Burgerlijke zaken over 2026
Registratienummer: CUR202301129 – CUR2023H00195
Uitspraak: 13 januari 2026
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
VONNIS IN KORT GEDING
In de zaak van:
[appellante] ,
wonend in [woonplaats],
oorspronkelijk gedaagde,
thans appellante,
procederend in persoon,
tegen
[geïntimeerde 1],
[geïntimeerde 2],
oorspronkelijk eisers,
thans geïntimeerden,
gemachtigde: mr. R.P. Bottse.
De partijen worden hierna [appellante] respectievelijk [geïntimeerden] genoemd.
1. Het verloop van de procedure
Voor het procesverloop in eerste aanleg wordt verwezen naar het tussen partijen gewezen vonnis van 16 juni 2023 door het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (verder: het Gerecht) uitgesproken.
Bij akte van hoger beroep, op 30 juni 2023 ingediend ter griffie, is [appellante] in hoger beroep gekomen van voormeld vonnis.
Bij op 21 juli 2023 ingekomen memorie van grieven heeft [appellante] bezwaren tegen het bestreden vonnis aangevoerd.
geïntimeerden] heeft geen memorie van antwoord ingediend.
Op 18 november 2025 hebben partijen mondeling gepleit. Aanwezig waren [appellante] en namens [appellante] mr. Bottse. [appellante] heeft op 17 november 2025 pleitnotities naar het Hof gestuurd. Deze zijn door de griffie van het Hof naar de wederpartij gestuurd.
Ter zitting is afgesproken dat [appellante] tot uiterlijk 21 november 2025 gelegenheid krijgt om een productie in te dienen, waarop [appellante] uiterlijk 28 november 2025 mag reageren. Na daarvoor verkregen toestemming heeft [appellante] de productie later, te weten op 26 november 2025 ingediend. [appellante] heeft hierop niet gereageerd.
Vonnis is gevraagd en bepaald op vandaag.
2. De feiten
Partijen zijn de enige erfgenamen in de nalatenschap van hun overleden ouders. De vader van partijen is in 1995 overleden. De moeder van partijen is op 26 oktober 2012 overleden.
De nalatenschap van de ouders omvat een woning aan [de woning] (hierna: de woning). [appellante] woont in de woning.
Over de verdeling van de nalatenschap hebben partijen een procedure gevoerd. Bij vonnis van 25 september 2017 heeft het Gerecht, voor zover van belang, als volgt geoordeeld:
‘5 De beslissing
Het Gerecht
(…)
- wijst toe de vordering tot verdeling van de woning en bepaalt dat, voor zover zulks nog niet is gebeurd, makelaar [makelaar] per direct wordt aangesteld als verkopend makelaar van de woning, waarbij de woning voor het hoogst mogelijke bedrag en minimaal tegen het getaxeerde bedrag van NAf 160.000,= dient te worden verkocht;
- bepaalt dat indien de woning een jaar na het onderhavige vonnis nog niet is verkocht, de verkoop middels openbare verkoop (veiling onder leiding van de notaris) mag plaatsvinden;
(…)”
Het is de makelaar niet gelukt om de woning te verkopen. Hierdoor is de weg tot openbare verkoop van de woning vrijgekomen.
De makelaar heeft op 7 november 2022 een geveltaxatie uitgevoerd. In het ‘Drive-by’ taxatierapport staat vermeld dat de makelaar de woning niet van binnen kon inspecteren.
De executiewaarde van de woning is in het taxatierapport vastgesteld op NAf 100.000,-.
3. De procedure in eerste aanleg
In eerste aanleg heeft [appellante] gevorderd:
‘Primair
a. De in vonnis AR 75341/2015 genoemd minimumbedrag van de verkoop van het onroerend goed in kwestie te herzien en te bepalen op NAf. 100.000 (…)
Subsidiair
Her-taxatie te bevelen van het onroerend goed in kwestie, uit te voeren door taxatiekantoor [makelaar] en tevens een deurwaarder aan te stellen die belast zal worden met de begeleiding van de uitvoering van de taxatie, nadrukkelijk voor wat betreft toegang tot het object tijdens de taxatie.
De minimumprijs voor de openbare verkoop vast te stelen op basis van de executiewaarde uit het alsdan uitgebrachte taxatierapport;
En verder:
Te oordelen dat voor het overige de beslissing van vonnis AR 75341/2015 in stand blijft.’
Het Gerecht heeft bij verstekvonnis van 28 maart 2023 bepaald dat het in het vonnis van het Gerecht van 25 september 2017 genoemde minimumbedrag van de verkoop van de woning wordt vastgesteld op NAf 100.000,-.
appellante] heeft tegen dit vonnis verzet aangetekend en daarbij gevorderd dat het Gerecht voormeld vonnis vernietigt en de vordering van [appellante] alsnog afwijst.
Bij het bestreden vonnis van 16 juni 2023 heeft het Gerecht het verzet ongegrond verklaard en het verstekvonnis van 28 maart 2023 bevestigd.
Het Gerecht heeft onder meer overwogen dat het vonnis van 25 september 2017 uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, zodat de veroordelingen in die uitspraak ten uitvoer kunnen worden gelegd. Het door [appellante] tegen dat vonnis ingestelde hoger beroep doet daar niet aan af. Niet is gebleken dat het Hof de tenuitvoerlegging van dat vonnis heeft geschorst. Er is dus geen sprake van misbruik van omstandigheden zijdens [appellante] Verder heeft het Gerecht overwogen dat [appellante] de vordering van [appellante] inhoudelijk niet heeft weersproken, zodat van de juistheid daarvan kan worden uitgegaan.
4. De beoordeling
Ook in hoger beroep heeft [appellante] tegen de vordering van [appellante] tot bepaling van het minimumbedrag van de verkoop van de woning op NAf. 100.000,- geen inhoudelijke bezwaren aangevoerd. De bezwaren van [appellante] tegen het bestreden vonnis hebben betrekking op haar stelling dat [appellante] goederen aan de nalatenschap heeft onttrokken. Daarbij komt dat ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de woning inmiddels bij openbare verkoop is verkocht en vervolgens is geleverd aan de koper. [appellante] heeft dan ook bij het hoger beroep geen belang meer. [appellante] heeft op 3 oktober 2025 een brief van gelijke datum met producties ingediend ter griffie waarin zij verzoekt om nietigverklaring van de openbare verkoop. Aan haar is meegedeeld dat zij dit verzoek bij het Gerecht moet indienen en dat het niet voor het eerst in hoger beroep kan worden ingediend. Over dat verzoek zal het Hof dan ook niet oordelen.
De slotsom is dat het bestreden vonnis wordt bevestigd. In de familierechtelijke relatie tussen partijen ziet het Hof aanleiding de proceskosten in hoger beroep te compenseren.
BE S L I S S I N G
Het Hof:
bevestigt het vonnis waarvan beroep
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mrs. E.A. Saleh, C.G. ter Veer en C.J.H.G. Bronzwaer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 13 januari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.