ECLI:NL:OGHACMB:2026:305

ECLI:NL:OGHACMB:2026:305

Instantie Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak 02-06-2026
Datum publicatie 03-11-2026
Zaaknummer CUR2025H00153
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Curaçao. Boedelscheiding.tussenvonnis voor uitlating alimentatie en pensioenaanspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2026

Registratienummer: CUR202302998 – CUR2025H00153

Uitspraak: 2 juni 2026

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak van:

[appellant],

wonend in [woonplaats],

in eerste aanleg gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

thans appellant,

gemachtigde: mr. A.C. Small,

tegen

[geïntimeerde],

wonend in [woonplaats],

in eerste aanleg eiseres in conventie, gedaagde in reconventie,

thans geïntimeerde,

procederend in persoon.

Partijen worden hierna de man en de vrouw genoemd.

1. Het verloop van de procedure

Bij op 9 juni 2025 ingekomen akte van appel is de man in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 28 april 2025 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht).

Bij op 21 juli 2025 ingekomen memorie van grieven, met producties, heeft de man drie grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof uitvoerbaar bij voorraad het bestreden vonnis zal vernietigen en de vrouw niet ontvankelijk zal verklaren wegens gebrek aan belang, althans haar vordering zal afwijzen, en opnieuw rechtdoende de vordering van de man zal toewijzen en de beschikking van 28 maart 2006 waarbij partneralimentatie is vastgesteld zal wijzigen in die zin dat de verplichting tot betaling van alimentatie wordt beëindigd per 28 maart 2006, althans 19 april 2006, althans per een door het Hof in goede justitie te bepalen datum.

De vrouw heeft geen memorie van antwoord ingediend.

Het mondeling pleidooi heeft plaatsgevonden op 21 april 2026 in het Gerechtsgebouw in Curaçao. Aanwezig waren de man, bijgestaan door zijn gemachtigde en de vrouw in persoon. Partijen hebben het woord gevoerd, waarbij de gemachtigde van de man en de man zelf pleitnotities hebben overgelegd. Ook zijn vragen van het Hof beantwoord.

Vonnis is gevraagd en bepaald op vandaag.

2. De feiten

Partijen zijn op 16 juni 1980 in Nederland binnen gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd.

De echtscheiding is bij beschikking van het Gerecht van 28 maart 2006 uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

De vrouw is na de echtscheiding in de echtelijke woning aan de [adres] (hierna: de woning) blijven wonen. De man woont daar sinds 2002 niet meer.

3. De procedure bij het Gerecht

De vrouw heeft in conventie gevorderd -samengevat- dat de verdeling van de gemeenschap wordt vastgesteld met bepaling dat bij weigering van de man om mee te werken het vonnis in de plaats treedt van die medewerking. De man heeft in reconventie gevorderd -samengevat en na wijziging van eis- een verklaring voor recht dat de vrouw aan de man verschuldigd is een bedrag van Cg 301.758,81 en dat dit bedrag moet worden meegenomen bij de verdeling van de boedel, te bepalen dat de echtelijke woning aan de man wordt toebedeeld en bij onvoldoende medewerking het vonnis in de plaats treedt van die medewerking, en te bepalen dat de kosten van de overdracht en openstaande hypotheek voor rekening van de vrouw komen. Ook heeft de man gesteld dat hij te veel aan alimentatie heeft betaald omdat hij niet bekend was met de wettelijke maximale duur van 12 jaar. Hij vordert verrekening van de te veel betaalde alimentatiegelden.

Het Gerecht heeft bij het bestreden vonnis de wijze van verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap vastgesteld als volgt. Aan de vrouw wordt toebedeeld:

a. de echtelijke woning aan de [adres];

b. de inboedel daarin (met uitzondering van de persoonlijke spullen van de man, zoals foto’s en glasstukken van zijn moeder);

c. de auto van het merk [automerk] [model], bouwjaar 1990.

Het Gerecht heeft de vrouw veroordeeld tot betaling wegens overbedeling aan de man van een bedrag van Cg 319.024,81, partijen bevolen tot medewerking aan de notariële akte van verdeling en levering, waarvan zij elk de helft van de kosten voor hun rekening moeten nemen, en bepaald dat het vonnis in de plaats treedt indien een van partijen zijn medewerking niet verleent.

Het Gerecht heeft de overige vorderingen van partijen afgewezen.

4. De beoordeling

Samenstelling/omvang van de gemeenschap en peildatum daarvoor

Beide partijen wensen een verdeling van de gemeenschap. Het Gerecht heeft in het bestreden vonnis overwogen dat als peildatum voor de omvang van de gemeenschap wordt aangemerkt 28 maart 2006 (r.ov 4.5). Het Gerecht heeft verder overwogen dat tot de gemeenschap behoort de woning, de inboedel en een auto van het merk [automerk] [model] van het bouwjaar 1990 (hierna: de auto) (r.ov 4.6). Tegen deze overwegingen hebben partijen geen bezwaren aangevoerd zodat ook het Hof uitgaat van voormelde peildatum en samenstelling van de gemeenschap.

De woning

Het Gerecht heeft de woning toegedeeld aan de vrouw tegen een waarde van Cg 410.000,- en vastgesteld dat de vrouw overbedeeld is voor een bedrag van Cg 205.000,-. Hiertegen richt zich de eerste grief van de man. De man meent dat de vrouw niet heeft aangetoond dat zij financieel is staat is hem uit te kopen. Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is dat inderdaad niet aannemelijk geworden. Evenmin is aannemelijk geworden dat de man, bij toebedeling van de woning aan hem, de vrouw kan uitkopen. Het Hof is daarom voornemens om te bepalen dat de woning moet worden verkocht aan een derde waarna aan ieder van partijen in beginsel de helft van de verkoopopbrengst toekomt, waarmee zo nodig andere vorderingen over en weer verrekend kunnen worden.

Door de man betaalde woonlasten en onroerendezaakbelasting

Het Gerecht heeft onder 4.7 van het bestreden vonnis overwogen dat de vrouw aan de man moet betalen de helft van de woonlasten die de man na de peildatum is blijven voldoen. Dat betreft een bedrag van Cg 134.308,41. Hiertegen hebben partijen geen bezwaren aangevoerd. Ook het Hof gaat van dit bedrag uit. Dit bedrag zal op het deel van de verkoopopbrengst van de vrouw in mindering gebracht moeten worden. Hetzelfde geldt voor de door de man betaalde onroerendezaakbelasting, waarbij het aandeel van de vrouw wordt bepaald op Cg 5.290,-.

Gebruiksvergoeding

Het Gerecht heeft overwogen dat de door de vrouw te betalen gebruiksvergoeding wordt vastgesteld op 2% van de marktwaarde hetgeen zou neerkomen op een bedrag van Cg 75.508,33. Het Gerecht heeft de gebruiksvergoeding vervolgens gematigd tot Cg 50.000,- gelet op de zeer lange duur van het gebruik sinds de peildatum en het feit dat de man dit nu pas in deze procedure vordert. De man heeft geen grief aangevoerd tegen voormeld percentage en het bedrag van Cg 75.508,33, maar wel tegen de toegepaste matiging. De grief slaagt. Het Hof is van oordeel dat er geen dan wel onvoldoende feiten en of omstandigheden zijn gesteld of gebleken die naar maatstaven ven redelijkheid en billijkheid nopen tot matiging. Het Hof ziet geen aanleiding om de door de vrouw verschuldigde gebruiksvergoeding te matigen. De vrouw is aan de man verschuldigd een gebruiksvergoeding van 2% per jaar van de marktwaarde van Cg 410.000,- tot aan het moment dat zij de woning verlaat. Gezien de door de man niet weersproken stelling van de vrouw dat zij op dit moment niet in staat is om een gebruiksvergoeding te betalen, ziet het Hof op basis van de redelijkheid grond om te bepalen dat deze gebruiksvergoeding pas opeisbaar wordt nadat de echtelijke woning is verkocht en geleverd.

Alimentatie

Met het Gerecht is het Hof van oordeel dat ingevolge artikel 25 van de Landsverordening Overgangsrecht Nieuw Burgerlijk Wetboek, artikel 4:157 lid 4 BW niet geldt voor huwelijken gesloten in 1980, zoals het huwelijk van partijen. Voor de man geldt dus geen maximale termijn voor wat betreft zijn verplichting tot het betalen van alimentatie. Deze verplichting is dus ook na 2022, het jaar waarin de man is gestopt met betalen, blijven doorlopen. Anders dan de man stelt, vormt het feit dat het huwelijk in Nederland is gesloten geen grond om (uitsluitend) wat betreft de duur van zijn alimentatieverplichting Nederlands recht toe te passen. Maatstaven van redelijkheid en billijkheid en gewijzigde maatschappelijke opvattingen (als daarvan al sprake is) vormen geen zelfstandige bron van ontstaan of tenietgaan van de wettelijke verplichting van de man om alimentatie te blijven betalen. De aldus achterstallige alimentatie komt in beginsel in aanmerking voor verrekening, daarover kunnen partijen zich op de hieronder te noemen wijze uitlaten.

Pensioenaanspraak van de vrouw

Het Gerecht heeft overwogen dat de vrouw vorderingen op de man heeft ter zake pensioenuitkeringen van Cg 69.657,90. Ter zitting heeft de man aangevoerd dat partijen de pensioenaanspraak van de vrouw hebben verrekend met de door haar verschuldigde gebruiksvergoeding. Het betreft het pensioen van zijn voormalige werkgever. De vrouw stelt zich op het standpunt dat zij aanspraak kan maken op de helft van het ouderdomspensioen van de man. Het Hof behoeft de volgende nadere inlichtingen over de door de man gestelde afspraak, alvorens verdere beslissingen te nemen. Wanneer is de afspraak gemaakt en wat is er precies afgesproken? Is dat doorgegeven aan het pensioenfonds en zo ja wat was de reactie? Wat is de hoogte van de pensioenaanspraak en per wanneer zou er verrekend worden? Is er verdere informatie over deze afspraak die voor het Hof van belang is?

De zaak wordt verwezen naar de rol van 30 juni a.s. voor akte uitlating zijdens partijen. Het Hof verzoekt partijen hun akte uiterlijk 25 juni a.s. op voorhand naar de wederpartij testuren zodat partijen op elkaars akte kunnen reageren.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5. DE B E S L I S S I N G

Het Hof:

verwijst de zaak naar de rol van 30 juni 2026 voor akte uitlating zijdens partijen als bedoeld onder 4.5, 4.6 en 4.7;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. E.A. Saleh, E.M. van der Bunt en E.P. van Unen, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 2 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand