Burgerlijke zaken over 2026
Registratienummers: CUR202500554 en CUR2025H00218
Uitspraak: 13 oktober 2026
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
de naamloze vennootschap
RBC ROYAL BANK N.V.,
gevestigd in Curaçao,
in eerste aanleg eiseres,
thans appellante,
gemachtigde: mr. H.W. Braam,
tegen
[GEÏNTIMEERDE],
wonend in [woonplaats],
in eerste aanleg gedaagde,
thans geïntimeerde,
in rechte niet verschenen.
Partijen worden hierna aangeduid als RBC en [geïntimeerde].
1. De zaak in het kort
Dit geding gaat over een vordering tot terugbetaling van diverse leningen met bijkomende kosten. Het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (verder: het Gerecht) heeft de vordering van RBC afgewezen. Het Hof wijst een tussenvonnis.
2. Het verloop van de procedure
Bij op 18 augustus 2025 ingekomen akte is RBC in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 7 juli 2025 bij verstek uitgesproken vonnis van het Gerecht.
Bij op 29 september 2025 ingekomen memorie van grieven heeft RBC drie grieven aangevoerd tegen het vonnis van het Gerecht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis waarvan beroep vernietigt en haar vordering alsnog toewijst met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure.
geïntimeerde] is ook in hoger beroep niet verschenen; een memorie van antwoord van hem werd niet ontvangen.
Op 3 februari 2026 heeft de gemachtigde van RBC pleitnotities (met producties) ingediend. Van [geïntimeerde] werden geen pleitnotities ontvangen.
Het Hof heeft daarna een mondelinge behandeling bepaald, maar ziet daarvan nu af omdat van [geïntimeerde] geen stukken of enig ander bericht zijn ontvangen. Vonnis, op basis van de stukken, is vervolgens bepaald op vandaag. De voor 13 november 2026 bepaalde mondelinge behandeling van de zaak vervalt derhalve.
3. De beoordeling
De betekening
Volgens het door RBC in het geding gebrachte uittreksel uit de basisadministratie personen van 7 februari 2025 is van [geïntimeerde] geen adres bekend in Curaçao. Daaruit blijkt evenmin van een bekend adres buiten Curaçao. De akte van hoger beroep en de memorie van grieven zijn (daarom) door de deurwaarder op 8 oktober 2025 betekend als ware sprake van de situatie dat [geïntimeerde] zonder bekende woon- of verblijfplaats in of buiten Curaçao is (artikel 5 aanhef en sub 7 Rv).
Uit de in eerste aanleg door RBC overgelegde stukken blijkt dat bij RBC wel een adres van [geïntimeerde] in Nederland bekend was, namelijk [adres], [land]. Ambtshalve navraag bij de advocaat van RBC heeft de bevestiging opgeleverd dat genoemd adres bij RBC bekend was. Om die reden heeft de deurwaarder de akte van appel en de memorie van grieven op 12 augustus 2026 nogmaals betekend, maar nu op basis van dat bekende adres van hem (artikel 5 aanhef en sub 8 Rv). De ambtenaar van het openbaar ministerie heeft de oproeping getekend voor gezien.
Gelet op HR 9 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1059, 3.4.7 en 3.5.2, dient het Hof de zaak aan te houden. Tevens dient het Hof ambtshalve onderzoek te doen als daar overwogen.
Het Hof geeft de volgende instructies aan RBC:
a. zo dat redelijkerwijs mogelijk is moet RBC bij de Basisadministratie Personen in [land] (adres) nagaan op welk adres [geïntimeerde] thans is ingeschreven;
b. RBC dient bij het openbaar ministerie na te vragen welke pogingen de ambtenaar van het openbaar ministerie in het werk heeft gesteld om zoveel mogelijk te bevorderen dat de akte van appel en de memorie van grieven geïntimeerde bereiken, en bewijsstukken van die pogingen op te vragen;
c. RBC dient de akte van appel, de memorie van grieven, de betekeningsexploten en de pleitnota van haar advocaat met bijlagen in hoger beroep bij aangetekende post of door middel van een commercieel bezorgbedrijf (bijvoorbeeld DHL) te doen toekomen aan het bekende of (na uitvoering van het onder a genoemde onderzoek) nader bekend geworden adres van [geïntimeerde] in [land].
Het Hof zal de zaak naar de rol verwijzen om RBC in de gelegenheid te stellen bij akte verslag te doen van de uitvoering van de hiervoor gegeven instructies, met overlegging van bewijsstukken.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
verwijst de zaak naar de rol van 1 december 2026 voor akte aan de zijde van RBC;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, W.P.M. ter Berg en E.P. van Unen, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 13 oktober 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.