Zaaknummer: H-173/25
Parketnummer : 500.00062/25
Uitspraak : 17 september 2026
Tegenspraak
Vonnis
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) van 23 december 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1993 te [land],
wonende in [land], [adres],
thans gedetineerd in het huis van bewaring in Curaçao.
Hoger beroep
Het Gerecht heeft de verdachte bij zijn vonnis van het onder feit 1, voor wat betreft de tenlastegelegde mishandeling op 21 november 2024, vrijgesproken en ter zake van het onder feit 1 overige en onder feiten 2, 3 en 4 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het Gerecht de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] gedeeltelijk toegewezen, tot een bedrag van in totaal Cg 5.030 en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.
Omvang van het hoger beroep
De verdachte is door het Gerecht partieel vrijgesproken van het aan hem onder 1 tenlastegelegde, te weten van de mishandeling op 21 november 2024. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is daarmee mede gericht tegen die in eerste aanleg gegeven partiële vrijspraak. Het Hof ziet de tenlastelegging van dit feit als een impliciet cumulatieve, in die zin dat de diverse mishandelingen tezamen in één feit ten laste zijn gelegd. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 434 van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het Hof is derhalve van oordeel dat deze partiële vrijspraak als beschermde vrijspraak moet worden beschouwd waartegen de verdachte geen hoger beroep kan instellen. Het Hof zal de verdachte daarom ook niet-ontvankelijk verklaren, voor zover dat is gericht tegen de in eerste aanleg gegeven partiële vrijspraak.
Onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting.
Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureur-generaal, mr. S. Verheijen, en van wat door de verdachte en zijn raadslieden, mr. B. Hendriks en mr. G. Hatzmann, naar voren is gebracht.
De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
Vonnis waarvan beroep
Hetgeen door de verdediging in hoger beroep naar voren is gebracht heeft het Hof niet tot een ander oordeel gebracht dan de eerste rechter. Het Hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en met de gronden waarop dit berust, met dien verstande dat de bewijsoverwegingen worden verbeterd c.q. aangevuld. Het vonnis waarvan beroep zal dan ook worden bevestigd onder verbetering c.q. aanvulling van gronden.
Bewijsoverwegingen
Het Hof verenigt zich met de onderstaande overwegingen van het Gerecht, neemt deze over en verwijst daarnaar.
“Aangeefster doet op 17 augustus 2024 aangifte van mishandeling. Daarbij verklaart ze te zijn aangevallen door verdachte, zijnde haar (inmiddels) ex-partner. Verdachte zou haar onder meer krachtig aan haar nek hebben vastgepakt. Ook wordt ze geslagen in haar gezicht. Verdachte blijft haar vervolgens wurgen waardoor ze naar adem moet snakken.
Op 27 februari 2025, krijgen verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] een melding van een vrouw die van haar vrijheid zou zijn beroofd. Aangekomen op [adres] treffen zij een vrouw (aangeefster) aan die, samengevat, verklaart sinds 25 februari 2025 in haar eigen huis te zijn opgesloten, te zijn mishandeld en te zijn verkracht door haar ex vriend, zijnde verdachte. In de nacht van 27 februari 2025 lukt het haar om te ontsnappen en de politie te bellen. Verbalisanten zien letsel aan haar gezicht en armen, alsmede bloedsporen op de slaapkamervloer.
Op dezelfde dag doet zij aangifte waarbij ze in detail verklaart over de mishandelingen - ze zou door verdachte zijn gewurgd, gebeten en geslagen -, waarbij ze zich verzet heeft door onder meer op de vingers van verdachte te bijten. Ook verklaart ze daarbij tot twee keer toe verkracht te zijn door verdachte, ondanks dat ze huilde en hem smeekte om op te houden. Aangeefster verklaart het huis niet te hebben kunnen verlaten omdat verdachte de ramen en deuren op slot had gedaan. Ook hield hij haar constant in de gaten en had hij haar telefoon, huis- en autosleutels afgenomen. Uiteindelijk belt ze met een oude telefoon met een Nederlandse simkaart een kennis om hulp en weet ze te ontsnappen als verdachte slaapt. De politiearts die aangeefster nog dezelfde dag onderzoekt, constateert onder meer bulten op haar hoofdhuid, bloeduitstortingen aan haar ogen, bijtverwondingen en kwetsuur van haar gehele hals.
Getuige [naam] verklaart op 5 maart 2025 bij de politie dat aangeefster hem op 27 februari 2025 met een Nederlands nummer belde om hulp. Huilend en schreeuwend heeft ze hem verteld dat ze door haar vriend van haar vrijheid beroofd is, dat hij haar mishandeld heeft en dat hij haar gedwongen heeft om seks te hebben.”
[…]
“Ook voor de mishandeling van [aangeefster 2] (feit 4) is naar het oordeel van het Gerecht voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig. Aangeefster, eveneens een ex-vriendin van verdachte, verklaart, voor zover van belang, door verdachte met zijn vuist alsmede met een metalen buis te zijn geslagen. Ook heeft verdachte haar gebeten en snijwonden aan haar armen toegebracht. Ook deze aangifte vindt steun in het, op dezelfde dag door de huisarts waargenomen (en niet, zoals de verdediging stelt, alleen op basis van wat aangeefster verklaart) letsel alsmede in de verklaring van verdachte zelf, die bekent het geweld te hebben toegepast.”
Het Hof vult deze overwegingen als volgt aan:
Feiten 1, 2 en 3
Het Hof acht de verklaringen van [aangeefster 1] betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat zij over de voor de bewezenverklaring relevante gebeurtenissen in de kern consistent heeft verklaard. Haar verklaringen komen op essentiële onderdelen met elkaar overeen en vinden bovendien steun in de overige gebezigde bewijsmiddelen.
Daartegenover staan de verklaringen van de verdachte, die gedurende het verloop van het strafproces op relevante onderdelen telkens zijn gewijzigd. Zo verklaarde hij aanvankelijk herhaaldelijk op de avond van 25 februari 2025 met aangeefster naar McDonald’s en Burger King te zijn geweest en met haar op 26 februari 2025 Lab de Med te hebben bezocht, terwijl hij – na confrontatie met de historische zendmastgegevens van zijn mobiele telefoon – heeft toegegeven dat hij al die tijd bij aangeefster thuis was. Ook ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte een lezing van de gebeurtenissen gegeven die op onderdelen afwijkt van hetgeen hij daarover eerder heeft verklaard. Voor deze verschillen heeft de verdachte naar het oordeel van het Hof geen aannemelijke verklaring gegeven. Daar komt bij dat de door hem gegeven lezing, in onderlinge samenhang bezien en in haar geheel, niet logisch en weinig consistent is, en onvoldoende steun vindt in de overige inhoud van het dossier.
Het Hof neemt voorts in aanmerking dat de verklaringen van de verdachte op enkele voor de beoordeling essentiële punten, onder andere over het veroorzaken van letsel, juist bevestiging bieden voor de lezing van de aangeefster. Waar zijn verklaring op die punten aansluit bij die van aangeefster, draagt dat bij aan de betrouwbaarheid van haar verklaring.
De verdediging heeft in dit verband een scenario geschetst waarin tussen de verdachte en [aangeefster 1] sprake was van een toxische en destructieve relatie waarin over en weer, en bij herhaling, geweld werd aangewend. Alhoewel uit het dossier kan worden afgeleid dat er sprake was van een turbulente relatie waarbij vaker sprake was van escalatie, zijn er naar het oordeel van het Hof evenwel onvoldoende aanknopingspunten voor de aannemelijkheid van het scenario dat (met name) de aangeefster (telkens) geweld heeft toegepast jegens de verdachte. Voor zover de verdediging met dit scenario heeft willen afdoen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster, volgt het Hof haar daarin dan ook niet.
BESLISSING
Het Hof:
- verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake het onder feit 1 (voor zover hiervan in eerste aanleg is vrijgesproken) ten laste gelegde;
- bevestigt het vonnis van 23 december 2025 van het Gerecht, met in achtneming van het hiervoor overwogene.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.V.L.M. Wannyn, voorzitter, mr. Y.C. Bours en mr. I.L. Gerrits, leden van het Hof, bijgestaan door mr. R.H.R.G. van Kerkhof, griffier, en op 17 september 2026 uitgesproken in tegenwoordigheid van de zittingsgriffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao.
mr. I.L. Gerrits is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.