Zaaknummer : H-108/25
Parketnummer : 500.00138/25
Uitspraak : 17 september 2026 Tegenspraak
Vonnis
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 18 augustus 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1969 te [land],
wonende in [land], [adres].
Hoger beroep
Het Gerecht heeft de verdachte bij zijn vonnis ter zake van het onder feiten 1 en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 3 jaren en daarbij bijzondere voorwaarden gesteld.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.
Onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting op 27 augustus 2026.
Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureur-generaal, mr. S. Verheijen, en van wat door de verdachte en zijn raadsman, mr. H.S. Johannes, naar voren is gebracht.
De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep wordt vernietigd, omdat het Hof tot een enigszins andere bewezenverklaring en dientengevolge tot een andere kwalificatie komt.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd:
feit 1
dat [bedrijfsnaam] Minimarket N.V. in of omstreeks de periode van 25 februari 2019 tot en met 16 juni 2025 te Curacao, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (een) bij de Belastingverordening voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene landsverordening Landsbelastingen, te weten:
- ( een) aangifte(n) voor de winstbelasting over de/het jaar/jaren 2018, 2019,2020, 2021 en/of 2022,
niet binnen de door de Inspecteur der belastingen gestelde termijn heeft gedaan,
tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;
feit 2
dat [bedrijfsnaam] Minimarket N.V. in of omstreeks de periode van 24 januari 2025 tot en met 16 juni 2025 te Curacao, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, bij de Belastingverordening voorziene inlichtingen, gegevens of aanwijzingen, als bedoeld in de Algemene landsverordening Landsbelastingen, te weten:
- ( een) aangifte(n) voor de winstbelasting over de/het jaar/jaren 2018, 2019,2020, 2021 en/of 2022,
niet, onjuist of onvolledig heeft verstrekt,
tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd (cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsmiddelen
Het Hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hiernavolgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring.
Daarbij wordt opgemerkt dat ieder bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, slechts wordt gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft en, voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 387, eerste lid, aanhef, onder e Sv betreft, telkens slechts wordt gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.
Voorts wordt opgemerkt dat in de bewijsmiddelen geen (expliciete) landsaanduiding is opgenomen, maar dat algemeen bekend is dat de in die bewijsmiddelen wel opgenomen plaatsen zijn gelegen in Curaçao.
1. Een schriftelijk bescheid, zijnde een brief van de Stichting Belasting
Accountants Bureau van 16 januari 2024, onder meer inhoudende:
“[bedrijfsnaam] Minimarket NV
Att.: [verdachte]
[adres]
Onderwerp: indiening aangifte(n) en/of betaling(en)
Ons nummer: 2024/00715
Geachte heer/mevrouw,
Uit informatie van de inspectie blijkt dat uw onderneming, handelend onder de naam [bedrijfsnaam] MINIMARKET NV niet alle aangifte(n) en/of betaling(en) heeft gedaan. Ik verwijs hiervoor naar de volgende pagina.
Op grond van de artikelen 6 lid 4, 14 lid 1, en 15 lid 4 van de ALL bent u verplicht om uw aangiften duidelijk, stellig en zonder voorbehoud ingevuld en ondertekend in te dienen bij de Inspecteur der Belastingen. Het niet of onjuist doen van de aangifte(n) is strafbaar gesteld bij de genoemde landsverordening.
U krijgt tot drie (3) weken na de datum van ontvangst van deze brief de gelegenheid om de door u in te dienen aangifte(n) voor het/de bovengenoemde middel(en) over de hierna genoemde periode(n) in te dienen bij de Inspecteur der Belastingen.
Hoogachtend,
[ondertekend door [medewerker]]
Hierbij verklaart ondergetekende een enveloppe met als inhoud brief nummer 2024/00715 in ontvangst te hebben genomen op vrijdag 16 januari 2024.
Voor ontvangst:
[ondertekend door [verdachte]]
Belastingmiddelen:
X= Aangifte(n) en betaling(en) ontbreken”
2. Een schriftelijk bescheid, zijnde een brief van de Stichting Belasting
Accountants Bureau van 2 april 2024, onder meer inhoudende:
“[bedrijfsnaam] Minimarket NV
Att.: [verdachte]
[adres]
Onderwerp: indiening aangifte(n) en/of betaling (en)
Geachte heer/mevrouw,
Op 16/01/2024 heb ik met u besproken dat u een kopie van de aangifte(n) bij de Stichting Belasting Accountants Bureau moet indienen. De afspraak was dat u dit uiterlijk drie weken na datum van ontvangst van de eerste brief zou doen. Tot op heden heeft u dit echter niet gedaan.
In de tabellen op de volgende pagina wordt nogmaals aangegeven welke aangifte(n) ontbreken. Indien u de aangifte(n) niet binnen drie weken na datum van deze brief door u worden gedaan, kan ik u aanmelden bij het Team Inlichtingen en Opsporing en de Ontvanger.
Langs deze weg wil ik u nogmaals in de gelegenheid stellen om een kopie van de aangifte(n) bij mij in te leveren en wel uiterlijk binnen drie (3) weken na datum ontvangst van deze brief.
Indien u van mening bent dat het bovenstaande niet op u van toepassing is, dan verzoek ik u vriendelijk doch dringend om zo spoedig mogelijk contact op te nemen op onderstaand telefoonnummer of via onderstaand adres.
Hoogachtend,
[ondertekend door [medewerker]]
Voor ontvangst:
[ondertekend door [naam]]
Datum 2-4-2022
Belastingmiddelen:
X= Aangifte(n) en betaling(en) ontbreken”
3. Een schriftelijk bescheid, zijnde een brief van de Stichting Belasting
Accountants Bureau van 21 mei 2024, onder meer inhoudende:
4. Een schriftelijk bescheid, zijnde een brief van de Inspecteur der Belastingen van 24 januari 2025, onder meer inhoudende:
“[bedrijfsnaam] Minimarket NV
Att.: [verdachte]
[adres]
Onderwerp: indiening aangifte(n) en/of betaling(en)
Geachte heer/mevrouw,
Op 16/01/2024 en 02/04/2024 heb ik u medegedeeld dat u een kopie van de aangifte(n) bij de Stichting Belasting Accountants Bureau in moet dienen binnen een periode van drie (3) weken na ontvangst van de brief. Tot op heden heeft u hier niet aan voldaan.
Ik stel u hierbij voor de derde en laatste keer in de gelegenheid stellen om de kopie aangifte(n) bij mij in te dienen en wel binnen drie (3) weken na datum ontvangst van deze brief.
Op de volgende pagina wordt nogmaals aangegeven welke aangifte(n) ontbreken. Ik wijs u erop dat ik, indien ik op deze datum nog geen aangiften) van u heb ontvangen, de mogelijkheid heb om:
- de inspecteur voor te stellen om (taxatieve) aanslagen (een aanslag) op te laten leggen; danwel
- u aan te melden bij het Team Inlichtingen en Opsporing van de Stichting Belasting Accountants Bureau en bij de Ontvanger.
De aanmelding kan tot gevolg hebben dat u op grond van artikel 49 van de Algemene Landsverordening Landsbelastingen strafrechtelijk wordt vervolgd. Een strafrechtelijke vervolging kan bij veroordeling door de rechter, leiden tot een gevangenisstraf van ten hoogste 4 jaar of een geldboete van maximaal ANG 100.000 en/of, indien dit meer bedraagt, maximaal tweemaal het bedrag van de verschuldigde belasting.
Hoogachtend,
[ondertekend door [medewerker]]
Voor ontvangst:
[ondertekend door [verdachte]]
Belastingmiddelen:
X= Aangifte(n) en betaling(en) ontbreken’’
“[bedrijfsnaam] Minimarket NV
Att.: [verdachte]
[adres]
Onderwerp: Uitnodiging voor indiening aangiften WB
Laatste aanmaning voor indiening aangiften WB, dan wel verzoek inlichtingen voor de belastingheffing.
Geachte heer/mevrouw,
De Inspecteur der Belastingen heeft op de volgende data de uitnodiging tot indiening van de aangiften winstbelasting (WB), van de volgende tijdvakken, verstuurd:
U bent door de Stichting Belastingaccountantsbureau diverse malen aangemaand om de achterstallige winstbelastingen in te dienen middels brieven die rechtstreeks aan u zijn uitgereikt op 16-01-2024, 02-04-2024, 21-05-2024. Tot op heden is niet volledig voldaan aan de aangifteplicht WB.
U dient de aangifte WB van de jaren 2018 t/m 2022 in te dienen vóór 10-03-2025. Indien u deze deadline niet haalt, zal uw dossier conform het beleid aan de Officier van Justitie worden overgedragen ter strafrechtelijke vervolging.
U pleegt een misdrijf als u niet voldoet aan dit verzoek tot inlichtingen.”
5. Een schriftelijk bescheid, zijnde een uittreksel uit het Handelsregister van
Curaçao, onder meer inhoudende:
“In the Commercial Register of the Curacao Chamber of Commerce & Industry is
registered under [nummer]: [bedrijfsnaam] Minimarket N.V.
Trade name [bedrijfsnaam] Minimarket N.V.
Legal form Limited liability company
Official name [bedrijfsnaam] Minimarket N.V
Statutory seat Curacao
Official(s)
Function Statutory director
Title description Managing Director
Name [verdachte]
Date of birth [geboortedatum], 1969”
6. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep:
Ik heb over de jaren 2018 t/m 2022 uitnodigingsbrieven voor het doen van aangifte winstbelasting van de belastingdienst ontvangen.
Bewijsoverwegingen
Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat [bedrijfsnaam] Minimarket N.V., waar de verdachte als enig bestuurder de verantwoordelijkheid voor draagt, over meerdere jaren heeft nagelaten tijdig aangifte te doen en dat hem vervolgens een termijn is gesteld waarbinnen hij die aangiften alsnog diende te doen. De omstandigheid dat de verdachte de betreffende aangiften vier dagen vóór de inhoudelijke behandeling van de strafzaak in eerste aanleg alsnog heeft ingediend, doet aan het tenlastegelegde nalaten niet af. Vaststaat immers dat die aangiften eerst zijn ingediend nadat de aan hem gestelde termijn reeds was verstreken. Het nadien alsnog voldoen aan de aangifteverplichting neemt het eerdere, na het verstrijken van die termijn voltooide, nalaten niet weg. Van de in artikel 49, derde lid, van de Algemene landsverordening Landsbelastingen (ALL) bedoelde situatie is immers geen sprake. Hetgeen door de verdediging in dit verband is aangevoerd staat daarom niet aan een bewezenverklaring in de weg.
Voor zover het onder feit 1 ten laste gelegde betrekking heeft op het niet doen van aangifte over de daarin genoemde jaren, overweegt het Hof voorts als volgt. Uit de bewijsmiddelen volgt niet rechtstreeks welke termijn voor het doen van aangifte was opgenomen in de uitnodigingsbrieven die de verdachte voor ieder van die jaren heeft ontvangen, zodat niet kan worden vastgesteld op welke datum de oorspronkelijke aangiftetermijn telkens verstreek. Dat de precieze oorspronkelijke aangiftetermijn voor ieder afzonderlijk jaar niet kan worden vastgesteld, staat echter niet aan een bewezenverklaring in de weg. Beslissend is dat de verdachte ook nadat hij tot het alsnog doen van die aangiften was uitgenodigd en hem daarvoor een nadere termijn was gesteld, ook binnen die termijn geen aangifte heeft gedaan, hetgeen in zijn geheel binnen de tenlastegelegde periode valt. Aldus acht het Hof, in onderlinge samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de op hem rustende verplichting tot het doen van aangifte over de in de tenlastelegging genoemde jaren niet binnen de daarvoor geldende termijn heeft nageleefd.
Bewezenverklaring
Het Hof acht op grond van de inhoud van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan, met dien verstande:
feit 1
dat [bedrijfsnaam] Minimarket N.V. in de periode van 25 februari 2019 tot en met 16 juni 2025 te Curaçao, bij de Belastingverordening voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene landsverordening Landsbelastingen, te weten:
- aangiften voor de winstbelasting over de jaren 2018, 2019, 2020, 2021 en 2022,
niet binnen de door de Inspecteur der belastingen gestelde termijn heeft gedaan,
aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte telkens feitelijke leiding heeft gegeven;
feit 2
dat [bedrijfsnaam] Minimarket N.V. in de periode van 24 januari 2025 tot en met 16 juni 2025 te Curacao, bij de Belastingverordening voorziene inlichtingen, gegevens of aanwijzingen, als bedoeld in de Algemene landsverordening Landsbelastingen, te weten:
- aangiften voor de winstbelasting over de jaren 2018, 2019, 2020, 2021 en 2022,
niet heeft verstrekt,
aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte telkens feitelijke leiding heeft gegeven.
Het Hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegde dan hierboven is bewezenverklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 49 van de Algemene Landsverordening Landsbelastingen en wordt als volgt gekwalificeerd:
de eendaadse samenloop van:
feit 1
het niet binnen de gestelde termijn doen van aangifte door een rechtspersoon,
terwijl die daartoe ingevolge de belastingverordening was verplicht, aan welke
verboden gedraging de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven, meermalen
gepleegd;
en
feit 2
het niet verstrekken van inlichtingen, gegevens of aanwijzingen, en deze niet verstrekken door een rechtspersoon, terwijl die daartoe ingevolge de belastingverordening was verplicht, aan welke verboden gedraging
de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Oplegging van straf
Bij de bepaling van de op te leggen straf neemt het Hof de aard en de ernst van het bewezenverklaarde in aanmerking, alsmede de omstandigheden waaronder dit is begaan, de mate waarin dit aan de verdachte kan worden verweten en de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gekomen. Daarbij houdt het Hof tevens rekening met de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het daarop gestelde wettelijke strafmaximum.
De verdachte heeft als feitelijk leidinggevende van de naamloze vennootschap [bedrijfsnaam] Minimarket gedurende een periode van meerdere jaren niet ervoor zorggedragen dat de aangiften winstbelasting binnen de daarvoor geldende termijnen werden ingediend. Van de verdachte mocht, gelet op zijn positie en verantwoordelijkheid binnen de vennootschap, worden verwacht dat hij erop toezag dat tijdig en behoorlijk aan de fiscale verplichtingen van de vennootschap werd voldaan.
Het tijdig doen van belastingaangifte is van wezenlijk belang voor een juiste en doelmatige belastingheffing en -inning. Het fiscale stelsel is in belangrijke mate afhankelijk van de nakoming van de wettelijke verplichtingen door belastingplichtigen. Door gedurende een lange periode telkens niet tijdig aangifte te doen, heeft de verdachte die verplichting stelselmatig niet nageleefd en de belastingautoriteiten belemmerd in een tijdige en behoorlijke uitvoering van hun taak.
Naast de lange termijn waarover niet tijdig aangifte is gedaan weegt het Hof in strafverzwarende zin ook mee het aanzienlijk hoog bedrag dat nog verschuldigd is, een bedrag van ruim 600.000 gulden.
Gelet op het voorgaande acht het Hof, evenals het Gerecht, de oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met een proeftijd van 3 jaar, passend en geboden, en zal hij de verdachte daartoe veroordelen.
Anders dan het Gerecht ziet het Hof geen aanleiding om aan die voorwaardelijke gevangenisstraf bijzondere voorwaarden te verbinden. Gelet op de aard van de bijzondere voorwaarden is het Hof van oordeel dat deze, naast de algemene voorwaarde dat de verdachte geen strafbare feiten zal plegen, van onvoldoende zelfstandige betekenis zijn.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is, behalve op het reeds aangehaalde wettelijke voorschrift, gegrond op de artikelen 1:19, 1:20, 1:21, 1:127, 1:133 en 1:136 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het Hof:
- vernietigt het vonnis van het Gerecht van 18 augustus 2025 en doet opnieuw recht;
- verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten, zoals bewezen verklaard, heeft begaan;
- spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- kwalificeert het bewezenverklaarde als hiervoor omschreven;
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 3 maanden;
- bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit vonnis is gewezen door mr. Y.C. Bours, voorzitter, mr. F.V.L.M. Wannyn en mr. I.L. Gerrits, leden van het Hof, bijgestaan door mr. R.H.R.G. van Kerkhof, griffier, en op 17 september 2026 uitgesproken in tegenwoordigheid van de zittingsgriffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao.
mr. I.L. Gerrits is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.