Burgerlijke zaken over 2026
Zaaknummers: SXM202200722 – SXM2023H00132
Uitspraak: 18 maart 2026
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
de naamloze vennootschap
ELUX TECHNOLOGIES N.V.,
gevestigd in Curaçao,
in eerste aanleg eiseres in conventie, verweerster in reconventie,
thans appellante in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
gemachtigde: mr. J.G. Bloem,
tegen
de naamloze vennootschap
SINT MAARTEN TELECOMMUNICATION HOLDING COMPANY N.V.,
gevestigd in Sint Maarten,
in eerste aanleg gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
thans geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroep,
gemachtigde: mr. C.R. Rutte.
Partijen worden hierna Elux en Telem genoemd.
1. De zaak in het kort
Het Curaçaose bedrijf Elux houdt zich bezig met de aanleg van elektriciteitsnetwerken. Telem houdt zich bezig met telecommunicatie in Sint Maarten. Partijen hebben in 2018-2019 samengewerkt in een project tot aanleg van een bovengronds glasvezelnetwerk in Middle Region in Sint Maarten.
In dit geding hebben beide partijen vorderingen ingesteld in verband met de wijze van afrekening. Het Gerecht heeft de vorderingen over en weer afgewezen.
Na een eerder tussenvonnis wijst het Hof nu een eindvonnis.
2. Het verdere verloop van de procedure
Bij vonnis van 19 maart 2025, ECLI:NL:OGHACMB:2025:46, heeft het Hof de zaak naar de rol verwezen voor aktewisseling.
Elux heeft een akte ingediend, waarbij zij haar eis heeft vermeerderd. Aan de akte is een productie gehecht.
Telem heeft een antwoordakte ingediend.
Vonnis is bepaald op 22 oktober 2025.
Bij e-mails van 21 oktober 2025 hebben de gemachtigden van partijen het Hof verzocht de zaak aan te houden voor schikkingsonderhandelingen. Naar aanleiding daarvan heeft het Hof de zaak verwezen naar de rol van 21 januari 2026 voor akte uitlating regeling.
Op die datum hebben partijen het Hof verzocht alsnog vonnis uit te spreken.
Vonnis is bepaald op vandaag.
3. De verdere beoordeling
Bij de akte na tussenvonnis heeft Elux haar eis vermeerderd tot Cg 488.999 (bij een wisselkoers van 1,79 komt dit overeen met USD 273.184). Dit bedrag is, verkort weergegeven, als volgt opgebouwd (vergelijk 3.2 van het tussenvonnis; in USD):
a. Offertebedrag 257.025
b. Facturen 44.659
c. Af: betaald (89.959)
d. Af: niet-uitgevoerde huisinstallaties (88.000)
e. Kostenverlies stilstaande hoogwerker 51.327
f. Ontbreken hoogwerker 45.319
g. Kostenverlies home pass installation 41.715
h. Transportkosten hoogwerker 6.459
i. Wisselkoersverschillen 4.639
--------- +
Totaal 273.184
Het bedrag aan wisselkoersverschillen (post i) wordt verklaard door het volgende. De bij inleidend verzoekschrift ingestelde eis van Elux luidt in dollars. Daarbij heeft Elux bij de omzetting van post b van guldens in dollars een wisselkoers van 1,90 gehanteerd (zie productie 9 bij inleidend verzoekschrift). De bij akte na tussenvonnis vermeerderde eis luidt in guldens. Daarbij heeft Elux bij de omzetting van de posten a, b en d van dollars in guldens een wisselkoers van 1,83 gehanteerd (zie de totaalbedragen onder 1 op p. 7 van de akte na tussenvonnis). Het Hof heeft bij de weergave hierboven bij post b Elux gevolgd, zoals zij die post bij de oorspronkelijke eis heeft omgezet, en bij de omzetting van de posten e tot en met i van guldens in dollars een wisselkoers van 1,79 gehanteerd.
Telem heeft bezwaar gemaakt tegen de eisvermeerdering. Dit bezwaar wordt verworpen. De tweeconclusieregel geldt niet in het Caribische deel van het Koninkrijk (zie: HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2009). In dit geval heeft het Hof bij tussenvonnis Elux uitdrukkelijk in de gelegenheid gesteld haar vordering aan te passen. De eisvermeerdering is daarom toelaatbaar, ook voor zover de vermeerderde eis niet voldoet aan de instructies van het Hof (maar niet toewijsbaar, zoals hierna zal blijken).
De eis voldoet in het geheel niet aan de instructies van het Hof. De opbouw van de eis is wat de posten a tot en met d betreft ongewijzigd gebleven (de hoogte van post d is gewijzigd van USD 35.900 in USD 88.000), ondanks de opmerkingen daarover in 3.17 van het tussenvonnis. De nieuwe posten e tot en met h strekken tot schadevergoeding wegens tekortkoming zijdens Telem. Daarmee zijn het geen kosten als omschreven in 3.13-3.14 van het tussenvonnis, gelezen in het licht van 3.12 van het tussenvonnis. Daar ging het immers om “covering our costs, expenditures and all executing works excluding of course the home pass and home connect activities”, berekend volgens tarieven zoals eerder overeengekomen. Dit diende te passen bij een beëindiging die op één lijn is te stellen met een beëindiging met wederzijds goedvinden. Het Hof overwoog daarbij (in 3.12) dat Telem niet heeft begrepen of redelijkerwijs had behoren te begrijpen dat Elux de overeenkomst buitengerechtelijk had ontbonden.
Voor zover Elux in haar akte na tussenvonnis bedoeld heeft het Hof te verzoeken terug te komen van enig in het tussenvonnis gegeven oordeel (zoals het onder 3.6 en 3.9 gegeven oordeel dat de aanneemsom van USD 257.025 een schatting was en is gebleven), wijst het Hof dat verzoek af. Het is het Hof niet gebleken dat enig in het tussenvonnis gegeven oordeel berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag. Voor zover Elux in de akte na tussenvonnis nieuwe stellingen heeft betrokken om het tegendeel te betogen (zoals de stelling dat de tekst van de offerte en die van het contract van 29 mei 2019 niet weergeven wat is overeengekomen en daarom hadden moeten worden aangepast, p. 2-3), moeten die wegens strijd met de eisen van een goede procesorde buiten beschouwing blijven. Het Hof blijft dus bij alle overwegingen van het tussenvonnis.
In het tussenvonnis heeft het Hof onder meer als volgt overwogen. Art. 4 van het contract van 29 mei 2019 bepaalt dat Elux geen dagtarief in rekening kan brengen voor werknemers die zij na 31 juli 2019 beschikbaar heeft gesteld. Het contract vermeldt niet dat dit anders is als het project vertraging oploopt door omstandigheden die aan Telem zijn toe te rekenen (en bevat wel een entire agreement clause). In verband hiermee heeft het Hof gevraagd op welke rechtsgrond Elux een dagtarief in rekening heeft gebracht of heeft mogen brengen voor werknemers die zij na 31 juli 2019 beschikbaar heeft gesteld (3.10 en 3.17 van het tussenvonnis).
In de akte na tussenvonnis heeft Elux aangevoerd dat het project door tekortschieten van Telem onnodig on hold is gezet en dat daarom de kosten van de werknemers worden opgevoerd, omdat Telem in gebreke is gebleven. Daarmee gaat Elux echter niet in op de opmerking van het Hof dat ook voor dat geval art. 4 van het contract niet voorziet in het opvoeren van dergelijke kosten. Voor zover die kosten gezien moeten worden als schadevergoeding wegens tekortkoming geldt, zoals hiervoor onder 3.3 is overwogen met betrekking tot de posten e tot en met h, dat dit niet past bij hetgeen het Hof onder 3.12-3.14 van het tussenvonnis heeft overwogen.
Uit hetgeen het Hof onder 3.12-3.14 heeft overwogen, vloeit voort dat een vordering van Elux toewijsbaar kan zijn, indien die is gebaseerd op de bindende overeenkomst uit 2018, de nadere overeenkomst van 29 mei 2019 en de op 1 november 2019 zijdens Telem aangegane verbintenis om een factuur als in 3.13 omschreven te betalen. Dat is geen vordering tot schadevergoeding, maar een vordering tot nakoming. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering geldt voor de rechter geen begrotingsplicht als bedoeld in art. 6:97 BW, maar geldt onverkort dat eiser de hoogte van het verschuldigde bedrag moet stellen, de contractuele grondslag ervan moet aanwijzen en een en ander in geval van voldoende betwisting nader moet motiveren en zo nodig moet bewijzen.
Elux heeft onvoldoende gesteld om enig bedrag te kunnen toewijzen ter nakoming van de verbintenis die Telem op 1 november 2019 is aangegaan (in het licht van de eerdere overeenkomsten). De afwijzing van haar vordering dient daarom in stand te blijven. Het principaal hoger beroep faalt. Elux dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de kosten daarvan. Uit hetgeen het Hof onder 3.15-3.16 van het tussenvonnis heeft overwogen volgt dat ook de afwijzing van de reconventionele vordering van Telem in stand moet blijven. Het incidenteel hoger beroep faalt dus eveneens. Telem zal in de kosten daarvan worden veroordeeld.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
bevestigt het vonnis waarvan beroep;
veroordeelt Elux in de kosten van het principaal hoger beroep, aan de zijde van Telem gevallen en tot op heden begroot op Cg 249,50 aan verschotten en Cg 19.250,00 aan salaris voor de gemachtigde;
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
veroordeelt Telem in de kosten van het incidenteel hoger beroep, aan de zijde van Elux gevallen en tot op heden begroot op Cg 249,50 aan verschotten en Cg 2.000,00 aan salaris voor de gemachtigde;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, C.G. ter Veer en E.W.A. Vonk, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten uitgesproken op 18 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.