BURGERLIJKE ZAKEN OVER 2026
UITSPRAAK: 10 maart 2026
ZAAKNR: CUR202402109/02110 – CUR2025H00099/00100
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Beschikking in de zaak van:
[APPELLANT],
wonend in Curaçao,
in eerste aanleg verzoeker, thans appellant,
hierna te noemen: de vader,
gemachtigde: mr. N.A. Evertsz,
-tegen-
[GEÏNTIMEERDE],
wonend in Nederland,
in eerste aanleg verweerster, thans geïntimeerde,
hierna te noemen: de moeder,
bijzonder procesgemachtigde: S.A.I.C. Martina.
1. Het verloop van de procedure
Verwezen wordt naar de op 11 maart 2025 tussen partijen uitgesproken beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht). De inhoud van die beschikking geldt als hier ingevoegd.
De vader heeft op 17 april 2025 een daartegen gericht beroepschrift ingediend.
Op 22 januari 2026 heeft de vader een akte vermindering verzoek ingediend.
De moeder heeft op 26 januari 2026 een verweerschrift ingediend.
Op 27 januari 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Het Hof bevond zich in het gerechtsgebouw in Curaçao, alwaar de gemachtigde van de vader is verschenen. De moeder bevond zich in Nederland, en is verschenen via een videoverbinding, bijgestaan door haar gemachtigde. Namens de Voogdijraad Curaçao was S. Chirino aanwezig. Bij die gelegenheid hebben partijen hun standpunten nader toegelicht, en zijn vragen van het Hof beantwoord.
Uitspraak is bepaald op heden.
2. De feiten
Het Hof gaat uit van de volgende feiten.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Zij zijn de ouders van [naam minderjarige], geboren op [geboortedatum minderjarige] in Curacao (hierna: de minderjarige). De minderjarige is door de vader erkend. De moeder is van rechtswege belast met het gezag over de minderjarige.
De minderjarige heeft gedurende haar eerste levensjaar samen met haar ouders gewoond, waarna zij ongeveer twee jaar bij de moeder heeft gewoond. Vervolgens heeft de minderjarige tot ongeveer januari 2024 bij de grootouders vaderszijde gewoond. Hierna woonde zij weer bij de moeder.
Bij vonnis in kort geding van 27 juni 2024, dat door de vader in deze
procedure is overgelegd, heeft het Gerecht de moeder verboden om met de minderjarige vanuit Curacao naar Nederland te verhuizen totdat het Gerecht op het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag heeft beslist of anderszins een beslissing heeft gegeven over de verhuizing van de minderjarige, op straffe van een dwangsom (hierna: het KG-verbod).
Op 25 juli 2024 heeft de moeder zichzelf en de minderjarige uit het
bevolkingsregister van Curacao uitgeschreven met bestemming Heerlen, Nederland, en is vervolgens met de minderjarige naar die bestemming vertrokken. De precieze woonplaats van de minderjarige en de moeder is onbekend.
3. De beslissing van het Gerecht
Bij de bestreden beschikking heeft het Gerecht (i) zich bevoegd verklaard van de verzoeken kennis te nemen en (ii) de verzoeken van de vader – onder meer strekkend tot bepaling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vader – afgewezen.
Ad (i): Het Gerecht heeft zich bevoegd geacht omdat de moeder de minderjarige tegen het KG-verbod in naar Nederland heeft overgebracht.
Ad (ii): Het Gerecht heeft de afwijzing van de verzoeken van de vader als volgt gemotiveerd. De enkele omstandigheid dat de moeder de minderjarige tegen het KG-verbod in heeft overgebracht naar Nederland is – hoewel kwalijk – onvoldoende om de verzoeken van de vader toe te wijzen. Het KG-verbod was namelijk tijdelijk, omdat de verhuisplannen iets te vroeg kwamen, maar niet omdat een verhuizing naar Nederland niet in het belang zou zijn van de minderjarige. De moeder was daartoe in beginsel ook bevoegd omdat zij het eenhoofdig gezag heeft. Verder is de eenkamerwoning van de vader niet geschikt om de minderjarige in te ontvangen en onderdak te bieden. De verzoeken van de vader zijn aldus niet in het belang van de minderjarige.
4. De beoordeling in hoger beroep
In hoger beroep speelt, net als in eerste aanleg, de vraag naar de interregionale bevoegdheid van de Curaçaose rechter om over deze zaak te oordelen. Dit is met partijen ter zitting besproken.
De rechter dient bij de beantwoording van deze vraag zoveel mogelijk aansluiting te zoeken bij de bevoegdheidsbepalingen die gelden op het terrein van het internationaal privaatrecht (HR 2 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1063, NJ 2014/468). Het Hof dient daarom, wat betreft de gezags- en omgangsrechten, aansluiting te zoeken bij het Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen (Den Haag 19 oktober 1996, Trb. 1997, 299)(hierna: Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996), dat sinds 1 mei 2011 ook geldt voor Curaçao. Ingevolge art. 5 lid 1 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is bij gezags- en omgangsrechten de rechter bevoegd waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft.
Het uitgangspunt is dat voor de bevoegdheid van de rechter in beginsel beslissend is het tijdstip waarop zijn tussenkomst wordt ingeroepen, dat is de datum van indiening van het inleidend verzoekschrift. Op dit zogenaamde perpetuatio fori-beginsel bestaan echter uitzonderingen. Zo zijn er voor wat betreft gezags- en omgangsrechten, waarover het in dit geding gaat, uitzonderingen opgenomen in bovengenoemd Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996. Art. 5 lid 2 daarvan bepaalt: “Onverminderd het bepaalde in artikel 7, zijn in geval van verplaatsing van de gewone verblijfplaats van het kind naar een andere Verdragsluitende Staat de autoriteiten van de Staat van de nieuwe gewone verblijfplaats bevoegd”. Deze regeling geldt krachtens art. 3, aanhef en onder b, Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 voor gezagsrechten en voor omgangsrechten. Zie ook art. 5 van het Nederlandse Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, dat bepaalt dat de Nederlandse rechter in zaken betreffende ouderlijke verantwoordelijkheid in beginsel geen rechtsmacht heeft indien het kind zijn gewone verblijfplaats niet in Nederland heeft. (De term “ouderlijke verantwoordelijkheid” omvat in deze bepaling onder meer het ouderlijk gezag, zie art. l lid 2 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996.)
Het komt daarom aan op de vraag waar de minderjarige nu haar gewone verblijfplaats heeft. In verband met die vraag is ter zitting het volgende naar voren gekomen. De moeder heeft verklaard dat zij en de minderjarige vanaf medio 2024 zijn ingeschreven in het bevolkingsregister van een Nederlandse gemeente, op een geheim adres. De minderjarige woont daar sindsdien met de moeder en heeft een eigen slaapkamer. Verder gaat de minderjarige in die gemeente naar school (in groep 4), is lid van een zwemclub en heeft vriendinnen. De minderjarige krijgt begeleiding van een schoolmaatschappelijk werkster. De moeder heeft werk en inkomen in Nederland, en krijgt hulp en begeleiding bij haar emotionele problemen naar aanleiding van het geschil met de vader. De minderjarige en de moeder hebben familie in Nederland; zo wordt de moeder in deze procedure thans bijgestaan door haar nichtje. De reden dat zij de gemeente en het adres niet wenst te openbaren, ligt in bedreigingen en ontvoeringsplannen die de vader via de tablet van de minderjarige zou hebben geuit. De vader heeft alleen de stellingen over de bedreigingen en ontvoeringsplannen gemotiveerd betwist.
Aldus heeft de moeder (in hoger beroep) nadere informatie verschaft over de bestendigheid van het verblijf in Nederland. Op grond daarvan moet worden geconcludeerd dat de minderjarige (inmiddels) haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft (vgl. HR 17 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ4833, NJ 2012/311 en de conclusie van AG Vlas voor HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1785).
Daarbij neemt het Hof mede in aanmerking dat het verblijf in Nederland ondertussen zo’n anderhalf jaar heeft geduurd. Dit naar analogie van art. 7 lid 1 sub b Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996, waarin het verloop een periode van een jaar meetelt bij het verval van rechten van de andere ouder in gevallen (anders dan deze) waarin de minderjarige is overgebracht tegen de gezagsrechten van die andere ouder in. Het Hof merkt op dat van dat laatste hier geen sprake is omdat de moeder ten tijde van de verhuizing het eenhoofdig gezag over de minderjarige had. In de zin van art. 7 lid 2 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 was daarom is geen sprake van ongeoorloofde overbrenging (dat dit definieert als overbrenging tegen een gezagsrecht in).
Uit het bovenstaande volgt dat het Hof zich onbevoegd zal verklaren.
Ten overvloede overweegt het Hof dat dit niet betekent dat de vader per se met lege handen staat. De moeder heeft ter zitting verklaard, zoals ook subsidiair in haar verweerschrift is opgenomen, dat zij in principe niet afwijzend staat tegenover een omgangsregeling, te beginnen met (video)belcontact. Daarvoor moet echter eerst de rust enigszins zijn weergekeerd. Verder heeft het Hof de moeder erop gewezen dat de vader recht heeft op informatie over het wel een wee van de minderjarige. Het Hof hoopt dat het partijen lukt om in rustig onderling overleg naar een informatie- en omgangsregeling toe te werken. Voor zover dit geen gewenst resultaat oplevert zal de vader zich tot de bevoegde Nederlandse instanties moeten wenden.
Voor een kostenveroordeling is geen aanleiding.
BESLISSING:
Het Hof:
verklaart zich onbevoegd om van dit geschil in hoger beroep kennis te nemen.
Aldus gegeven door mrs. E.M. van der Bunt, C.G. ter Veer en J.A. van Voorthuizen, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao op 10 maart 2026 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.