Burgerlijke zaken over 2026
Zaaknummers: CUR202002935 – CUR2024H00166
Uitspraak: 29 september 2026
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
[de man],
wonende in [woonplaats],
hierna: de man,
in eerste aanleg gedaagde, thans appellant,
gemachtigde: mr. N.V.R Doekhie,
tegen
[de vrouw],
wonende in [woonplaats],
hierna: de vrouw,
in eerste aanleg eiseres, thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. M.-J. Eisden,
en de op grond van artikel 12a Rv opgeroepen partij:
[betrokkene 1],
wonende in Curaçao,
hierna ook: [betrokkene 1],
gemachtigde: mr. N.V.R Doekhie.
1. Samenvatting
Het Gerecht heeft bij de scheiding en deling van de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen de aandelen van een vennootschap betrokken. De grondslag daarvoor was dat die aandelen bij de eerdere echtscheiding van de man aan hem waren toegedeeld. In hoger beroep stelt de man dat de aandelen aan zijn eerste echtgenote zijn toegedeeld. De eerste echtgenote is op grond van artikel 12a Rv opgeroepen in het geding en is nu als partij daarin betrokken. In dit tweede tussenvonnis laat het Hof de man en de eerste echtgenote toe te bewijzen dat de aandelen van de vennootschap zijn overgedragen aan de eerste echtgenote.
2. Het verloop van de procedure
Het Hof verwijst naar het tussenvonnis van 24 maart 2026, zoals verbeterd bij herstelvonnis van 2 juni 2026. Daarbij is een datum verbeterd; daar waar in het tussenvonnis sprake is van een echtscheidingsconvenant dat is gesloten in november 1999 moet dat worden gelezen als gesloten in november 1998. In dat tussenvonnis is de man is opgedragen zijn eerste echtgenote, [betrokkene 1] (hierna ook te noemen: [betrokkene 1]) in het geding te betrekken door haar op te roepen.
Nadat de oproep van [betrokkene 1] heeft plaatsgevonden heeft zij op 21 april 2026 een akte genomen (met producties) waarin zij heeft verzocht het bestreden vonnis te vernietigen en voor recht te verklaren dat de aandelenoverdracht (van [vennootschap 1]) van 25 maart 1999 van de man naar [betrokkene 1] rechtsgeldig is gebeurd, zodat [betrokkene 1] nu de rechtmatige aandeelhouder is en de aandelen dus niet in de huwelijksgoederengemeenschap van de man en de vrouw zijn gevallen.
De vrouw heeft daarop een akte van 19 mei 2026 (met producties) genomen, waarop de man en [betrokkene 1] gezamenlijk hebben gereageerd bij akte van 16 juni 2026.
Vonnis is nader bepaald op vandaag.
3. De feiten
Het Hof herhaalt hieronder voor de leesbaarheid van deze uitspraak de feiten zoals die in het tussenvonnis zijn vastgesteld, met thans de juiste datum van het echtscheidingsconvenant tussen [betrokkene 1] en de man (zie het herstelvonnis).
Partijen zijn op [datum] 2005 met elkaar gehuwd in gemeenschap van goederen. Bij beschikking van 10 april 2018 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 8 oktober 2018 in de registers van de burgerlijke stand is ingeschreven.
De man is eerder in gemeenschap van goederen gehuwd geweest met [betrokkene 1], verder te noemen [betrokkene 1]. Tussen hen is de echtscheiding uitgesproken bij beschikking van 10 november 1998, welke beschikking op 5 januari 1999 in de registers van de burgerlijke stand is ingeschreven.
In november 1998 hebben de man en [betrokkene 1] een echtscheidingsconvenant gesloten. Dat houdt, voor zover thans van belang, het volgende in: “(…)
f. Aan partij [de man] zal worden toebedeeld: alle door [de man] gevoerde bedrijven. (…)
h. Voorts zal aan partij [de man] worden toebedeeld: alle verplichtingen en schulden verband houdende met de door [de man] gevoerde bedrijven. (…)”.
Op 1 april 1999 is [betrokkene 1] bij notaris mr. A.P. van der Pluim-Vrede geweest. Daarvan heeft de notaris een akte opgemaakt. Volgens die akte trad [betrokkene 1] op voor zichzelf en als schriftelijk gemachtigde van de man. De akte houdt, voor zover thans van belang, in: “(…)De comparante, handelend als gemeld, verklaarde te willen overgaan tot de finale scheiding en deling van tussen de comparante en de lastgever, onder verwijzing naar het door partijen gemaakte echtscheidingsconvenant de dato negentienhonderd acht en negentig, welke gemeenschap van goederen werd ontbonden door de Rechter in het gerecht in Eerste Aanleg, Zittingsplaats Curaçao, de dato [datum] negentienhonderd acht en negentig, in het Register van Huwelijken en Echtscheidingen van de Burgerlijke Stand te Curaçao op vijf januari negentienhonderd negen en negentig. De comparante, handelende als gemeld, verklaarde dat van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap thans nog resten te scheiden en te delen de navolgende vermogensbestanddelen”, zakelijk weergegeven, aan activa: het recht van erfpacht op een perceel grond aan de [adres 1] en aan passiva: een hypothecaire schuld bij de centrale Hypotheekbank, een hypothecaire schuld bij de [bank 1], achterstallige grondbelasting en achterstallige erfpachtscanon. Voor wat betreft de scheiding en deling houdt de akte in dat aan [betrokkene 1] het erfpachtrecht en eerdergenoemde schulden worden toebedeeld, met uitzondering van de schuld bij [bank 1] aan de man wordt toegedeeld.
4. De verdere beoordeling
kernvraag
Zoals in het tussenvonnis al overwogen gaat het in hoger beroep over de vraag of de aandelen in [vennootschap 1] (hierna: de vennootschap) deel zijn gaan uitmaken van de op 10 juli 2005 aangegane gemeenschap tussen de man en de vrouw (zijn tweede echtgenote). Als de man op dat moment nog steeds eigenaar van de aandelen in die vennootschap was zijn die aandelen deel gaan uitmaken van de huwelijksgoederengemeenschap tussen partijen en anders niet.
stellingen [betrokkene 1] en man
[betrokkene 1] is in de gelegenheid gesteld zich hierover uit te laten en zij heeft de kernvraag in haar akte van 21 april 2026 negatief beantwoord. Uit de toelichting op dat antwoord en uit de processtukken van de man (een toelichting op pleitnota van 13 februari 2026, een pleitnota van 24 februari 2026, en de gezamenlijke akte van de man en [betrokkene 1] van 16 juni 2026) begrijpt het Hof de stellingen van de man en [betrokkene 1] als volgt.
In het echtscheidingsconvenant (dat is opgesteld in november 1998) is overeengekomen dat aan [betrokkene 1] de toenmalige echtelijke woning zou worden toebedeeld en dat zij het resterende deel van de (eerste) hypothecaire lening (NAf 35.000) bij de Centrale Hypotheekbank zou overnemen. Aan de man werden toebedeeld alle door hem gevoerde bedrijven en ook de schulden van die bedrijven. Vanwege deze wijze van scheiding en deling moest er een oplossing komen voor het feit dat de echtelijke woning bezwaard was met een tweede hypotheek bij de [bank 1]. Deze hypothecaire lening was namelijk afgesloten voor een schuld van de man dan wel een schuld van de vennootschap die volgens het convenant aan de man zou worden toebedeeld, terwijl het de bedoeling was de woning aan [betrokkene 1] toe te delen.
Om het convenant te kunnen uitvoeren zijn de man en [betrokkene 1] volgens hun stellingen overeengekomen:
(i) dat [betrokkene 1] de schuld uit de eerste hypothecaire lening bij de Centrale Hypotheekbank zou overnemen van de man (daarvoor is volgens een brief van 27 januari 1999 van de behandelende notaris toestemming gevraagd aan de Centrale Hypotheekbank en per brief van 3 februari 1999 van diezelfde notaris aan de [bank 1]; beide brieven zijn overgelegd bij de akte van 12 april 2026 van [betrokkene 1]);
(ii) dat [betrokkene 1] een verhoging zou vragen van de hypothecaire lening bij de Centrale Hypotheekbank van NAf 60.000 om de tweede hypotheek af te lossen (de aanvraag voor de hypotheekverhoging is overgelegd bij productie 7 bij pleitnota in hoger beroep);
(iii) dat de aandelen in de vennootschap (met als activa twee percelen grond) zouden worden overgedragen aan [betrokkene 1], waarbij het de bedoeling was dat de die percelen uiteindelijk aan de kinderen van de man en [betrokkene 1] zouden toekomen.
Dat dit plan uiteindelijk is uitgevoerd blijkt uit het volgende:
(iv) de aandelen van de vennootschap door de man aan [betrokkene 1] zijn overgedragen bij handgeschreven onderhandse akte van 25 maart 1999, hetgeen zij hebben meegedeeld aan de vennootschap bij brief van 29 maart 1999 van de man met als bijlage die onderhandse akte, welke overdracht erkend is door de vennootschap bij brief (deze stukken zijn overgelegd voorafgaand aan het pleidooi in hoger beroep als bijlagen bij productie 7);
(iv) het originele aandeelhoudersregister van de vennootschap was zoek in maart 1999, de man heeft een kopie daarvan opgevraagd bij de notaris en daarin is de overdracht van de aandelen aan [betrokkene 1] genoteerd (die kopie is ook overgelegd als bijlage bij genoemde productie 7);
(v) in een notariële akte van 18 juni 1999 (ook overgelegd als bijlage bij genoemde productie 7) is de verhoging met NAf 60.000 vastgelegd van de hypothecaire lening bij de Centrale Hypotheekbank op naam van [betrokkene 1];
(vi) bij de overname door [betrokkene 1] van de tweede hypotheek bij [BANK 1] heeft zij als zekerstelling voor NAf 20.000 een perceel dat eigendom van de vennootschap was in onderpand gegeven aan de [bank 1].
De man en [betrokkene 1] hebben ter onderbouwing van hun stellingen nog aangevoerd dat zij hebben afgesproken dat de (aandelen) van de vennootschap uiteindelijk aan hun kinderen zouden toekomen en dat [betrokkene 1] deze zou houden totdat de kinderen meerderjarig zouden zijn. Tijdens hun huwelijk kochten zij percelen op en verkochten die weer door en zij zijn daarmee doorgegaan na hun echtscheiding. Een pand aan de [adres] is aangekocht in 1994 en doorverkocht aan een derde in 2008 (dit blijkt uit een notariële akte van 1 februari 2008, overgelegd als productie 13 bij de stukken die de man voorafgaand aan het pleidooi in hoger beroep heeft overgelegd). [betrokkene 1] heeft toegestaan dat de man aangekochte percelen als onderpand kon gebruiken voor de financiering van zijn bedrijven en dat is ook gebeurd (dit blijkt uit stukken van de notaris die ook zijn overgelegd bij de genoemde productie 13).
De conclusie van de man en [betrokkene 1] is dat de aandelen van de vennootschap op 25 maart 1998 rechtsgeldig zijn overgedragen door de man aan [betrokkene 1], zodat deze niet in de huwelijksgoederengemeenschap van de man met zijn tweede echtgenote vallen.
oordeel Hof
Het Hof betrekt bij zijn oordeel de verweren die de vrouw heeft ingebracht tegen de stellingen van de man en [betrokkene 1]. Zij heeft daarvoor voldoende gelegenheid gehad, zowel tijdens het mondeling pleidooi op 24 februari 2026 als in haar akte van 19 mei 2026.
Voor de beoordeling van de kernvraag moet de notariële akte van 1 april 1999 worden uitgelegd. Daarnaast moet worden bepaald wat de bewijskracht van die akte is. Wat betreft dat laatste geldt het volgende.
bewijskracht akte
De notariële akte van 1 april 1999 (productie 12 bij de door de man overgelegde stukken die de man voorafgaand aan het pleidooi in hoger beroep, hiervoor geciteerd onder 3 is opgemaakt met als partijen de man en [betrokkene 1]. Van toepassing is artikel 136 lid 2 Rv (“Een authentieke akte (…) levert ten aanzien van de verklaring van een partij omtrent hetgeen de akte bestemd is ten behoeve van de wederpartij te bewijzen, tussen partijen dwingend bewijskracht op van de waarheid van die verklaring (…).
Alleen de man en [betrokkene 1] kunnen zich dus ten opzichte van elkaar beroepen op de dwingende bewijskracht van hetgeen zij in die akte hebben verklaard, waarbij dwingend bewijs betekent dat zonder nadere instructie (maar behoudens tegenbewijs) vaststaat hetgeen in de akte is vermeld. De vrouw kan zich daar niet op beroepen. Het Hof komt in zoverre terug van hetgeen is overwogen onder 4.7.1 van het tussenvonnis en ook hetgeen het Gerecht heeft overwogen (in het tussenvonnis van 12 juni 2023) over de dwingende bewijskracht van deze akte in algemene zin klopt niet. De akte heeft wel vrije bewijskracht naast alle andere (schriftelijke) bewijsmiddelen.
uitleg akte
Bij het verlijden van de akte is [betrokkene 1] op grond van een volmacht opgetreden voor de man en heeft de notaris vastgelegd hetgeen zij beiden bij de scheiding en deling van hun huwelijksgoederengemeenschap zijn overeengekomen, door te verwijzen naar het door hen opgemaakte echtscheidingsconvenant, waarvan een kopie aan de akte is gehecht. Daarnaast heeft de notaris opgenomen dat die gemeenschap is ontbonden op 5 januari 1999 (door inschrijving van het echtscheidingsvonnis) en bevat de akte een verklaring van partijen dat “van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap thans nog resten te scheiden en delen de navolgende vermogensbestanddelen” waarna een opsomming volgt van de activa (het erfpachtrecht op de voormalige echtelijke woning) en de passiva (twee hypothecaire schulden, één bij de Centrale Hypotheekbank en één bij de [bank 1], achterstallige grondbelasting en achterstallige erfpachtscanon). Vervolgens is opgenomen hoe partijen de gemeenschap willen scheiden en delen, waarbij aan [betrokkene 1] het erfpachtrecht en de passiva worden toegedeeld, met uitzondering van de hypothecaire schuld aan de [bank 1], die aan de man is toegedeeld. Tenslotte heeft [betrokkene 1] mede namens de man verklaard dat de scheiding en deling “naar volkomen genoegen van partijen is geschied”, dat “ieder het hem of haar toekomende heeft ontvangen, weshalve partijen elkaar over en weer volledig kwijting en decharge verlenen, zonder enige voorbehoud” en “dat partijen zich verplichten de aan hen toegedeelde schulden na te zullen komen op de wijze als overeengekomen in de desbetreffende overeenkomsten en vrijwaren bij deze de andere partij voor iedere schade welke deze zou mogen ondervinden wegens de niet-juiste nakoming van deze verplichtingen”.
Het Gerecht heeft (in 2.7 van het tussenvonnis van 12 juni 2023) op basis van uitleg van de notariële akte geoordeeld dat bij de verdeling van de gemeenschap tussen de man en [betrokkene 1] de aandelen van de vennootschap aan de man zijn toegedeeld, met als gevolg dat die aandelen in de gemeenschap van goederen met zijn tweede echtgenote vallen. Het Gerecht heeft hiervoor met name beslissend geacht (i) dat de akte verwijst naar het convenant, waarin is bepaald dat zowel de aandelen van de vennootschap als de schulden aan de man zijn toegedeeld (ii) dat uit de notariële akte op geen enkele wijze blijkt dat de aandelen aan [betrokkene 1] zijn toegedeeld (iii) dat in deze akte expliciet is opgenomen dat de hypotheekschuld bij [BANK 1] aan de man is toegedeeld met vrijwaring van [betrokkene 1] (iv) dat de man niet heeft gesteld dat de aandelen op een later tijdstip alsnog aan [betrokkene 1] zijn overgedragen (v) terwijl de man en [betrokkene 1] volgens de tekst van de akte zijn overgegaan tot finale scheiding en deling van de gemeenschap.
Die door het Gerecht opgesomde feiten sluiten echter niet het scenario uit dat de man in hoger beroep heeft gepresenteerd, te weten dat na het sluiten van het convenant (in november 1998) en vóór het verlijden op 1 april 1999 van de notariële akte de aandelen van de vennootschap waren overgedragen aan [betrokkene 1]. De man heeft de bewijslast van deze stelling. De door de man en [betrokkene 1] opgesomde feiten en omstandigheden (hiervoor opgesomd in 4.4, 4.5 en 4.6) vormen weliswaar een onderbouwing van dit scenario, maar het Hof acht deze vooralsnog, mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, onvoldoende om bewezen te achten dat de aandelen van de vennootschap op 25 maart 1999 zijn overgedragen aan [betrokkene 1]. Als deze aandelenoverdracht inderdaad op die datum heeft plaatsgevonden is het opmerkelijk dat daarvan in het geheel geen melding wordt gemaakt in de notariële akte die nog geen week later (op 1 april 1999) is verleden, dit terwijl in de akte wordt verwezen naar het convenant, waarin is vermeld dat aan de man alle door hem gevoerde bedrijven worden toegedeeld (waaronder de vennootschap kan worden geschaard).
Gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw zal de man in de gelegenheid gesteld worden zijn stellingen te bewijzen door het laten horen van getuigen. De zaak zal worden verwezen naar de rol, zoals hierna te melden, voor uitlating door de man of hij bewijs door middel van getuigen wenst te leveren. Indien dit zo is dient hij de verhinderdata over te leggen van beide partijen en hun gemachtigden zoals hierna vermeld.
Nu [betrokkene 1] als partij in het geding is betrokken zal het Hof ook haar in de gelegenheid stellen haar stellingen te bewijzen door het laten horen van getuigen. [betrokkene 1] en de man kunnen gezamenlijk getuigen voorbrengen of afzonderlijk. Zij worden verzocht in de hierna te noemen akte aan te geven waar zij voor kiezen.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
draagt de man op feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit volgt dat de aandelen van [vennootschap 1] op 25 maart 1999 zijn overgedragen aan [betrokkene 1];
draagt [betrokkene 1] op feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit volgt dat de aandelen van [vennootschap 1] op 25 maart 1999 aan haar zijn overgedragen;
verwijst de zaak naar de rol van 27 oktober 2026 voor uitlating van de man en van [betrokkene 1] (P3) of zij bewijs door getuigen willen leveren en zo ja, voor overlegging van de verhinderdata van beide partijen en hun gemachtigden over de maanden december 2026 tot en met maart 2027;
houdt de zaak voor het overige aan.
Dit vonnis is gewezen door mrs. C.G. ter Veer, E.M. van der Bunt en P.J. Duinkerken, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 29 september 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.