Burgerlijke zaken over 2026
Zaaknummers: SXM202400625 en SXM202500427 – SXM2025H00030
Uitspraak: 3 maart 2026 (in Curaçao)
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
[APPELLANT],
wonende in Palmira, Valle de Cauca, Colombia,
in eerste aanleg eiser, thans appellant,
procederende in persoon,
tegen
de stichting
STICHTING SINT MAARTEN MEDICAL CENTER,
gevestigd in Sint Maarten,
in eerste aanleg gedaagde, thans geïntimeerde,
gemachtigden: mrs. W. Princée, W.D. Kweekel en P.P. Soons.
Partijen worden hierna [appellant] en SMMC genoemd.
1. Het verdere verloop van de procedure
Bij vonnis van 18 november 2025, ECLI:NL:OGHACMB:2025:274 (hierna: het tussenvonnis) heeft het Hof [appellant] bevolen om zekerheid te stellen en de zaak verwezen naar de rol van het Hof van 21 januari 2026 in Sint Maarten.
Op 16 december 2025 heeft [appellant] een gedingstuk, getiteld ‘akte verzoek mondelinge behandeling (pleidooi) - unieke zaak van wereldbelang’, met bijlagen, ingediend ter griffie van het Gerecht in Sint Maarten.
Op 18 december 2025 heeft [appellant] een gedingstuk, getiteld ‘Quo vadimus? Een aanklacht tegen de institutionele misleiding door SMMC en haar gemachtigden’ met bijlagen, ingediend ter griffie van het Gerecht in Sint Maarten.
Op 6 januari 2026 heeft [appellant] een ‘akte overlegging van producties - aanvullende stukken en verdere toelichting beroepschrift’, met producties, ingediend ter griffie van het Gerecht in Sint Maarten.
Op de rolzitting van het Hof van 21 januari 2026 in Sint Maarten heeft SMMC een ‘akte verzoek tot niet-ontvankelijkheid’ ingediend.
Vonnis is bepaald op vandaag.
2. De verdere beoordeling
In het tussenvonnis heeft het Hof [appellant] bevolen om voor een bedrag van Cg 5.000 zekerheid te stellen door het doen stellen van een bankgarantie door een gerenommeerde bank in Sint Maarten.
Op 15 december 2025 heeft [appellant] Cg 5.000 betaald op de derdengeldenrekening van de gemachtigde van SMMC.
Het bevel van het Hof in het tussenvonnis vermeldt de vorm waarin zekerheid diende te worden gesteld: door het doen stellen van een bankgarantie. De betaling op de derdengeldenrekening heeft die vorm niet. [appellant] heeft dus niet aan het bevel voldaan. SMMC beroept zich daar terecht op.
Indien een partij zekerheid stelt door storting op de derdenrekening van een advocatenkantoor, brengt het bepaalde in art. 6:51 lid 2 BW mee dat deze partij zich ervan dient te vergewissen dat het betrokken advocatenkantoor daaraan medewerking verleent (HR 13 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:230, rov. 2.7). Gesteld noch gebleken is dat [appellant] zich daarvan heeft vergewist.
Gelet op het voorgaande dient [appellant] niet-ontvankelijk te worden verklaard in het hoger beroep. Deze uitkomst brengt mee dat hij dient te worden veroordeeld in de proceskosten.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in het hoger beroep;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van SMMC gevallen en tot op heden begroot op Cg 6.000,00 aan salaris voor de gemachtigde, te vermeerderen met de nakosten en met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag van de datum van uitspraak tot aan de dag van voldoening;
verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mrs. E.A. Saleh, E.M. van der Bunt en G.C.C. Lewin en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 3 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.