Zaaknummer: H-100/24
Parketnummer: 810.00001/21
Uitspraak: 26 februari 2026
Tegenspraak
Verkort vonnis gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het gerecht) van 3 juli 2024 in de strafzaak tegen de verdachte (hierna: verdachte):
[verdachte],
geboren op [datum] 1959 op [land],
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,
opgevende woonachtig te zijn in [stad] [(land)].
Omvang van het hoger beroep
Het gerecht heeft verdachte bij vonnis vrijgesproken van hetgeen hem onder feit 1, 2 en onder feit 3 onder B is ten laste gelegd en veroordeeld voor het onder feit 3 onder A ten eerste ten laste gelegde feit te weten: het medeplegen van het (opzettelijk) valselijk opmaken of vervalsen van een leenovereenkomst tussen [medepleger] en hemzelf (artikel 230 eerste lid (oud) en artikel 2:184 eerste lid WvSr). Het Gerecht heeft verdachte vrijgesproken van het onder feit 3A impliciet cumulatief ten laste gelegde te weten: het opzettelijk gebruikmaken van die valse en of vervalste leenovereenkomst (artikel 230 tweede lid (oud) en artikel 2:184 tweede lid WvSr).
Blijkens de appelakte is het hoger beroep door verdachte ingesteld ten aanzien van hetgeen hem onder feit 3 onder A wordt verweten. Nu verdachte partieel van dit feit is vrijgesproken, is het hoger beroep van verdachte daarom ook gericht tegen deze in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Er staat voor verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal verdachte daarom ten aanzien van het opzettelijk gebruikmaken van een vals of vervalst geschrift niet ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep.
Onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep van 15 januari 2026.
Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureurs-generaal mrs. S. Verheijen en R.J. Boswijk (hierna: de procureur-generaal) en van hetgeen door verdachte en zijn raadslieden, mrs. N. van der Laan, J.C. Dekkers en M.F. Murray (hierna: de verdediging), naar voren is gebracht.
Tenlastelegging
Aan verdachte is voor zover inhoudelijk nog aan het oordeel van het hof onderworpen ten laste gelegd dat:
Feit 3 onder A ten eerste
hij op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 20 mei 2009 tot en met 24 januari 2017 te Curaçao en/of de Nederlandse Antillen en/of Venezuela en/of de Verenigde Staten van Amerika, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
A.
- een leenovereenkomst tussen [bedrijf] en/of [medepleger]en [verdachte] ten bedrage van USD 400.161,45, gedateerd 20 mei 2009 (D-152),
zijnde een geschrift waaruit enig recht en/of enige verbintenis en/of enige bevrijding van schuld kan ontstaan en/of dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen,
opzettelijk valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst, althans valselijk heeft doen opmaken en/ of doen vervalsen met het oogmerk om dit geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en/of door een ander te doen gebruiken (terwijl uit dat gebruik enig nadeel kon ontstaan),
bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat met/in die leenovereenkomst valselijk en in strijd met de waarheid is voorgewend en/of opgenomen dat:
- deze leenovereenkomst is overeengekomen overwegende dat [betrokkene]een faciliteit zou behoeven ter voorziening in haar liquiditeitsbehoefte in het kader van de voorbereidende werkzaamheden van [bedrijf].
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze (cursief) verbeterd lezen. Verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep, voor zover nog inhoudelijk aan het oordeel van het hof onderworpen, kan niet in stand blijven reeds omdat het Hof deels tot andere beslissingen komt dan het Gerecht in eerste aanleg.
Bewezenverklaring
Het Hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte onder 3 onder A ten eerste ten laste gelegde heeft begaan met dien verstande dat:
hij op een of meer tijdstippen in de periode van 20 mei 2009 tot 04 oktober 2016 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander een leenovereenkomst tussen [bedrijf] en [medepleger] en [verdachte], ten bedrage van USD 400.161,45, gedateerd 20 mei 2009, zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, opzettelijk valselijk heeft opgemaakt of valselijk heeft doen opmaken, met het oogmerk om dit geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of doen gebruiken, terwijl uit dat gebruik enig nadeel kon ontstaan, (het Hof begrijpt: voor de periode tot 15 november 2011) bestaande die valsheid hierin dat in deze leenovereenkomst valselijk en in strijd met de waarheid is opgenomen dat deze overeenkomst is overeengekomen overwegende dat [betrokkene]een faciliteit zou behoeven ter voorziening in haar liquiditeitsbehoefte in het kader van de voorbereidende werkzaamheden van [bedrijf].
Hetgeen onder feit 3 A ten eerste meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.
Het hof grondt zijn overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit vonnis.
Ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde formele verweren
De verdediging heeft in hoger beroep de verweren gevoerd die in zijn pleitnotities die hij aan het Hof heeft overgelegd zijn opgenomen en begrijpt die verweren aldus.
De verdediging heeft in hoger beroep als eerste aangevoerd dat er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het opsporingsonderzoek op grond waarvan het hele dossier en in ieder geval de verklaringen van [medepleger] voor het bewijs uitgesloten dienen te worden. Daartoe is herhaald hetgeen de verdediging in eerste aanleg heeft aangevoerd dat de totstandkoming van het dossier en de hele gang van zaken vanaf de start en doorstart van het onderzoek Saffier en Hercules tot aan de vervolgingsbeslissing van [verdachte] dusdanig gebrekkig, niet integer en onvolledig is geweest dat niet van de juistheid en de volledigheid van het dossier kan worden uitgegaan. De verdediging heeft haar stellingen in de pleitnotitie nader toegelicht en concludeert:
A.
Er is sprake van een politiek motief om [verdachte] te onderzoeken en de samenstelling van het dossier getuigt van kokervisie, vooringenomenheid en handelen in strijd met de onschuldpresumptie en geheimhoudingsplicht bij het openbaar ministerie en het recherche samenwerkingsteam (RST).
B.
De verhouding tussen de opsporingsonderzoeken Saffier en Hercules zijn jarenlang diffuus geweest waardoor het openbaar ministerie lange tijd heeft geweigerd de verdediging inzage in het dossier Saffier te geven. Uiteindelijk is die inzage er wel geweest, dankzij de niet aflatende inspanningen van de verdediging. Hieruit bleek dat er geen enkel bewijs was dat een doorstart van het opsporingsonderzoek Hercules in 2019 in verband met de verdenking van corruptie tegen [verdachte] rechtvaardigde, zodat die doorstart lijkt te zijn ingegeven door de wens van het openbaar ministerie om [verdachte] te veroordelen. Ten slotte is er de sprake van ontoelaatbare druk of “afdreiging” door de zaaksofficier van justitie op [medepleger] om afstand te nemen van zijn eerdere ontlastende verklaringen en belastend te verklaren over [verdachte].
Deze handelwijze van het RST en het openbaar ministerie leveren op een vormverzuim dat niet meer kan worden hersteld en dat de bruikbaarheid van het hele dossier en dat van de verklaringen van [medepleger] in het bijzonder raakt. De verdediging verzoekt om die reden:
Standpunt openbaar ministerie
De procureur-generaal heeft in het requisitoir naar voren gebracht dat het openbaar ministerie altijd transparant is geweest over het feit dat het onderzoek naar verdenking van corruptie van de verdachte nog doorliep en feiten en omstandigheden genoemd die daarbij voor het openbaar ministerie van belang zijn geweest. Ten aanzien van de ‘afdreiging’ van [medepleger] heeft de procureur-generaal zich op het standpunt gesteld dat er soms een scherpe ondervraging plaatsvindt, maar dat het te ver voert om het handelen van de officier van justitie als ongeoorloofd of zelfs als ‘afdreiging’ te kwalificeren.
Beoordeling Hof
Het Hof overweegt omtrent de verweren als volgt.
Het Hof stelt bij het bespreken van deze verweren het volgende voorop. Verdachte is langdurig onderwerp geweest van opsporingsonderzoek terzake van verdenking van betrokkenheid bij meerdere strafbare feiten. Aanvankelijk in onderzoek Saffier en later ook in onderzoek Hercules. In onderzoek Saffier, kwam een getuige in 2016 bij het RST met de overeenkomst die staat genoemd in het tenlastegelegde feit 3 onder A, welk feit thans nog aan het oordeel van het Hof is onderworpen. De getuige verklaarde daarbij dat zij het document kort daarvoor had ontvangen van [medepleger] en dat de inhoud van de overeenkomst haar niets zei. Ze wist niet of ze het document eerder had gezien. [medepleger] heeft op 5 april 2018 hierover verklaard dat hij het document al die tijd thuis had liggen.
Verdachte is eerder, op basis van resultaten van het onderzoek Saffier, vervolgd terzake van verdenking van belastingfraude. Hij is daar zowel in eerste aanleg als in hoger beroep van vrijgesproken. Uit het dossier blijkt dat het openbaar ministerie in 2017 had besloten om verdachte voor dat feit te vervolgen omdat het van oordeel was dat daarvoor voldoende bewijs was. Ten aanzien van de verdenking van betrokkenheid bij andere strafbare feiten, heeft het openbaar ministerie blijkens het onderzoek ter terechtzitting meer tijd genomen om nader onderzoek te doen en om die reden is het onderzoek naar de verdenking van corruptie en valsheid in geschrift (afgesplitst en) verder gegaan onder de naam Hercules.
Dat heeft geresulteerd in een dagvaarding met meerdere strafbare feiten, waaronder de verdenking van corruptie en valsheid in geschrift. Van de feiten 1 en 2 en een deel van feit 3 is de verdachte vrijgesproken en die feiten liggen dan ook niet meer aan het oordeel van het Hof voor.
Gestelde normschendingen als bedoeld in artikel 413Sv die in het voorbereidend onderzoek zouden zijn ontstaan, dienen naar het oordeel van het Hof primair in het licht van dit (overgebleven) tenlastegelegde feit te worden bezien. Het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 413Sv heeft immers, zo neemt het Hof als uitgangspunt, uitsluitend betrekking op het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte ter zake van het aan hem tenlastegelegde feit waarover de rechter die in artikel 413Sv wordt bedoeld, heeft te oordelen.
Dat betekent dat stellingen en verweren die in de kern genomen verband zouden houden met de eerdere verdenkingen van belastingfraude en corruptie, nu geen bespreking (meer) behoeven. Die verdenkingen zijn reeds eerder aan het oordeel van het Gerecht (en het Hof) onderworpen geweest en zijn niet meer aan de orde. De stellingen dienaangaande raken op zichzelf niet (direct) het opsporingsonderzoek naar de verdenking terzake valsheid in geschrifte zoals ten laste gelegd en thans nog aan de orde. Dat de onderhavige verdenking uit de met die andere feiten samenhangende onderzoeken is voortgekomen, maakt dat niet anders.
Het één en ander zou anders kunnen zijn indien sprake zou zijn geweest van onregelmatigheden (normschendingen) in het voorbereidend onderzoek naar andere feiten die van bepalende invloed zijn geweest op het verloop van het onderzoek naar en/of verdere vervolging van de verdachte terzake van de tenlastegelegde valsheid in geschrift.
Het Hof is van oordeel dat dat niet aannemelijk is gemaakt en ook overigens niet geworden.
Het Hof overweegt overigens nog als volgt.
Meer specifiek ten aanzien van A.
Het Hof ziet in hetgeen de verdediging in hoger beroep naar voren heeft gebracht, geen concrete aanknopingspunten dat sprake is geweest van een politiek motief om de verdachte te vervolgen terzake valsheid in geschrift. Concrete aanknopingspunten terzake de gestelde kokervisie, vooringenomenheid, schending van de onschuldpresumptie of schending van geheimhoudingsplicht zijn evenmin naar voren gebracht en acht het Hof, mede gezien hetgeen de procureur-generaal in het requisitoir naar voren heeft gebracht, ook overigens niet aannemelijk geworden.
Meer specifiek ten aanzien van B
Zoals hiervoor beschreven, is de overeenkomst van 2009 die thans voorligt, in 2016 onder de aandacht gekomen van het opsporingsteam. Concrete aanknopingspunten voor het tegendeel, heeft het Hof niet gezien. De verdediging heeft inzage kunnen krijgen in de resultaten van het onderzoek Saffier zoals verzocht. Dat er naar het oordeel van de verdediging geen rechtvaardiging was om door te gaan met onderzoek naar vermeende corruptie en dat die doorstart lijkt te zijn ingegeven door de wens van het openbaar ministerie om [verdachte] te veroordelen, volgt het Hof niet. Het Hof is met het Gerecht van oordeel dat uit het dossier (zaaksdossier Hercules) genoegzaam blijkt dat het openbaar ministerie reeds in 2017 te kennen had gegeven nader onderzoek te doen en dat daarna nog een vervolgingsbeslissing zou volgen, anders dan, zo begrijpt het Hof de vervolgingsbeslissing terzake de verdenking van belastingfraude. In 2019 is het onderzoek verder gegaan onder de naam Hercules.
Het Hof ziet hierin geen aanknopingspunten die de conclusie rechtvaardigen dat slechts is verder gegaan vanuit een wens om [verdachte] hoe dan ook te vervolgen.
Ten aanzien van de vermeende afdreiging van [medepleger] geldt dat het Hof de verklaringen van [medepleger] die hij na die vermeende afdreiging heeft afgelegd niet voor het bewijs gebruikt en laat de verweren dienaangaande verder onbesproken. De verdachte wordt daardoor niet in zijn belangen geschaad
Uitsluiting gehele dossier
Naar het Hof begrijpt, komt dit verweer er op neer dat alle resultaten van het opsporingsonderzoek dienen te worden uitgesloten van het bewijs.
De verdediging heeft (uiteindelijk) na verzoek daartoe inzage gekregen in onderzoek Saffier en er zijn naar aanleiding daarvan stukken toegevoegd aan het onderhavige dossier. Ook overigens is aan de verdediging ruimschoots de mogelijkheid geboden om stukken toe te voegen aan het dossier, hetgeen ook is gebeurd. Dat de verdediging en het openbaar ministerie een andere mening waren toegedaan ten aanzien van de vervolging van diverse strafbare feiten, kan zo zijn, maar dat maakt niet dat het hele dossier onbruikbaar is (alle resultaten van de opsporingsonderzoeken onbruikbaar zijn) ten aanzien van het tenlastegelegde feit dat thans voorligt. Het Hof ziet in hetgeen de verdediging heeft betoogd geen grond voor algehele uitsluiting van de resultaten van het opsporingsonderzoek voor zover die zien op de valsheid in geschrift.
Gesteld noch gebleken is dat de bewijsvergaring ten aanzien van de tenlastegelegde valsheid in geschrift onrechtmatig is geweest.
Uitsluiting verklaringen [medepleger]
In de kern genomen is het standpunt van de verdediging (zo begrijpt het Hof) dat de verklaringen van [medepleger]dienen te worden uitgesloten van het bewijs, vanwege vermeende afdreiging door de officier van justitie jegens [medepleger]. Deze zou zich hebben voorgedaan in 2019. Zoals reeds aangegeven, zal het Hof de nadien afgelegde verklaringen niet voor het bewijs gebruiken.
Dat de voorafgaand aan deze situatie afgelegde verklaringen onbetrouwbaar zouden zijn, is niet nader onderbouwd, in tegendeel. De verdediging heeft bij pleidooi (onder punt 54) aangegeven dat er geen bewijs is dat de verklaringen van [medepleger] voorafgaand aan de vermeende afdreiging leugenachtig waren. Het Hof ziet voor onbetrouwbaarheid van de eerdere verklaringen van [medepleger] (waaronder de verklaring afgelegd in 2018) ook geen grond. Het Hof heeft de verklaringen gewogen in het licht van hetgeen overigens in het dossier aanwezig is.
De verweren worden verworpen.
bewijsoverwegingen
De verdediging heeft verzocht verdachte, bij gebrek aan bewijs, vrij te spreken van het ten laste gelegde feit (opmaken van een valse leenovereenkomst). In die overeenkomst is als inleidende overweging de zinsnede opgenomen dat het geldbedrag van ruim 4 ton bestemd was voor de liquiditeitsbehoefte van [betrokkene] in verband met haar werkzaamheden voor het opstarten van het bedrijf [bedrijf]. De omstandigheid dat achteraf deze 4 ton niet naar [betrokkene] is overgemaakt, maar naar verdachte maakt de overeenkomst niet vals. Daarvoor was namelijk een goede reden, te weten dat het terugbetalingen van [betrokkene] aan [verdachte] van eerdere door hem voor haar gedane betalingen van diverse schulden en andere kosten betrof. Een en ander is in het schriftelijk pleidooi nader toegelicht en zal hierna voor zover nodig nader worden besproken.
Standpunt procureur-generaal
De procureur-generaal heeft in het requisitoir naar voren gebracht dat het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.
Beoordeling Hof
Het Hof overweegt als volgt.
Naar het oordeel van het Hof is er wel degelijk sprake van valsheid in geschrift.
Vastgestelde feiten
Het Hof stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting en evenals het Gerecht, het volgende vast. Deze feiten en omstandigheden zijn op zichzelf niet betwist door de verdediging.
Op 12 maart 2009 heeft [medepleger] (de inmiddels onherroepelijk veroordeelde medeverdachte terzake van het tenlastegelegde feit) [bedrijf] opgericht.Op 14 oktober 2009 is de naam van de vennootschap gewijzigd in [bedrijf]. Omwille van de leesbaarheid zal het Hof, net als het Gerecht, hierna voornamelijk de naam [bedrijf] gebruiken, ook indien feitelijke handelingen zijn verricht door of namens de naamloze vennootschap [bedrijf].
Banco di Caribe (hierna: BdC) heeft op 28 mei 2009 een krediet van vier ton dollar verstrekt aan de dan net opgerichte onderneming [bedrijf]. Diezelfde dag is door de bank bedoeld geldbedrag niet overgemaakt naar de bankrekening van [bedrijf] maar direct naar de buitenlandse bankrekening van verdachte (een pensioenrekening). Op 3 juni 2009 is de bankrekening van [bedrijf] belast voor dit bedrag plus de bankkosten a 161,45 dollar, waardoor het bedrijf direct een debet ter hoogte van 400.161,45 dollar had. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt voorts – en dit is door verdachte ter zitting in hoger beroep ook erkend - dat kort na het overmaken van de vier ton dollar op zijn pensioenrekening, een bedrag van 300.000 dollar is doorgestort naar een rentedragende beleggingsrekening van verdachte en 52.000 dollar naar een creditcard-rekening van verdachte ter aflossing van een schuld.
[bedrijf], in de persoon van [medepleger], en verdachte hebben samen een leenovereenkomst opgesteld waarin is overeengekomen dat een geldbedrag van USD 400.000,-- en de dan nog te maken bankkosten van USD 161,45 aan verdachte worden uitgeleend. Die overeenkomst vermeldt als datum 20 mei 2009. Dus nog voordat het bedrijf bij de bank een krediet had verkregen werd volgens de overeenkomst overeengekomen dat het bedrag werd “uitgeleend” aan verdachte, “ten behoeve van de liquiditeitsbehoefte van [betrokkene] (destijds de verloofde van verdachte) voor het opstarten van het bedrijf [bedrijf].”
Te beoordelen vraag
De vraag waarvoor het Hof zich gesteld ziet, is of de inhoud van de overeenkomst overeenstemt met de werkelijkheid (de zogenaamde intellectuele inhoud). Met andere woorden; was het overeengekomen bedrag daadwerkelijk bedoeld voor een lening aan de verdachte in verband met de gestelde liquiditeitsbehoefte van [betrokkene] in het kader van voorbereidende werkzaamheden voor [bedrijf]?
Het Hof heeft dat laatste niet kunnen vaststellen. In tegendeel: uit de geschetste vaststellingen van de feiten leidt het Hof af dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte bij het opstellen van de overeenkomst wist dat het geleende bedrag niet (direct) ten goede zou komen aan [betrokkene] ten behoeve van een liquiditeitsbehoefte in het kader van het opstarten van [bedrijf], doch dat het bedrag van 400.000 dollar op zijn eigen buitenlandse bankrekening zou worden gestort. Dat hij aanzienlijke delen van het bedrag vervolgens vrijwel direct doorstortte naar andere aan hemzelf toebehorende rekeningen, sterkt het Hof in de overtuiging. Het (impliciete) opzet op het vervalsen door middel van het voorstellen van een onjuiste voorstelling van zaken is daarmee naar het oordeel van het Hof een gegeven.
Moment(en) van opmaken overeenkomst en mogelijk ‘nadeel’
Het Hof kan op basis van het dossier niet met zekerheid vaststellen of de overeenkomst op 20 mei 2009 is opgesteld en ondertekend. De verdachte zelf weet het niet precies meer. Wel is duidelijk dat het document in 2016 bij het opsporingsteam onder de aandacht is gekomen.
De verdediging heeft bij pleidooi (punt 143 e.v.) naar voren gebracht dat in een overweging van het Gerecht - ten onrechte - besloten zou liggen dat er van wordt uitgegaan dat de overeenkomst geantedateerd zou zijn geweest. Het Hof laat dat in het midden en acht het voor de bewezenverklaring niet van belang. Het verweer wordt daarom niet verder besproken. De verdachte wordt daardoor niet in zijn belangen geschaad.
Het Hof gaat er van uit dat de overeenkomst hoe dan ook op een (of meerdere) moment(en) in de periode van 20 mei 2009 en 4 oktober 2016 (valselijk) zal zijn opgemaakt en ondertekend.
Tot 15 november 2011 bevatte de wet als delictsomschrijving dat hij die een geschrift (...) dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk opmaakt of vervalst, met oogmerk om het als echt en onvervalst te (doen) gebruiken, indien uit dat gebruik enig nadeel kan ontstaan, wordt gestraft etc... Dat betekent dat als de overeenkomst voor die datum tot stand is gekomen, ook beoordeeld dient te worden of uit gebruik van de overeenkomst enig nadeel kon ontstaan.
De verdediging heeft betoogd dat niet blijkt welk nadeel door een eventuele onduidelijke of onjuiste inleidende overweging zou kunnen zijn ontstaan en dat ook daarom vrijspraak moet volgen.
Het Hof overweegt dat van belang is dat de wet spreekt over enig nadeel dat kan ontstaan. Zoals hiervoor overwogen door het Hof strookt de inhoud van de overeenkomst niet met de werkelijkheid. [betrokkene] was in werkelijkheid niet de begunstigde van het ‘uitgeleende’ bedrag. Alleen al hierdoor kon bij gebruikmaking van de valse overeenkomst aldus nadeel ontstaan. Het Hof is voorts van oordeel dat het voorspiegelen van een onjuiste gang van zaken in een document dat voor bewijs kan dienen, zoals hier is gebeurd, nadelig kan zijn voor het vertrouwen dat kan (en moet kunnen) worden gesteld in overeenkomsten zoals de onderhavige, te meer indien deze is ondertekend door een (destijds) president van een centrale bank, zoals hier aan de orde. Het kan schadelijk zijn voor (het vertrouwen in) de integriteit van het betalingsverkeer.
Ten aanzien van overige gevoerde bewijsverweren
De verweren van de verdediging leiden het Hof niet tot een ander oordeel. Daarover overweegt het Hof als volgt.
De verdediging stelt dat het hier ging om een legitieme leenovereenkomst tussen verdachte en [bedrijf/medepleger] en dat dit geld met medeweten van [betrokkene] direct naar verdachte is overgemaakt omdat zij hem dit geld schuldig was omdat hij in het verleden, dus voor het opmaken van deze leenovereenkomst op 20 mei 2009, alsook daarna diverse schulden en zakelijke- en privékosten van [betrokkene] had betaald, zodat de lening ten behoeve van haar in feite een terugbetaling was aan hem. Het feit dat dit geld anders is besteed dan in de leenovereenkomst is vermeld, maakt de leenovereenkomst niet vals.
[betrokkene] heeft in haar eerste verklaring op 12 oktober 2016 bij de FBI– kort samengevat - gezegd dat zij nooit betrokken is geweest bij [bedrijf], dat zij van het bestaan van deze lening niet op de hoogte was en dat de bedragen die zij wel van [verdachte] heeft ontvangen een gift waren (Doc-H-074). Het hof leidt uit deze verklaring af dat het dus niet om betalingen ging die zij later moest terug betalen dan wel op andere wijze moesten worden verrekend.
Hoewel zij jaren later tegenover de rechter-commissaris in strafzaken deels anders heeft verklaard, blijft zij er ook dan bij dat zij niet weet wie de kredietfaciliteit – die kennelijk ten gunste van haar was verstrekt - bij de bank voor 400.000 dollar heeft aangevraagd. Zij in elk geval niet. Zij weet ook niet waarom dit bedrag naar de rekening van [verdachte] is overgemaakt als het voor de winkel [(bedrijf)] bestemd was.
Het hof acht de eerste verklaring van [betrokkene] betrouwbaar en heeft haar verklaringen met de nodige zorgvuldigheid en behoedzaamheid bezien, dit tegen de achtergrond van wat in de overige bewijsmiddelen staat.
Nu er geen enkel stuk of document in het dossier aanwezig is dat concrete aanknopingspunten biedt voor de stelling dat [betrokkene] van de leningsovereenkomst op de hoogte was en dat het geldbedrag daadwerkelijk voor haar liquiditeitsbehoefte in verband met haar werkzaamheden voor [bedrijf] bestemd was, verwerpt het Hof het verweer van de verdediging.
Het hof acht ook niet aannemelijk geworden dat de 400.000 dollar daadwerkelijk is gebruikt ten behoeve van het opstarten van [bedrijf] zoals betoogd. De beweerde diverse schulden en zakelijke- en privé kosten die [betrokkene] in het verleden en ook daarna zou hebben gemaakt, ten behoeve van de opstart van [bedrijf] is op geen enkele manier met objectieve bewijsstukken, zoals bijvoorbeeld facturen, betalingsbewijzen, bankafschriften, aankopen, schriftelijke opdrachten etc. van een feitelijke grondslag voorzien. Ook van betalingen door verdachte, die op enige wijze te koppelen zijn aan het opstarten van het bedrijf [bedrijf], is geen enkel bewijsstuk boven water gekomen. De verdachte heeft daarover ter zitting verklaard na al die jaren niet (meer) te (kunnen) beschikken over deze stukken. Daarbij komt dat het bestaan van deze lening in haar eerste verklaringen bij de FBI wordt weersproken door nota bene [betrokkene] zelf, ten behoeve van wie de lening zou zijn opgemaakt, terwijl verdachte ter zitting niet verder is gekomen dan dat hij de mondelinge afspraken met [betrokkene] over de terugbetaling aan hem niet heeft geformaliseerd of op papier gezet omdat hij “er geen behoefte aan had om de terugbetalingsverplichting van haar aan mij schriftelijk vast te leggen”. Ook is er geen enkele ondersteuning voor de stelling dat [betrokkene]op termijn eigenaar zou worden van [bedrijf].
Ter onderbouwing van de schulden en noden van [betrokkene] is weliswaar op enig moment door verdachte een memo overgelegd (DOC-H-131/[verdachte]-11), maar dat betreft een niet ondertekende, niet gedateerde schriftelijke notitie op briefpapier afkomstig van een hotel genaamd Pink Sands dat volgens de verdediging zou zijn opgemaakt ergens voor 1 mei 2008 en waarop volgens verdachte door [betrokkene] de geldbedragen zijn genoteerd die zij dacht nodig te hebben voor het opstarten van [bedrijf]. Deze notitie kan verdachte echter niet baten aangezien elke bewijswaarde van de inhoud van deze notitie ontbreekt. Deze notitie kan immers op elk moment op dit briefpapier zijn opgemaakt en bewijst derhalve niets. Overigens ziet het Hof niet in hoe in de notitie genoteerde omschrijvingen en de daarbij vermelde bedragen (zoals ‘mortgage apt. 2306 $2.900.00’, ‘second mortg $900.00’, ‘medical insurance $350.00’) verband zouden moeten houden met het opstarten van de winkels/de voorbereidende werkzaamheden van [bedrijf].
Dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte zelf gebruik heeft gemaakt van de valse overeenkomst, zoals door de verdediging naar voren gebracht, doet voor de beoordeling van het tenlastegelegde niet ter zake zodat het Hof het verweer op dit punt onbesproken laat. Verdachte wordt daardoor niet in zijn belangen geschaad.
De verweren worden verworpen.
Conclusie
Het Hof concludeert dat de verdachte – mogelijk zelfs op een andere datum (maar in ieder geval vóór 4 oktober 2016) dan in de overeenkomst staat vermeld – de leenovereenkomst samen met [medepleger] valselijk heeft opgemaakt en ondertekend om de schijn van legaliteit te geven aan het geldbedrag van ruim vier ton dollar dat aan de verdachte is overgemaakt. De materiele onjuistheid bestond erin dat het van de bank verkregen krediet zogenaamd ten behoeve van de start van [bedrijf] was, terwijl het geld (in strijd met die voorgestelde gang van zaken) direct ten goede van verdachte zelf is gekomen. Dat hij in 2011 dit geldbedrag en zelfs aanzienlijk meer heeft terugbetaald, maakt dit niet anders en heft de strafbaarheid van zijn handelen niet op.
Het Hof acht het feit wettig en overtuigend bewezen.
Ter terechtzitting gedane getuigenverzoeken en verzoeken tot nader onderzoek.
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep bij pleidooi gepersisteerd bij de eerder op de regiezitting gedane verzoeken, te weten.
A. Getuigenverzoeken
1. [zaaksofficier] [(hierna: zaaksofficier)], de zaaksofficier van justitie in het onderzoek Hercules teneinde helderheid te verschaffen over:
- de verhouding tussen het opsporingsonderzoek Hercules en Saffier en over het hoe en waarom van het doorstarten van de verdenking dat [verdachte] een corrupte betaling zou hebben aangenomen in 2006;
- de gang van zaken met betrekking tot de “afdreiging” van [medepleger] en de door hem naar aanleiding van die afdreiging afgelegde verklaring als verdachte op 13 mei 2019. Deze verklaring zou volgens de verdediging zijn afgelegd doordat de officier van justitie [medepleger] heeft gezegd dat als hij zijn eerdere verklaringen niet intrekt hij van zijn vrijheid zal worden beroofd.
2. [bankdirecteur] en de TBO rechercheur 16052.
De verklaring van [bankdirecteur] is opgenomen in een proces-verbaal van bevindingen van TBO rechercheur 16052 inhoudende dat de transactie is verricht op verzoek van [medepleger] omdat [bankrekening verdachte] volgens [medepleger] meubels en kleding had voorgefinancierd en het dus om een terugbetaling van voorgeschoten geld ging. Deze verklaring noopt tot het nader horen van [bankdirecteur], aldus de verdediging. De verbalisant die het proces-verbaal heeft opgemaakt moet gehoord worden over wat [bankdirecteur] exact heeft gezegd, onder welke omstandigheden en of dit uit eigen wetenschap van [bankdirecteur] was, dan wel een interpretatie van de hem verstrekte email uit 2009.
Overige onderzoekswensen
Bij pleidooi in hoger beroep gedaan voorwaardelijk verzoek tot het horen als getuige van [medepleger].
De verdediging heeft bij pleidooi in hoger beroep verzocht om het horen als getuige van [medepleger] indien het hof diens verklaring als bewijs gebruikt. Het belang is daarmee gegeven en evident, omdat [medepleger] partij is bij de ten laste gelegde leenovereenkomst en kan verklaren over de achtergrond en totstandkoming daarvan.
De procureur-generaal heeft betoogd dat de verzoeken dienen te worden afgewezen.
Het Hof overweegt over deze verzoeken als volgt.
A. Getuigenverzoeken
[zaaksofficier]
Het Hof stelt voorop dat het horen van een zaaks-officier van justitie als getuige niet snel in de rede ligt. Het openbaar ministerie legt immers in beginsel ter terechtzitting verantwoording af over de gang van zaken in het vooronderzoek. Naar het Hof begrijpt, wenst de verdediging hem te horen over de rechtmatigheid van het voorbereidend onderzoek, ter onderbouwing van een verweer als bedoeld in artikel 413Sv. Daarbij mag van de verdediging worden verlangd dat dat voldoende wordt onderbouwd.
Over de door de verdediging gegeven toelichting overweegt het Hof als volgt: hiervoor is het Hof bij de bespreking van de formele verweren al ingegaan op de verhouding tussen het dossier Saffier en Hercules en ook op de gestelde gang van zaken rond de vermeende afdreiging van [medepleger] door [zaaksofficier]. Het Hof ziet met verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen geen belang om [zaaksofficier] hierover nog nader te laten verklaren en wijst het verzoek daarom af. Verdachte is door het afzien van deze oproeping redelijkerwijs niet in zijn verdediging geschaad.
[bankdirecteur] en de TBO rechercheur 16052
Het verzoek tot het oproepen als getuige van [bankdirecteur] en de TBO rechercheur 16052 wordt eveneens afgewezen reeds omdat het Hof de verklaring van [bankdirecteur] niet voor het bewijs gebruikt. Het Hof ziet (in hetgeen door de verdediging is aangevoerd, maar ook anderszins) en in het licht van de op grond van de artikelen 392 en 394Sv te beantwoorden vragen geen belang tot het horen van [bankdirecteur] en de rechercheur. Op grond hiervan kan niet worden gezegd dat door het afzien van de oproeping van deze personen als getuige verdachte in zijn verdediging redelijkerwijs wordt geschaad.
De verzoeken worden afgewezen.
Overige onderzoekswensen
Het verzoek tot het middels een rechtshulpverzoek aan verschillende bankinstellingen en creditcardinstellingen in de Verenigde Staten onderzoek te doen naar de betalingen (schulden en andere betalingen) van verdachte voor [betrokkene] is zeer ruim en onvoldoende concreet en specifiek gemotiveerd. Concrete aanknopingspunten dat dit relevante informatie zal kunnen opleveren, heeft de verdediging niet naar voren gebracht. Het Hof acht zich op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting (en in het licht van de te nemen beslissingen) voldoende voorgelicht en is van oordeel dat de noodzaak voor toewijzing van dit verzoek niet is gebleken.
Het verzoek tot nader onderzoek naar de bankkosten wordt eveneens afgewezen. Indien de verdediging hiermee heeft bedoeld te verzoeken dat het Hof nader onderzoek instelt naar de vraag of en zo ja hoe [verdachte] op voorhand wist hoe hoog deze bankkosten waren, heeft verdachte deze vraag zelf al ter zitting in hoger beroep in het bijzijn van de verdediging beantwoord, zodat de noodzaak voor nader onderzoek daarnaar niet is gebleken. Het Hof wil wel aannemen dat dit kostenbedrag verdachte op voorhand bekend was.
Het Hof wijst de verzoeken af.
Voorwaardelijk verzoek horen [medepleger]
Het hof wijst dit verzoek – dat voor het eerst gedaan is in hoger beroep tijdens de inhoudelijke behandeling – af omdat de noodzaak voor toewijzing ontbreekt.
De verdediging heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep jarenlang de mogelijkheid gehad om een verzoek te doen tot horen van deze getuige. Ook in hoger beroep is er een regiezitting geweest en toen heeft de verdediging verschillende onderzoekwensen gedaan. De verdediging heeft om haar moverende redenen ervoor gekozen om niet eerder een verzoek te doen om [medepleger] als getuige op te roepen, ook niet toen deze inmiddels zelf onherroepelijk voor hetzelfde feit was veroordeeld en zich dus niet meer op zijn verschoningsrecht kon beroepen. Verdachte heeft niet op enig moment in het proces de gelegenheid aangegrepen om te verzoeken om de getuige te (doen) ondervragen, hetgeen op grond van de eisen die in artikel 6 EVRM aan een eerlijk proces worden gesteld en waar het gaat om het recht van de verdediging om belastende getuigen te kunnen ondervragen, wel van de verdediging mag worden verlangd. Waarom nu eerst bij pleidooi in hoger beroep dit voorwaardelijke verzoek wordt gedaan, is niet nader toegelicht. Dat er redenen van voldoende gewicht zijn om het verzoek niet eerder te doen, is niet toegelicht en ook niet gebleken. Er zijn geen nieuwe ontwikkelingen in het verloop van de strafzaak aan te wijzen (en ook niet naar voren gebracht) die maken dat het gerechtvaardigd is dit (voorwaardelijke) verzoek nu op zo’n laat moment te doen.
De verdediging heeft thans bij pleidooi in hoger beroep ter toelichting van het verzoek aangegeven dat zij de getuige alsnog vragen wil stellen over de achtergrond en totstandkoming van de leenoverkomst. In aanvulling op de pleitnota heeft de verdediging bij randnummer 59-60 gezegd dat het verzoek betrekking heeft op de verklaringen die zijn afgelegd na de beweerde ‘afdreiging’ van [medepleger]. Het Hof overweegt dat de door het Hof gebruikte verklaring van [medepleger] van voor dat moment dateert en alleen al daarom de noodzaak ontbreekt [medepleger] nog nader te horen. Voorts weegt het Hof mee dat de verdediging in het pleidooi heeft aangegeven (onder 54) dat er geen bewijs is dat de initiële verklaring (het Hof begrijpt: van voor de vermeende ‘afdreiging’) van [medepleger] als getuige leugenachtig was. Tot slot acht het Hof van belang dat de verklaring van [medepleger] (van 2018) binnen het geheel van de resultaten van het onderzoek niet op zichzelf staat en in de kern genomen niet door de verdediging wordt betwist. De verklaring vindt onder andere steun in de verklaring van de verdachte zelf.
Het verzoek wordt afgewezen.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het Hof van oordeel dat het proces als geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces.
Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit.
Het bewezen verklaarde onder het oude en het nieuwe strafrecht wordt eensluidend als volgt gekwalificeerd:
Medeplegen van valsheid in geschrift.
Strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.
Oplegging van straf
Het Gerecht in eerste aanleg heeft verdachte voor het onder feit 3 onder A ten laste gelegde veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden
Tegen voormeld vonnis is namens verdachte hoger beroep ingesteld. De verdediging heeft bepleit dat verdachte zal worden vrijgesproken, dan wel indien het Hof tot een bewezenverklaring komt te volstaan met schuldig verklaring zonder oplegging van straf.
De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en verdachte zal veroordelen tot dezelfde straf als in eerste aanleg is opgelegd.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het is begaan en gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift, terwijl hij de functie bekleedde van president van de Centrale Bank. Hij heeft – naar het zich laat aanzien – puur uit financieel gewin zich schuldig gemaakt aan het opmaken van een valse leenovereenkomst waardoor er een aanzienlijk geldbedrag van ruim 400.000,- USD van een bankrekening in Curaçao ten name van [bedrijf] is overgemaakt naar zijn bankrekening in de Verenigde Staten. Hij heeft een groot deel van dit geld vervolgens direct weer naar een andere bankrekening van hemzelf in het buitenland overgemaakt en een ander deel gebruikt om openstaande (creditcard)schulden te betalen. Weliswaar heeft hij twee jaar later aanzienlijk meer dan het volledige door hem onrechtmatig verkregen bedrag teruggestort, doch dit kan het strafbare van zijn handelen niet ongedaan maken.
Verdachte heeft als president van de Centrale Bank hiermee op grove wijze het vertrouwen geschaad dat in het maatschappelijk verkeer moet kunnen worden gesteld aan personen die een dergelijke vertrouwensfunctie in de maatschappij bekleden. Het Hof rekent dit verdachte zwaar aan, zodat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een gevangenisstraf van na te melden duur. Het verzoek van de verdediging om te volstaan met schuldigverklaring zonder oplegging van straf wordt daarom afgewezen.
Anderzijds heeft het hof ook gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. Verdachte is niet eerder veroordeeld voor enig strafbaar feit en hij is als gevolg van deze zaak zijn sociale positie als gerespecteerd president van de Centrale Bank kwijtgeraakt. Naar het hof begrijpt, is ook zijn verblijfstatus in de Verenigde Staten, waar verdachte momenteel woont, vanwege deze strafzaak onzeker geworden. Verdachte heeft gezegd dat hij zich vanwege deze zaak niet meer graag vertoont in Curaçao, het land waar hij geboren is.
Vanaf het eerste verhoor van verdachte op 26 oktober 2016 tot aan de uitspraak van dit hof in hoger beroep op 26 februari 2026 is een zeer lange periode van 9 jaar en 4 maanden verlopen. Hiermee is de redelijke termijn in zeer ernstige mate overschreden. Een aanzienlijk deel van de overschrijding is te wijten aan nader onderzoek dat mede op verzoek van de verdediging is verricht, waardoor het Gerecht en het Hof niet eerder in de gelegenheid waren de zaak inhoudelijk te behandelen, maar ook het openbaar ministerie heeft erg veel tijd genomen om tot vervolging van het onderhavige feit over te gaan. Het Gerecht in eerste aanleg heeft daarvoor een korting op de straf toegepast, die er op neer komt dat volstaan zal worden met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden. Tussen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg en in hoger beroep is een periode van nog geen twee jaar verstrekken zodat het Hof geen aanleiding daarin ziet de straf op grond van tijdsverloop nog verder te matigen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 1:19, 1:20, 1:21, 1:123, 230 (oud) en 2:184, van het Wetboek van Strafrecht.
Het Hof heeft ten aanzien van de valsheid in geschrift – na wijziging van wetgeving – voor verdachte de meest gunstigste bepalingen toegepast. Voor het overige worden de wettelijke voorschriften toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.
Beslissing
Het Hof:
Verklaart verdachte niet ontvankelijk in het hoger beroep voor zover dit is gericht tegen de beslissing tot vrijspraak van het onder feit 3 A ten tweede ten laste gelegde feit.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor het overige en doet in zoverre opnieuw recht.
Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 3 A ten eerste ten laste gelegde feit heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte onder 3 A ten eerste meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor omschreven en verklaart verdachte daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de 6 (zes) maanden.
Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Stelt de proeftijd vast op 2 (twee) jaren.
Dit vonnis is gewezen door de rechters van het Hof mrs. P.P.C.M. Waarts, J.A.W. van ‘t Westeinde en H.M.E. Tebbenhoff Rijnenberg in tegenwoordigheid van de griffier mr. F. Kruiswijk en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit Hof in Curaçao op 26 februari 2026.