GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
op de vordering tot schorsing op de voet van art. 272 Rv van:
[APPELLANTE],
wonende in Sint Maarten,
in eerste aanleg eiseres, thans appellante,
eiseres tot schorsing,
gemachtigde: mr. R.M. Stomp,
tegen
de naamloze vennootschap
RBC ROYAL BANK N.V.,
gevestigd in Sint Maarten,
in eerste aanleg gedaagde, thans geïntimeerde,
verweerster tegen de vordering tot schorsing,
gemachtigde: mr. R.F. Gibson jr.
Partijen worden hierna [appellante] en RBC genoemd.
1. Het verloop van de procedure
Bij op 11 december 2025 ingekomen akte van appel is [appellante] in hoger beroep gekomen van het in kort geding tussen partijen gewezen en op 21 november 2025 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten.
Bij op 29 januari 2026 ingekomen verzoekschrift, met producties, heeft [appellante] gevorderd, verkort weergegeven, dat het Hof de tenuitvoerlegging van het vonnis zal schorsen en RBC zal bevelen de voor 5 februari 2026 aangezegde openbare verkoop niet te laten doorgaan.
Bij op 4 februari 2026 ingekomen verweerschrift heeft RBC geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [appellante], met veroordeling van [appellante], uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten.
Bij e-mails van 12 februari 2026 hebben de gemachtigden van partijen zich uitgelaten over de vordering tot schorsing.
Vonnis is gevraagd en bepaald op vandaag.
2. De beoordeling
In het bestreden kortgedingvonnis heeft het Gerecht vorderingen van [appellante] afgewezen die ertoe strekken dat een voorgenomen openbare verkoop wordt verboden. Die openbare verkoop stond gepland voor 25 september 2025. [appellante] is in de proceskosten veroordeeld, uitvoerbaar bij voorraad.
Bij de beoordeling van de vordering tot schorsing, al dan niet onder voorwaarden, gelden de maatstaven als vermeld in HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026 (Strandhotel).
Indien het Hof de tenuitvoerlegging van het vonnis zou schorsen, zou dat slechts tot gevolg hebben dat RBC de veroordeling ter zake van de proceskosten niet zou kunnen ten uitvoer leggen zolang het hoger beroep loopt. [appellante] heeft echter geen gronden aangedragen om de tenuitvoerlegging van de proceskostenveroordeling te schorsen. Zij wil dat de veiling wordt verboden. In deze procedure is geen plaats voor het uitspreken van een verbod, dus ook niet van een verbod om een aangezegde openbare verkoop te laten doorgaan. Ingevolge art. 272 Rv is in een procedure als deze immers slechts ruimte voor schorsing van de tenuitvoerlegging van een gewezen vonnis, niet voor het treffen van een voorziening, zoals een verbod tot openbare verkoop.
Ten overvloede overweegt het Hof als volgt.
In het midden kan blijven of [appellante] in dit geval (een kort geding waarbij de overwegingen een belangenafweging inhouden) nieuwe feiten en omstandigheden aan haar schorsingsvordering ten grondslag had dienen te leggen (zie het Strandhotel-arrest onder 5.5.3). Ook indien dat niet is vereist, kan de vordering niet worden toegewezen, gelet op het volgende.
Anders dan [appellante] heeft aangevoerd, bevat het bestreden vonnis geen kennelijke misslagen. De bezwaren van [appellante] tegen het bestreden vonnis kunnen voor het overige in het hoger beroep aan de orde komen. Daarop loopt het Hof thans niet vooruit.
Bij de te maken belangenafweging moet worden uitgegaan van de vaststellingen in het bestreden vonnis (zie het Strandhotel-arrest onder 5.8 sub b). Dat komt in dit geval erop neer dat [appellante] in 2016 (of daarvoor) in verzuim is geraakt met de tijdige nakoming van haar betalingsverplichting op grond van de in 2013 (of daarna) aan haar verstrekte geldlening, en dat er na een in 2019 getroffen betalingsregeling in 2024 opnieuw een forse achterstand is ontstaan, die in 2025 nog is vergroot. Bij die stand van zaken weegt het belang van RBC zwaarder dan het belang van [appellante], ook indien rekening wordt gehouden met de op zichzelf zwaarwegende belangen van [appellante] als samengevat weergegeven onder 3.2 van het bestreden vonnis, waarbij niet alleen het recht op eerbiediging van de woning van [appellante] is betrokken, maar ook dat van haar huisgenoten.
De vordering wordt afgewezen. [appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze schorsingsprocedure.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
wijst de vorderingen af;
veroordeelt [appellante] in de kosten van deze schorsingsprocedure, aan de zijde van RBC gevallen en tot op heden begroot op Cg 2.000,- aan salaris voor de gemachtigde;
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, W.P.M. ter Berg en H.E. de Boer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 17 februari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.