Burgerlijke zaken over 202
Registratienummer: CUR201500992 – CUR2017H00139
Uitspraak: 13 januari 2026
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
VONNIS IN KORT GEDING
In de zaak van:
[appellante] ,
wonend in [woonplaats],
oorspronkelijk gedaagde,
thans appellante,
procederend in persoon,
tegen
[geïntimeerde 1],
[geïntimeerde 2],
oorspronkelijk eisers,
thans geïntimeerden,
gemachtigde: mr. R.P. Bottse.
De partijen worden hierna [appellante respectievelijk [geïntimeerden] en afzonderlijk [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] genoemd.
1. Het verloop van de procedure
Voor het procesverloop in eerste aanleg wordt verwezen naar het tussen partijen gewezen vonnis van 25 september 2017 door het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (verder: het Gerecht) uitgesproken.
Bij brief van 6 november 2017, door het Hof aangemerkt als akte van hoger beroep, op 6 november 2017 ingediend ter griffie, is [appellante] in hoger beroep gekomen van voormeld vonnis.
Bij op 18 december 2017 ingekomen memorie van grieven heeft [appellante] een grief tegen het bestreden vonnis aangevoerd en geconcludeerd dat het Hof haar toestemming verleent om kosteloos te procederen, het werkelijk adres van [geïntimeerde2 ] zal achterhalen, zal bepalen dat [geïntimeerden] onttrekkingen hebben gepleegd aan de boedel en [geïntimeerden] zal veroordelen in de proceskosten in beide instanties.
Bij op 4 juni 2018 ingekomen memorie van antwoord heeft [geïntimeerden] de grief bestreden en geconcludeerd dat het Hof kosteloze bijstand zal ontzeggen, [appellante] niet-ontvankelijk zal verklaren en subsidiair het bestreden vonnis in stand zal laten, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten.
Op 18 november 2025 hebben partijen mondeling gepleit. Aanwezig waren [appellante] en namens [geïntimeerden] mr. Bottse. [appellante] heeft op 17 november 2025 pleitnotities naar het Hof gestuurd. Deze zijn door de griffie van het Hof naar de wederpartij gestuurd.
Ter zitting is afgesproken dat [appellante] tot uiterlijk 21 november 2025 gelegenheid krijgt om een productie in te dienen, waarop [geïntimeerden] uiterlijk 28 november 2025 mogen reageren. Na daarvoor verkregen toestemming heeft [appellante
de productie later, te weten op 26 november 2025 ingediend. [geïntimeerden] heeft hierop niet gereageerd.
Vonnis is gevraagd en bepaald op vandaag.
2. De feiten
Partijen zijn broer en zussen en de enige erfgenamen in de nalatenschap van hun overleden ouders. De vader van partijen is in 1995 overleden. De moeder van partijen is op [geboortedatum] 2012 overleden.
De nalatenschap van de ouders omvat een woning aan [de woning](hierna: de woning). [appellante] woont in de woning.
3. De procedure in eerste aanleg
In eerste aanleg heeft [geïntimeerden] gevorderd dat het Gerecht -samengevat-:
voor recht zal verklaren dat [geïntimeerden] geen onttrekkingen heeft gepleegd aan de boedel;
de gemeenschap zal liquideren;
een taxateur zal aanstellen;
[appellante] zal veroordelen om volledig mee te werken aan de taxatie;
en makelaarskantoor zal aanstellen;
zal bepalen dat de woning openbaar mag worden verkocht indien de woning een jaar na het vonnis nog niet is verkocht;
een onzijdig persoon zal benoemen;
[appellante] zal bevelen de woning te ontruimen uiterlijk drie maanden na mededeling van de notaris dat het huis is verkocht, op straffe van een dwangsom.
Bij het bestreden vonnis van 25 september 2017 heeft het Gerecht -samengevat-
voor recht verklaard dat in de onderhavige procedure niet is gebleken dat [geïntimeerden] onttrekkingen aan de boedel heeft gepleegd;
de vorderingen sub c en d afgewezen wegens gebrek aan belang;
de vordering tot verdeling van de woning toegewezen en een verkopend makelaar aangesteld;
bepaald dat indien de woning een jaar na het vonnis nog niet is verkocht, de verkoop middels openbare verkoop mag plaatsvinden;
deurwaarder [deurwaarder] als onzijdig persoon benoemd;
bepaald dat de netto-opbrengst van de woning gelijkelijk tussen partijen zal worden verdeeld;
[appellante] bevolen om de woning uiterlijk drie maanden na het bericht van de notaris te ontruimen.
Het Gerecht heeft onder meer overwogen dat partijen ter zitting zijn overeengekomen dat de sieraden onderling zouden worden verdeeld (r.ov 4.1). [appellante] heeft geen bewijs geleverd van haar stelling dat er bedragen aan een MCB-rekening zijn onttrokken. Nu genoegzaam is komen vast te staan dat de SVB-uitkering is gebruikt ter betaling van de Aqualectra rekening van de woning, kan niet worden geconcludeerd dat de SVB-pensioenuitkering is toegeëigend door [geïntimeerden] (r.ov 4.2).
4. De beoordeling
Het hoger beroep is door het Hof ten onrechte als ingetrokken beschouwd. Het Hof zal dan ook op het hoger beroep oordelen.
Gelet op het overgelegde bewijs van onvermogen is genoegzaam gebleken dat [appellante] niet in staat is de proceskosten te dragen, zodat haar toestemming zal worden verleend tot kosteloos procederen.
appellante] stelt dat tot de nalatenschap gelden behoren van KEP Credit Union (hierna: KEP), die na het overlijden van de vader van partijen op een bankrekening van de destijds nog in leven zijnde moeder van partijen moesten worden gestort. De moeder heeft [geïntimeerde 1] gemachtigd om dit te regelen. Bij onderzoek door [appellante] naar de bankrekening van de moeder is echter gebleken dat de betreffende gelden er niet op staan. [appellante] stelt dat [geïntimeerde 1] de gelden op een eigen depositorekening heeft gestort en tussen haar en [geïntimeerde 1 heeft verdeeld. [appellante] is op enig moment zelf naar KEP gegaan. Daar is tegen haar gezegd dat de naam van haar vader niet in het systeem voorkomt. Daarnaast is [appellante] bezig met verzekeringsmaatschappij (Comuna) om te achterhalen waar het geld van de leden van KEP is gestort. Dit kan enige tijd in beslag nemen.
appellante] heeft haar stelling dat [geïntimeerden] SVB- en KEP-gelden aan de nalatenschap heeft onttrokken niet voldoende onderbouwd. [geïntimeerden] heeft gemotiveerd betwist dat hij zich de SVB-pensioenuitkering heeft toegeëigend. In eerste aanleg heeft [geïntimeerden] gesteld dat de SVB-uitkering is gebruikt ter betaling van de Aqualectra-rekening van de woning. Ook in hoger beroep heeft [appellante] hiertegenover onvoldoende gesteld om tot een andere conclusie te komen.
Ten aanzien van de gestelde onttrekking van KEP-gelden geldt in de eerste plaats dat [appellante] op 26 november 2025 een brief van KEP heeft overgelegd waarin staat dat de ouders van partijen geen lid zijn geweest van KEP en dat er na hun overlijden geen gelden zijn vrijgekomen. Gelet hierop heeft [appellante] ook in hoger beroep onvoldoende onderbouwd dat [geïntimeerden] zich gelden van KEP heeft toegeëigend. Als het al zo is dat bepaalde gelden zich niet op de bankrekening van de moeder bevinden wil dat bovendien nog niet zonder meer zeggen dat [geïntimeerden] zich deze hebben toegeëigend. [geïntimeerden] hebben dit gemotiveerd betwist en [appellante] heeft haar stelling niet nader onderbouwd. Evenmin heeft [appellante] onderbouwd waarom het niet voorkomen van de naam van de vader in het systeem van KEP aan [geïntimeerden] moet worden toegerekend. Voor een nader onderzoek van deze kwestie door Comuna ter beoordeling van deze zaak bestaat dan ook geen aanleiding.
Ten aanzien van de sieraden heeft de gemachtigde van [geïntimeerden] ter zitting in hoger beroep aangegeven dat verdeling van de sieraden tussen [appellante] en [geïntimeerde 1] in bijzijn van de notaris heeft plaatsgevonden. [appellante] heeft hiertegenover haar stelling dat er sieraden aan de nalatenschap zijn onttrokken niet nader onderbouwd.
De slotsom is dat het bestreden vonnis wordt bevestigd. In de familierechtelijke relatie tussen partijen ziet het Hof aanleiding de proceskosten in hoger beroep te compenseren.
BE S L I S S I N G
Het Hof:
verleent [appellante] toestemming om kosteloos te procederen;
bevestigt het vonnis waarvan beroep;
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mrs. E.A. Saleh, C.G. ter Veer en C.J.H.G. Bronzwaer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 13 januari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.