Serlimar. Daarvan is ook in deze zaak weer gebleken. [Medeverdachte 1] vraagt immers, nadat hij zijn functie als minister heeft neergelegd, aandacht bij [betrokkene 10] voor de ontslagen bij Serlimar van ‘onze’ (POR-)mensen. En ook [betrokkene 23] beschrijft de zogenoemde ‘regenvalperiode’, de periode voor de verkiezingen waarin honderden benoemingen en overplaatsingen plaatsvinden en de periode na de verkiezingen waarin vele mensen, zij noemt het getal van 400, worden ontslagen vanwege hun politieke kleur. Het hoeft geen betoog dat deze (bestaande) cultuur afbreuk doet aan de continuïteit, de stabiliteit en de kwaliteit van de dienstverlening aan alle burgers en in het verlengde daarvan het Land Aruba.

Met haar handelen heeft de verdachte ook misbruik gemaakt van haar functie. Zij heeft de noodzakelijke scheiding tussen politiek en overheid ondermijnd en zodoende de integriteit en de bijzondere verantwoordelijkheid die haar ambt met zich brengt, geschonden. Het Hof vindt het zorgelijk dat de verdachte er geen blijk van heeft gegeven te begrijpen dat haar handelen in die zin dan ook verkeerd was.

Dat het hier gaat om feiten gepleegd in 2017 t/m 2019 doet aan de ernst van de feiten niet wezenlijk af. Wel ziet het Hof in de omstandigheid dat de verdachte geen persoonlijk voordeel heeft genoten, maar handelde in het politieke belang van de minister en diens partij en haar ondergeschikte rol ten opzichte van de minister, aanleiding voor oplegging van een andere (lagere) straf dan door de procureur-generaal is geëist. Het Hof acht een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf passend en geboden.

Het Hof stelt nog vast dat sprake is van een schending van het recht van de verdachte op berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. De op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is immers aangevangen op 10 augustus 2020, toen een huiszoeking werd verricht in de woning van de verdachte en op haar kantoor en zij als verdachte is aangemerkt. De behandeling van de zaak in eerste aanleg is pas op 22 januari 2025 – na ongeveer vier en een half jaar met een eindvonnis afgerond, terwijl de redelijke termijn, behoudens uitzonderingen, twee jaren bedraagt. De behandeling in hoger beroep is wel binnen de daarvoor geldende termijn van twee jaar afgerond. Immers, tussen het instellen van het hoger beroep door het openbaar ministerie (3 februari 2025) en het moment waarop het Hof vonnis zal wijzen (17 september 2026) is geen periode van twee jaren verstreken.

Het Hof is van oordeel dat de overschrijding van de redelijke termijn in dit geval tot strafvermindering moet leiden, in die zin dat het Hof afziet van het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden en zal volstaan met de oplegging van een taakstraf van na te noemen duur.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 1:45, 1:46, 1:123, 1:136, 2:128, 2:351 en 2:354 van Wetboek van Strafrecht Aruba, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het Hof:

vernietigt het vonnis van het Gerecht en doet opnieuw recht;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 ten laste is gelegd en spreekt haar daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij;

kwalificeert het bewezenverklaarde als hiervoor omschreven;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 240 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 dagen hechtenis;

beveelt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, naar de maatstaf van 2 (twee) uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.P.C.M. Waarts, voorzitter, mr. Y.C. Bours en

mr. M.L.A. Angela, leden van het Hof, bijgestaan door mr. E.P. Versluis, griffier, en op 17 september 2026 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao met een directe beeld- en geluidsverbinding met het gerechtsgebouw in Aruba.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand