Burgerlijke zaken over 2026
Registratienummers: CUR201200131 – CUR2022H00108
Uitspraak: 24 maart 2026
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
[NICHT],
wonende in Nederland,
in eerste aanleg gedaagde/opposante,
thans appellante,
gemachtigden: mrs. L.G. Da Costa Gomez en A.M.P. Perigault Monte,
tegen
[OOM],
wonende in Aruba,
in eerste aanleg eiser/geopposeerde,
thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. C.S.F. Marshall.
Partijen worden hierna [nicht] en [oom] genoemd.
1. De zaak in het kort
Appellante heeft een woning van haar grootmoeder geschonken gekregen. Inmiddels is de grootmoeder overleden.
In dit geding heeft een zoon van de grootmoeder vorderingen ingesteld op grond van zijn standpunt dat de grootmoeder ten tijde van de schenking leed aan dementie en niet in staat was haar wil te bepalen. Het Gerecht heeft de vorderingen toegewezen. Na twee eerdere tussenvonnissen geeft het Hof in dit derde tussenvonnis een bewijsopdracht.
2. Het verdere verloop van de procedure
Bij vonnis van 7 oktober 2025, ECLI:NL:OGHACMB:2025:241 heeft het Hof (onder meer) een deskundigenbericht bevolen en bepaald dat [oom] een voorschot van Cg 5.000 aan de deskundige dient te betalen. Onder 3.8 heeft het Hof overwogen dat het verzoek van [oom] om tot getuigenverhoor te worden toegelaten, later beoordeeld zal worden.
Bij e-mail van 27 januari 2026 heeft mr. Marshall bericht dat [oom] niet in staat is het voorschot te voldoen. Bij e-mail van 14 februari 2026 heeft mr. Marshall bericht dat [oom] wenst te worden toegelaten tot getuigenverhoor.
Bij e-mail van 27 februari 2026 heeft mr. Perigault Monte bericht dat de getuigen die [oom] wil voorbrengen, partijdig en niet deskundig zijn en mogelijk door [oom] worden beïnvloed.
Vonnis is bepaald op vandaag.
3. De verdere beoordeling
Zoals overwogen is onder 3.11 van het tussenvonnis van 27 augustus 2024, ECLI:NL:OGHACMB:2024:161 (hierna: het eerste tussenvonnis), rust op [oom] de bewijslast van de stelling dat wijlen [erflaatster] (hierna: [erflaatster]) niet wilsbekwaam was ten tijde van de volmacht (zie 3.1.5 van het eerste tussenvonnis) en ten tijde van de schenking van 12 augustus 2010 (zie 3.1.6 van het eerste tussenvonnis). [oom] zal in de gelegenheid worden gesteld die stelling te bewijzen. Op de bewijswaarde van de nog af te leggen getuigenverklaringen loopt het Hof thans niet vooruit.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
draagt [oom] op te bewijzen dat [erflaatster] niet wilsbekwaam was ten tijde van de volmacht en ten tijde van de schenking;
bepaalt dat, indien [oom] daartoe getuigen wil doen horen, hij deze kan voorbrengen op een nader te bepalen dag en uur voor mr. Lewin, lid van het Hof, in het gerechtsgebouw Kas di Korte, Curaçao;
verzoekt partijen om binnen veertien dagen na heden per e-mail aan griffiehofciviel@caribjustitia.org opgave te doen van verhinderdata in de maanden april tot en met juli 2026;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, C.G. ter Veer en E.W.A. Vonk, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 24 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.