ECLI:NL:OGHACMB:2026:304

ECLI:NL:OGHACMB:2026:304

Instantie Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak 27-10-2026
Datum publicatie 03-11-2026
Zaaknummer CUR2025H00358
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Curaçao. Nalatenschappen. Verdeling. Ontruiming woning door een van de erfgenamen.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2026

Zaaknummers: CUR202404011 – CUR2025H00358

Uitspraak: 27 oktober 2026

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak van:

1.[appellant 1] ,

wonende in [woonplaats],

2. [appellant 2] ,

wonende te [woonplaats], [land],

3. [appellant 3] ,

wonende te [woonplaats], [land],

4. [appellant 4] ,

wonende in [woonplaats],

in eerste aanleg gedaagden, nu appellanten,

appellanten 1, 3 en 4 procederende in persoon,

appellante 2 vertegenwoordigd door appellant 1,

tegen

1. [geïntimeerde 1],

2. [geïntimeerde 2],

3. [geïntimeerde 3],

allen met gekozen woonplaats in [woonplaats],

in eerste aanleg eisers, thans geïntimeerden,

gemachtigden: mrs. A.C. van Hoof en L.J.C. Frias.

Partijen worden aangeduid met hun voornaam.

Appellanten worden gezamenlijk [appellant 1] c.s. genoemd.

Geïntimeerden worden gezamenlijk [geïntimeerde 1] c.s. genoemd.

1. De zaak in het kort

In de nalatenschappen van de ouders van de procespartijen valt een recht van erfpacht op een perceel waarop een woning is gebouwd. Dit geding betreft de verdeling van dat recht van erfpacht. Het Gerecht heeft onder meer beslist dat de woning dient te worden verkocht en dat de erfgenaam die er woonde (een broer van de andere erfgenamen), de woning dient te ontruimen.

In dit hoger beroep komt het Hof tot dezelfde uitkomst.

2. Het verloop van de procedure

Op 1 december 2025 zijn [appellant 1] c.s. in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 3 november 2025 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht).

Bij op 5 januari 2026 ingekomen memorie van grieven, met producties, hebben [appellant 1] c.s. het hoger beroep toegelicht.

Bij op 26 februari 2026 ingekomen memorie van antwoord hebben

[geïntimeerde 1] c.s. het hoger beroep bestreden. Hun conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen.

[appellant 1] heeft een gedingstuk d.d. 21 april 2026 en een gedingstuk d.d. 24 mei 2026, met elf producties, ingediend.

Door of namens [appellant 2] is een gedingstuk d.d. 23 mei 2026 ingediend.

Op 26 mei 2026 hebben [geïntimeerde 1] c.s. pleitnotities ingediend.

Bij e-mail van 27 mei 2026 heeft [appellant 1] verzocht een niet eerder ingediende pagina te mogen voegen bij de door hem ingediende stukken. Bij e-mail van 10 juni 2026 hebben de gemachtigden van [geïntimeerde 1] c.s. te kennen gegeven daar geen bezwaar tegen te hebben. Op 30 juni 2026 hebben deze gemachtigden een akte uitlating producties ingediend.

Vonnis is nader bepaald op vandaag.

3. De beoordeling

Het Hof gaat uit van de volgende feiten.

De zeven procespartijen in deze zaak zijn de zeven kinderen van [appellant 1] [appellant 1] sr. (hierna: de vader) en zijn echtgenote [belanghebbende] (hierna: de moeder).

In 1961 heeft de vader een recht van erfpacht verkregen op een perceel aan de [adres] in Curaçao. Op het perceel staat een woning.

In 1978 is de vader overleden. Zijn erfgenamen zijn de moeder en de zeven kinderen, ieder voor een achtste deel.

In 2012 is de moeder overleden. Haar erfgenamen zijn de zeven kinderen, ieder voor een zevende deel. In haar testament heeft zij [appellant 1] benoemd tot executeur.

Na het overlijden van de moeder heeft [appellant 1] in de woning gewoond, zonder dat hij daarvoor een gebruiksvergoeding betaalde aan zijn broers en zussen.

Op 10 september 2017 hebben de zeven kinderen afgesproken dat de woning zou worden toebedeeld aan [appellant 1] tegen betaling van NAf 150.000, waarvan één zevende deel zou toekomen aan elk van de zeven kinderen. Hierbij is afgesproken dat dit binnen een jaar, maar uiterlijk eind december 2018 zou worden uitgevoerd.

Op 22 februari 2019 hebben [geïntimeerde 1] c.s. schriftelijk aan hun broers en zussen te kennen gegeven dat [appellant 1] per direct moest kopen en dat er anders een andere oplossing moest komen als in dat bericht vermeld.

Bij beschikking van 13 januari 2022, zaaknummers CUR202102587 en CUR202102588, heeft het Gerecht op verzoek van [geïntimeerde 1] c.s. [appellant 1] ontslagen als executeur van het testament van de moeder.

Op 1 februari 2023 heeft mr. Van der Plank als advocaat van [geïntimeerde 1] c.s. een brief gestuurd aan [appellant 1]. Hierin staat een beschrijving van de gang van zaken zoals die volgens [geïntimeerde 1] c.s. sinds 2017 is geweest. In de brief staat verder het volgende:

Voor cliënten was aanvankelijk de verkoop aan u een gepasseerd station, omdat het allemaal zo verschrikkelijk lang heeft geduurd.

Cliënten hebben na onderling overleg en om nog meer stagnatie te voorkomen, besloten om u een allerlaatste mogelijkheid te bieden om de woning te kopen.

Dit dient dan onder de volgende cumulatieve voorwaarden te gebeuren:

1. Cliënten bieden aan om de woning (...) aan u te verkopen voor ANG 150.000,00;

2. Binnen twee weken na dagtekening van deze brief geeft u schriftelijk aan akkoord te zijn met de koop;

3. De overige erfgenamen, te weten [appellant 4] en [appellant 3] (in c.c.), geven binnen twee weken na dagtekening van deze brief eveneens aan akkoord te gaan met de verkoop aan u voor ANG 150.000,00;

4. U dient tevens binnen 2 weken na dagtekening van deze brief het voornoemd bedrag op de derdenrekening [van de notaris] te storten of verstrekt een verklaring van een bankinstelling dat u in aanmerking komt voor financiering van de woning.

Mocht u de gestelde voorwaarden niet nakomen, dan houdt het op en zullen cliënten rechtsmaatregelen tegen u treffen om u te doen ontruimen zodat de woning op de markt aan een derde verkocht kan worden. Cliënten hebben er recht op om niet langer in een onverdeelde boedel te blijven.

Bij in kort geding gewezen vonnis van 6 maart 2024, zaaknummer CUR202400189, heeft het Gerecht [geïntimeerde 1] c.s. niet-ontvankelijk verklaard in hun vordering tegen [appellant 1] tot ontruiming van de woning. Hiertoe heeft het Gerecht overwogen dat niet kan worden aangenomen dat [geïntimeerde 1] c.s. hun vordering namens de gezamenlijke erfgenamen hebben ingesteld.

Beslissingen van het Gerecht

In dit geding heeft het Gerecht bij het bestreden vonnis (onder meer), verkort weergegeven, uitvoerbaar bij voorraad:

a. [appellant 1] bevolen de woning te ontruimen;

b. voor recht verklaard dat [appellant 1] een gebruiksvergoeding aan de boedel verschuldigd is van Cg 375 per maand vanaf 1 maart 2022 tot aan de dag van de ontruiming;

c. [appellant 1] c.s. bevolen mee te werken aan verlenging van het recht van erfpacht;

d. [geïntimeerde 3] gemachtigd om het recht van erfpacht te verkopen;

d. bepaald dat de verkoopopbrengst na aftrek van proceskosten zal worden verdeeld als in het vonnis vermeld.

Beoordeling door het Hof

In de memorie van grieven hebben [appellant 1] c.s. aangevoerd dat het Gerecht niet is ingegaan op hetgeen [appellant 1] c.s. over een aantal onderwerpen hebben aangevoerd als verweer. Het Hof zal die onderwerpen hieronder bespreken.

Overeenkomst van 10 september 2017 en verdere gang van zaken

Het Gerecht heeft de overeenkomst van 10 september 2017 genoemd onder 2.9 van zijn vonnis. Het Hof heeft die overeenkomst hiervoor onder 3.1.6 genoemd.

Tussen partijen staat vast dat [appellant 1] de bij die overeenkomst bedongen overbedelingsvergoeding niet tijdig binnen de overeengekomen termijn heeft betaald. In hun schriftelijk bericht van 22 februari 2019 hebben [geïntimeerde 1] c.s. daarop een beroep gedaan. Mede in aanmerking genomen dat dit bericht is opgesteld door juridische leken en binnen de familie is verstuurd, moet dit bericht worden opgevat als hetzij een buitengerechtelijke ontbinding van de overeenkomst van 10 september 2017, hetzij een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, in die zin dat het onaanvaardbaar is dat [appellant 1] [geïntimeerde 1] c.s. nog langer houdt aan de afspraak dat de woning aan hem wordt toebedeeld. Aangezien [appellant 1] niet tijdig binnen de overeengekomen termijn de overbedelingsvergoeding heeft betaald, acht het Hof de buitengerechtelijke ontbindingsverklaring rechtsgeldig en acht het Hof het ook naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [geïntimeerde 1] c.s. na hun bericht van 22 februari 2019 nog gehouden zouden kunnen worden aan de overeenkomst van 10 september 2017.

[appellant 1] c.s. hebben aangevoerd dat zij niet weten waarom [geïntimeerde 1] c.s. niet langer uitvoering willen geven aan de overeenkomst van 10 september 2017. Zij noemen dit een onverklaarbare ommekeer. Dit verweer faalt. De reden hiervoor volgt duidelijk uit het bericht van 22 februari 2019: [geïntimeerde 1] c.s. waren van mening dat de uitvoering van de overeenkomst door [appellant 1] te lang duurde, langer dan was overeengekomen.

[appellant 1] c.s. hebben aangevoerd dat afgesproken was dat partijen alleen unaniem tot beslissingen zouden komen. Dit verweer baat hen niet. Ook als dat de afspraak was, mochten [geïntimeerde 1] c.s. op 22 februari 2019 zonder instemming van de overige erfgenamen de overeenkomst ontbinden en er een beroep op doen dat zij er op grond van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid niet meer aan die overeenkomst gebonden zijn.

[appellant 1] c.s. hebben aangevoerd dat [geïntimeerde 1] c.s. hebben afgezegd voor verschillende vergaderingen waarvoor [appellant 1] hen had opgeroepen. Ook dit verweer baat [appellant 1] c.s. niet. Die gestelde afzeggingen hadden [appellant 1] niet ervan behoeven te weerhouden om ervoor te zorgen dat hij tijdig financiering verkreeg om de overeenkomst van 10 september 2017 te kunnen uitvoeren en om daadwerkelijk tot tijdige uitvoering van die overeenkomst over te gaan.

[appellant 1] c.s. hebben aangevoerd dat [appellant 1] eerder in 2017 geprobeerd heeft een akkoord te bereiken met [geïntimeerde 1]om samen het erfgoed te kopen. Kennelijk bedoelen zij dat [appellant 1] heeft voorgesteld dat [appellant 1] en [geïntimeerde 1] samen het recht van erfpacht toebedeeld zouden krijgen tegen betaling van een overbedelingsvergoeding aan de andere erfgenamen. Dit verweer helpt hen evenmin. Dat voorstel is kennelijk niet aanvaard. Nadat op 10 september 2017 een overeenkomst werd bereikt, was het eerdere voorstel niet meer van belang.

[appellant 1] c.s. hebben aangevoerd dat partijen op een bijeenkomst van 29 augustus 2020 unaniem hebben afgesproken dat [appellant 1] en [geïntimeerde 3] samen naar de notaris zouden gaan om alles te regelen. Volgens [appellant 1] c.s. heeft [geïntimeerde 3] zich niet aan die nadere afspraak gehouden. [appellant 1] c.s. hebben dit betoog onderbouwd met een door [appellant 1] opgesteld verslag van de bijeenkomst. [appellant 1] c.s. hebben het volgende gesteld over de verdere gang van zaken. Notaris Kleinmoedig heeft partijen op 15 november 2021 en op 7 december 2021 opgeroepen. De advocaat van [geïntimeerde 1] c.s. wilde hier niet aan meewerken. Daarna moest de zaak worden overgedragen aan notariskantoor Fung-A-Loi & Samander, omdat mr. Kleinmoedig niet langer als notaris fungeerde. Op 2 maart 2022 heeft notarismedewerkster [betrokkene] partijen opgeroepen. Op 12 september 2022 heeft een bespreking met de notarismedewerkster plaatsgehad.

[geïntimeerde 1] c.s. hebben een beroep gedaan op de brief van hun advocaat van 1 februari 2023. In die brief is de gang van zaken sinds september 2017 beschreven zoals [geïntimeerde 1] c.s. stellen dat die is geweest en is aan [appellant 1] een laatste kans geboden om de woning toebedeeld te krijgen.

Naar het oordeel van het Hof behoefden [geïntimeerde 1] c.s. [appellant 1] op 1 februari 2023 geen ruimere kans meer aan [appellant 1] te geven dan zij in die brief hebben gedaan, ook niet als [geïntimeerde 3] zich niet naar behoren heeft gehouden aan de gestelde nadere afspraak op de bijeenkomst van 29 augustus 2020. Gelet daarop kan in het midden blijven of [geïntimeerde 3] zich daaraan naar behoren heeft gehouden. Het verweer faalt.

Bij dit alles komt dat het Gerecht onder 4.5 heeft overwogen dat ter zitting is gebleken dat [appellant 1] over onvoldoende financiële middelen beschikt om het registergoed over te nemen, waarmee het Gerecht kennelijk bedoelt: om de overbedelingsvergoeding van Cg 150.000 te betalen die in 2017 is overeengekomen. In hoger beroep heeft [appellant 1] dit niet betwist. [appellant 2] heeft er in haar brief van 23 mei 2026 vraagtekens bij geplaatst, maar zij heeft niets aangevoerd over de financiële mogelijkheden van [appellant 1], laat staan daar een onderbouwing voor gegeven. Dit brengt mee dat het Hof ervan uitgaat dat [appellant 1] ook nu nog de overeenkomst van 10 september 2017 niet kan nakomen.

Machtiging tot verkoop

Het Gerecht heeft geoordeeld dat de woning dient te worden verkocht en heeft [geïntimeerde 3] gemachtigd om dat te doen. Aan deze beslissing heeft het Gerecht ten grondslag gelegd dat:

a. ter zitting is gebleken dat [appellant 1] over onvoldoende financiële middelen beschikt om het registergoed over te nemen,

b. van partijen niet gevergd kan worden nog langer in onverdeeldheid te blijven, en

c. er sprake is van achterstallig onderhoud.

Het Hof verenigt zich met deze wijze van verdeling en met de door het Gerecht gegeven motivering sub a en b (het argument sub c acht het Hof zonder nadere motivering minder steekhoudend, omdat onderhoud een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de deelgenoten is). Het Hof voegt eraan toe dat [appellant 1] lange tijd na het overlijden van de moeder in de woning heeft gewoond zonder enige vergoeding te betalen en dat [geïntimeerde 1] c.s. diverse pogingen hebben gedaan om tot een verdeling te geraken, zoals hiervoor overwogen. Verkoop van de woning wordt dan onvermijdelijk, ook wilden partijen aanvankelijk anders.

Ontruiming

Het Gerecht heeft [appellant 1] veroordeeld tot ontruiming. Dit is een logisch gevolg van de beslissing dat de woning dient te worden verkocht. Het Hof verenigt zich ermee.

Het in kort geding gewezen vonnis van 6 maart 2024 staat niet aan de weg aan deze beslissing. Ten eerste niet, omdat het Hof in deze bodemzaak niet gebonden is aan de beslissing van de rechter in kort geding. Ten tweede niet, omdat in deze bodemzaak alle erfgenamen zijn opgeroepen en verschenen.

Gebruiksvergoeding

[geïntimeerde 1] c.s. hebben bij het Gerecht gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat [appellant 1] vanaf 7 september 2012 een gebruiksvergoeding aan de boedel verschuldigd is van Cg 1.100 per maand. Het Gerecht heeft dit slechts gedeeltelijk toegewezen. Het toewijsbare bedrag per maand heeft het Gerecht bepaald op Cg 375, berekend als:

3% per jaar maal het overbedelingsbedrag van Cg 150.000, gedeeld door 12 maanden.

De ingangsdatum heeft het Gerecht bepaald op 1 maart 2022, op de grond dat [geïntimeerde 1] c.s. voor het eerst op 17 februari 2022 aanspraak hebben gemaakt op een gebruiksvergoeding.

Zoals het Gerecht ook heeft overwogen (onder 4.10) is de maatstaf voor toekenning van een gebruiksvergoeding aan deelgenoten de redelijkheid en billijkheid. Het Hof verenigt zich met de beslissing van het Gerecht over de gebruiksvergoeding. Die voldoet aan die maatstaf, mede gelet op de lange tijd dat [appellant 1] na het overlijden van de moeder in de woning heeft gewoond zonder enige vergoeding te betalen en de pogingen van [geïntimeerde 1] c.s. om tot een verdeling te geraken.

Aan toekenning van een gebruiksvergoeding aan de nalatenschappen ten laste van [appellant 1] staat niet in de weg dat niet alle broers en zussen daar behoefte aan hebben. Ook als dit verlangen niet unaniem is, is de beslissing van het Gerecht in overeenstemming met de redelijkheid en billijkheid.

Boedelbeschrijving

De moeder heeft bij testament [appellant 1] benoemd tot executeur. [geïntimeerde 1] c.s. hebben in eerste aanleg aangevoerd dat [appellant 1] zijn taken als executeur heeft veronachtzaamd, onder meer omdat hij geen boedelbeschrijving heeft opgesteld. Zij hebben erop gewezen dat het Gerecht [appellant 1] heeft ontslagen als executeur.

In dit geding heeft Gerecht onder 4.3 van het vonnis waarvan beroep (in een ander verband) overwogen dat geen van de partijen een boedelbeschrijving in het geding heeft gebracht.

Niets van hetgeen het Gerecht op vordering van [geïntimeerde 1] c.s. heeft toegewezen, is gebaseerd op de grondslag dat [appellant 1] taken als executeur heeft veronachtzaamd. Daarom kan dit onderwerp in dit hoger beroep verder onbesproken blijven.

Verlenging van de erfpacht

Het Gerecht heeft [appellant 1] c.s. bevolen mee te werken aan het verlengen van het recht van erfpacht op het perceel waarop de woning is gebouwd. Hieraan heeft het Gerecht ten grondslag gelegd dat het recht van erfpacht vervallen was.

Zoals het Gerecht heeft overwogen, was het in het belang van de boedel dat het recht van erfpacht zou worden verlengd. Daarmee diende dat het belang van alle procespartijen. Daarom verenigt het Hof zich met deze beslissing van het Gerecht. Hierbij kan in het midden blijven aan wie het ligt dat het recht van erfpacht vervallen is en ook aan wie het ligt dat Domeinbeheer kennelijk op enig moment [appellant 1] heeft verward met de vader, die dezelfde naam heeft.

Salaris voor de gemachtigde

Het Gerecht heeft geoordeeld dat de proceskosten ten laste van de nalatenschap dienen te komen en daarbij het salaris voor de gemachtigden van [geïntimeerde 1] c.s. begroot op Cg 2.500.

Het Hof verenigt zich met de beslissing om de proceskosten ten laste van de nalatenschap te brengen, zodat iedere procespartij er een gelijk aandeel in heeft. Het Hof verenigt zich ook met de begroting van het salaris voor de gemachtigden. Het bedrag is kennelijk berekend als twee punten naar tarief 5. Dat is in overeenstemming met de forfaitaire regeling van art. 136 Procesreglement 2023. Er is geen reden om af te wijken van die regeling.

Schorsing tenuitvoerlegging

In het dossier bevindt zich een geschrift van [appellant 1] c.s. van 9 januari 2026, ingediend op 12 januari 2026, waarin zij hebben verzocht om een “vrijwillige opschorting” van het vonnis. De griffie heeft dit geschrift niet herkend als een vordering ex art. 272 Rv tot schorsing van de tenuitvoerlegging. Het geschrift voldoet ook niet aan de eisen van art. 110 Procesreglement 2023. Aangezien nu een eindvonnis in hoger beroep wordt gewezen, is dat nu niet meer van belang.

Verdere verweren

[appellant 1] c.s. hebben nog aangevoerd (onder meer):

a. [appellant 1] heeft niet de toegang tot de woning geweigerd aan een taxateur;

b. [appellant 1] heeft zijn broers en zussen nooit de toegang tot de woning ontzegd;

c. er bestaan ook geschillen over een boedelscheiding in verband met een woning aan het adres [adres].

d. [geïntimeerde 1] heeft ook in de woning gewoond. Zij heeft geen bijdrage geleverd aan het aflossen van de schulden in de nalatenschappen. Zij is op enig moment met de noorderzon vertrokken en heeft gedurende een bepaalde periode daarna niets van zich laten horen.

Deze stellingen van [appellant 1] c.s. behoeven geen bespreking, omdat zij niet tot een ander oordeel kunnen leiden over de toewijsbaarheid van de vorderingen. Ook hetgeen [appellant 1] c.s. verder nog hebben aangevoerd, behoeft geen bespreking.

Slotsom

Het hoger beroep faalt. De proceskosten in hoger beroep zullen net als de proceskosten in eerste aanleg worden gecompenseerd door ze ten laste van de nalatenschap te brengen. Deze kosten worden aan de zijde van [appellant 1] c.s. tot op heden begroot op Cg 1.500,00 aan griffierecht en Cg 329,50 aan explootkosten en aan de zijde van [geïntimeerde 1] c.s. op Cg 313,50 aan explootkosten en Cg 5.000 aan salaris voor de gemachtigden.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

bevestigt het vonnis waarvan beroep;

compenseert de proceskosten in hoger beroep tussen partijen aldus dat die ten laste van de nalatenschappen dienen te worden gebracht;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, C.G. ter Veer en

R. Prakke-Nieuwenhuizen, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken

op 27 oktober 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand