Burgerlijke zaken over 2026
Registratienummers: CUR202004440 en CUR2024H00106
Uitspraak: 24 februari 2026
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
de besloten vennootschap
STAAL ANTILLEN HERU B.V.,
gevestigd in Curaçao,
in eerste aanleg eiseres in conventie, gedaagde in reconventie,
thans appellante,
gemachtigde: mr. R.A. Diaz,
tegen
de besloten vennootschap
ROYAL HOLDING COMPANY II B.V.,
gevestigd in Curacao,
in eerste aanleg gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. M.R. Hammoud.
Partijen worden hierna aangeduid als SAH en RHC.
1. De zaak in het kort
Deze zaak gaat over een vordering tot betaling van geleverd staal. Volgens SAH moet al het geleverde staal worden betaald, volgens RHC slechts het in het project verwerkte staal. Het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (verder: het Gerecht) heeft geoordeeld dat slechts het in het project verwerkte staal moet worden betaald. De vordering (conventie) van SAH tot betaling van het meerdere is afgewezen, de vordering (reconventie) van RHC tot terugbetaling van wat teveel werd betaald is toegewezen. Het Hof bevestigt de bestreden uitspraak.
2. Het verloop van de procedure
Bij op 29 april 2024 ingekomen akte van appel is SAH in hoger beroep gekomen van de tussen partijen gewezen en op 28 november 2022, 13 maart 2023, 2 oktober 2023 en 25 maart 2024 (zoals hersteld bij vonnis van 2 mei 2024) uitgesproken vonnissen van het Gerecht.
Bij op 7 juni 2024 ingekomen memorie van grieven heeft SAH negen grieven aangevoerd tegen de diverse vonnissen van het Gerecht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof de vonnissen waarvan beroep vernietigt en alsnog, uitvoerbaar bij voorraad, de vordering van SAH toewijst en die van RHC afwijst, met veroordeling van RHC in de kosten van beide instanties. Ook wordt gevorderd RHC te veroordelen tot terugbetaling van wat op grond van het gewezen eindvonnis eventueel door SAH is betaald.
RHC heeft op 14 oktober 2024 een memorie van antwoord ingediend. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis van het Gerecht bevestigt met veroordeling van SAH, uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten, vermeerderd met nakosten en de wettelijke rente daarover.
Op de daarvoor bepaalde dag hebben de advocaten van beide partijen pleitnotities ingediend.
Vonnis is gevraagd en nader bepaald op vandaag.
3. De beoordeling
Feiten
3.1.1 In de periode van april 2018 tot en met februari 2020 heeft SAH aan RHC staal verkocht en geleverd. De prijs was NAf. 3,10 per kilo. Het staal werd gebruikt voor een bouwproject van RHC in Royal Palm Resort in Curaçao. De overeengekomen prijs was inclusief noodzakelijk vlechtwerk dat door SAH werd gedaan.
3.1.2 In de aan de koopovereenkomst ten grondslag liggende offertes van SAH is vermeld ‘E.e.a. conform buigstaat (…)’.
3.1.3 RHC heeft de facturen van SAH tot een bedrag van NAf 43.327,49 onbetaald gelaten.
De inhoud van de overeenkomst
3.2.1 Het Gerecht heeft in het vonnis van 28 november 2022 als feit vastgesteld dat betaling zou geschieden op basis van buigstaatgewicht, dat wil zeggen op basis van het aantal kilo’s staal dat in de gebouwen is verwerkt.
3.2.2 SAH stelt in hoger beroep dat de afspraak inhield: betaling van al het geleverde staal. Wat RHC met dat staal deed (verwerken in gebouwen) vormde volgens SAH geen deel van de overeenkomst. RHC betwist dat (ook) in hoger beroep. Volgens haar is afgesproken dat slechts betaald moet worden het staal dat in de gebouwen van het project is verwerkt: dat is de betekenis van het begrip ‘buigstaat’ in de offertes. Wat niet gebruikt is, bijvoorbeeld doordat van een profiel een deel werd afgeknipt, ging terug naar SAH en hoefde dus niet betaald te worden. SAH heeft ook telkens overtollig staal opgehaald.
3.2.3 SAH heeft de door RHC gegeven uitleg van het begrip ‘buigstaat’, ook in hoger beroep, niet betwist. Die uitleg wordt daarom gevolgd. Evenmin is betwist dat de offertes de basis waren waarop gecontracteerd is. Slechts de in die offertes genoemde prijs is in de nadere contacten tussen partijen gewijzigd van Naf 3,25 naar Naf 3,10 per kilo. De overeenkomst hield derhalve in dat slechts het in de gebouwen van RHC verwerkte staal betaald moest worden.
3.2.4 SAH stelt, bij pleidooi in hoger beroep, bovendien de werkelijke hoeveelheden ‘verwerkt’ wapeningsstaal te hebben gefactureerd en erkent daarmee dus dat betaald moest worden het door SAH geleverde staal dat in de gebouwen van RHC was verwerkt. Deze uitlating van SAH steunt de gegeven uitleg van het begrip ‘buigstaat’ en ondersteunt het oordeel dat slechts verwerkt staal betaald moest worden.
De verwerkte hoeveelheden
3.3.1 Volgens SAH is al het gefactureerde staal in de gebouwen verwerkt. RHC heeft dat gemotiveerd betwist met de door de architect van het project opgestelde buigstaatberekeningen (productie 8 bij conclusie van antwoord). Omdat het voor de beoordeling van de wederzijdse vorderingen van partijen van belang is vast te stellen hoeveel staal in de gebouwen is verwerkt, heeft het Gerecht in het vonnis van 23 november 2023 deskundigenbericht noodzakelijk geacht.
3.3.2 Volgens SAH was dat niet nodig omdat al het geleverde (niet: het verwerkte) staal betaald moest worden. Uit het voorgaande blijkt dat dit uitgangspunt onjuist is. Betaald moest worden wat verwerkt was. Om dat vast te stellen was deskundigenbericht een voor de hand liggende methode om vastgesteld te krijgen hoe uiteindelijk over de vorderingen van partijen geoordeeld moest worden. Terecht is daarom door het Gerecht deskundigenbericht gelast in het vonnis van 2 oktober 2023.
De gevolgen van de afwezigheid van het deskundigenbericht
3.4.1 SAH heeft aan de deskundigen niet betaald het door het Gerecht, in het vonnis van 2 oktober 2023 bepaalde, voorschot. Als gevolg daarvan hebben de deskundigen niet kunnen rapporteren. Het Gerecht heeft daaraan met een beroep op artikel 174 lid 3 Rv, in het vonnis van 25 maart 2024, de conclusie verbonden dat van de juistheid van de stellingen en verweren van RHC wordt uitgegaan.
3.4.2 Het Hof overweegt als volgt. Op SAH, als eiseres (in conventie) rusten de stelplicht en bewijslast dat zij gefactureerd heeft conform de gesloten overeenkomst, dat derhalve al het gefactureerde staal daadwerkelijk is verwerkt in de gebouwen van RHC en dat het gevorderde restantbedrag (daarom) verschuldigd is. Het deskundigenbericht moet in dat licht bezien worden. Nu het deskundigenbericht door nalatigheid van SAH niet is uitgebracht, is het, op SAH rustende bewijs, van haar stellingen niet geleverd. Dat rechtvaardigt de afwijzing van de vordering van SAH.
3.4.3 Op RHC, als eiseres in reconventie, rusten de stelplicht en bewijslast dat slechts in haar gebouwen zijn verwerkt de door haar gestelde hoeveelheden staal. Het deskundigenbericht strekte ertoe ook daarover duidelijkheid te verkrijgen. Omdat het deskundigenbericht als gevolg van de nalatigheid van SAH niet uitgebracht kon worden heeft SAH aan RHC de mogelijkheid ontnomen de juistheid van haar stellingen te bewijzen. Het is alleszins redelijk de gevolgen van die nalatigheid voor rekening van SAH te laten komen, zoals de eerste rechter terecht heeft gedaan met een beroep op artikel 174 lid 3 Rv.
3.4.4 Daarbij komt dat SAH ook op dit onderdeel in hoger beroep stelt en als verweer tegen de vordering van RHC aanvoert dat de hoeveelheden verwerkt staal helemaal niet van belang zijn. Zoals gezegd: dat zijn ze wel. Het verweer tegen de vordering van RHC is daarmee onjuist. Nu overigens tegen de door RHC gestelde hoeveelheden verwerkt staal geen verweer is gevoerd kan ook om die reden van de juistheid van die hoeveelheden worden uitgegaan
3.4.5 De door RHC op basis van die verwerkte hoeveelheden staal gemaakte berekening van haar vordering is overigens niet betwist in hoger beroep. Dat betekent derhalve dat de door RHC gevorderde hoofdsom van NAf 54.102,40 terecht is toegewezen door het Gerecht. Ook de proceskostenveroordeling was juist omdat SAH zowel in conventie als in reconventie als de in het ongelijk gestelde partij heeft te gelden.
De kosten van de deskundige
3.5.1 In het herstelvonnis van 2 mei 2024 heeft het Gerecht bepaald dat de kosten van de deskundigen voor een bedrag van NAf 3.551,- voor rekening van SAH komen. De proceskostenveroordeling van SAH is om die reden met dat bedrag verhoogd.
3.5.2 Uit de, in zoverre door SAH niet bestreden, rechtsoverweging 2.7 van het herstelvonnis blijkt dat de deskundigen hun werkzaamheden hebben verricht en afgerond tot aan het plaatsen van hun handtekening op het deskundigenrapport. Van indiening van dat rapport is het niet gekomen omdat SAH in gebreke is gebleven (haar deel van) het voorschot te voldoen.
3.5.3 Hoewel de deskundigen (nog) niet verplicht waren met hun werk te beginnen voordat beide partijen hun deel van het voorschot hadden voldaan (dictum sub 5.6 van het vonnis van 2 oktober 2023) hebben zij dat wel gedaan. Dat stond hen ook vrij. De opdracht van het Gerecht was immers een feit. Uitsluitend om de deskundigen te beschermen tegen eventuele onverhaalbaarheid van hun kosten wordt gebruikelijk en is in dit geval betaling van een voorschot in het vonnis voorgeschreven. Het is niet bedoeld om een partij de gelegenheid te bieden door non-betaling het uitbrengen van het deskundigenbericht te voorkomen.
3.5.4 Het door de deskundigen verrichte werk is dus niet zonder opdracht gedaan. De wet bepaalt dat de rechter de schadeloosstelling van deskundigen begroot (artikel 174c lid 1 Rv). Dat is in dit geval gebeurd (in het vonnis van 2 mei 2024) en van het aldus begrote bedrag is een gedeelte van NAf 3.551 als proceskosten toegekend aan RHC omdat RHC proceskosten gemaakt heeft door de voorschotten van de deskundigen te betalen. Dat het uiteindelijk niet tot het indienen van een rapport is gekomen doet aan het feit dat het opgedragen werk grotendeels is verricht en dat daarvoor kosten zijn gemaakt niet af.
3.5.5. Artikel 174c lid 1 Rv bepaalt ook nog waar de begroting van de kosten van de deskundige moet worden vermeld: onder de minuut van het schriftelijk bericht of onder het van het mondeling verslag opgemaakte proces-verbaal. Het elders (bijvoorbeeld, zoals vaak gebeurt, in een afzonderlijke beslissing of, zoals hier, in het vonnis) vastgelegde begroting is daarmee echter niet ontoelaatbaar. Terecht is SAH dus veroordeeld om ook het op NAf 3.551 begrote deel van de deskundigenkosten als proceskosten aan RHC te voldoen.
Slotsom
3.6.1 De grieven I tot en met VIII slagen niet. Grief IX mist zelfstandige betekenis. De vonnissen waarvan beroep worden daarom bevestigd.
3.6.2 SAH is de in het ongelijk gestelde partij in hoger beroep en wordt daarom veroordeeld in de proceskosten van RHC. Deze bedragen:
- verschotten Cg 402,89 (betekening memorie van toelichting)
- salaris gemachtigde Cg 6.250 (2,5 punt à Cg 2.500 per punt, tarief 6)
- het nasalaris
B E S L I S S I N G
Het Hof:
bevestigt de tussen partijen gewezen vonnissen van het Gerecht van 28 november 2022, 13 maart 2023, 2 oktober 2023 en 25 maart 2024 (zoals hersteld bij vonnis van 2 mei 2024);
veroordeelt SAH in de kosten van de procedure aan de zijde van RHC gevallen en begroot deze op Cg 402,89 aan verschotten en Cg 6.250 aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente daarover met ingang van de vijftiende dag na dit vonnis en het nasalaris van Cg 400 vermeerderd met Cg 150 in geval van betekening;
verklaart dit vonnis ten aanzien van de uitgesproken veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst of het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, W.P.M. ter Berg en H.E. de Boer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 24 februari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.