Burgerlijke zaken over 2026
Zaaknummers: AUA202304546 – AUA2025H00132
Uitspraak: 31 maart 2026
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
B E S C H I K K I N G
in de zaak van:
[APPELLANTEN 1 TOT EN MET 5],
allen wonende in Nederland,
in eerste aanleg verzoekers,
thans appellanten,
gemachtigde: mr. E. Bokkes,
tegen
[GEÏNTIMEERDEN 1A TOT EN MET 6H],
in eerste aanleg verweerders, thans geïntimeerden.
Geïntimeerden 3d, 3i, 3j, 5a, 5b, 6a1 en 6e zijn niet verschenen.
Gemachtigde van de overige geïntimeerden: mr. G. Rep.
1. De zaak in het kort
Dit geding betreft de vraag wie tot vereffenaar benoemd dient te worden in een nalatenschap. Het Gerecht heeft de advocaat mr. J.M. de Cuba in die hoedanigheid benoemd. Appellanten zijn het daar niet mee eens. Het Hof bevestigt de bestreden beschikking.
2. Het verloop van de procedure
Bij op 13 juni 2025 ingekomen beroepschrift, met producties, zijn appellanten in hoger beroep gekomen van de tussen partijen gegeven en op 13 mei 2025 uitgesproken beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba. Hierbij hebben appellanten drie grieven tegen de beschikking aangevoerd en toegelicht. Hun conclusie strekt ertoe dat het Hof de beschikking zal vernietigen en, uitvoerbaar bij voorraad, hun verzoeken alsnog zal toewijzen, met veroordeling van geïntimeerden in de proceskosten in beide instanties.
Bij beschikking van 2 september 2025, zaaknummer AUA2025H00130, heeft het Hof het verzoek van appellanten afgewezen om de tenuitvoerlegging van de beschikking van het Gerecht te schorsen.
Bij op 2 februari 2026 ingekomen verweerschrift in hoger beroep, met producties, hebben de verschenen geïntimeerden de grieven bestreden. Hun conclusie strekt ertoe dat het Hof de bestreden beschikking zal bevestigen, met veroordeling van appellanten in de proceskosten in hoger beroep.
Bij e-mail van 5 februari 2026 heeft mr. J.M. de Cuba (die bij de bestreden beschikking tot vereffenaar is benoemd) toegezonden:
a. een brief van mr. De Cuba aan het Hof van 26 juni 2025 (geschreven in het kader van de schorsingsprocedure);
b. een concept van een vereffeningsverslag per 15 januari 2026;
c. de geactualiseerde boedelbeschrijving in concept.
De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgehad op 9 februari 2026. Verschenen zijn appellante 1, appellante 2, appellante 3, appellant 4 (via videoverbinding), [belanghebbende] (zoon van geïntimeerde 2; via videoverbinding), geïntimeerde 3c, geïntimeerde 3h en mrs. Bokkes, Rep en De Cuba. Verder is verschenen mr. D.W.L. Cloots, advocaat te Bergen op Zoom, gemachtigde van appellanten 1 en 4 (via videoverbinding). Mrs. Bokkes en Rep hebben het woord gevoerd aan de hand van pleitaantekeningen, waarvan zij exemplaren hebben overgelegd. Mr. De Cuba heeft het woord gevoerd. Een deel van de verschenen partijen heeft ook het woord gevoerd.
Beschikking is bepaald op vandaag.
Na de mondelinge behandeling zijn nog e-mails ingekomen op 23 februari 2026, 10 maart 2026 en 11 maart 2026.
3. De beoordeling
Feiten
Het Hof gaat uit van de volgende feiten.
Bij vonnis van 22 augustus 2018, zaaknummer AUA201600736, heeft het Gerecht mr. De Cuba benoemd tot (beheers)executeur van de nalatenschap van [de erflater], overleden op 20 december 2005 (hierna: de erflater).
Bij brief van 27 maart 2019 heeft mr. De Cuba een boedelbeschrijving aan het Gerecht aangeboden. Bij brief van 22 augustus 2019 heeft hij een gewijzigde boedelbeschrijving aan het Gerecht aangeboden. De wijziging houdt verband met een aanschrijving en een overleg met de Directie Infrastructuur en Planning van het Land Aruba (hierna: DIP) met betrekking tot een niet gerealiseerd hotel aan de [adres].
Bij beschikking van 15 juli 2019, zaaknummer AUA201600736, heeft het Gerecht het door mr. De Cuba als (beheers)executeur ingediende honorarium goedgekeurd: Afl. 23.115,75 aan loon, Afl. 804,50 aan verschotten en Afl. 6.678,00 aan overige kosten.
Verzoeken bij het Gerecht
In dit geding hebben verzoekers (thans appellanten) het Gerecht verzocht, verkort weergegeven:
a. mr. Bokkes en [appellante 1] (thans appellante 1) te benoemen tot vereffenaars, althans executeurs van de nalatenschap,
b. althans een andere vereffenaar te benoemen, en
c. mr. De Cuba te ontslaan als executeur,
met nevenverzoeken.
Beslissingen van het Gerecht
Bij de bestreden beschikking heeft het Gerecht mr. De Cuba, voor zover vereist, ontslagen als (beheers)executeur en benoemd tot vereffenaar van de nalatenschap, met verdere beslissingen.
Verzoeken bij het Hof
In hoger beroep hebben appellanten het Hof verzocht, verkort weergegeven:
a. primair: mr. Bokkes en [appellante 1] (appellante 1) gezamenlijk te benoemen tot vereffenaars,
b. subsidiair: een andere vereffenaar te benoemen dan mr. De Cuba, in overleg met de erfgenamen.
Beoordeling door het Hof
Bij de mondelinge behandeling hebben appellanten hun primaire verzoek (benoeming van mr. Bokkes en [appellante 1]) ingetrokken. Ter beoordeling staat dus nog slechts het subsidiaire verzoek (benoeming van een andere vereffenaar dan mr. De Cuba).
Het Hof zal eerst onderzoeken of de bezwaren van appellanten tegen benoeming van mr. De Cuba objectief gerechtvaardigd zijn. Hierbij zal het Hof de bezwaren langslopen die genoemd staan in de brief van appellante 2 van 21 mei 2025 (productie 21 bij het beroepschrift).
Volgens de brief van 21 mei 2025 heeft mr. De Cuba een honorarium in rekening gebracht voor het ongewijzigd overnemen van een door de accountant van appellanten opgestelde boedelbeschrijving. Deze klacht levert geen objectief gerechtvaardigd bezwaar op. In zijn brief van 26 juni 2025 heeft mr. De Cuba zijn werkzaamheden omschreven (onder 2-9 en onder 12). Het Gerecht heeft zijn honorarium op 15 juli 2019 goedgekeurd (zie 3.1.3 hiervoor). In het licht hiervan hebben appellanten onvoldoende hun stelling onderbouwd dat mr. De Cuba een door een ander opgestelde boedelbeschrijving ongewijzigd heeft overgenomen. Ook voor het overige hebben zij onvoldoende onderbouwd dat mr. De Cuba kosten in rekening heeft gebracht voor niet verrichte werkzaamheden of anderszins excessief heeft gedeclareerd.
Volgens de brief van 21 mei 2025 heeft mr. De Cuba de belangen van de erfgenamen onvoldoende in acht genomen door te weigeren mee te werken aan een plan tot ontwikkeling van een perceel tot een hotel. Ook deze klacht levert geen objectief gerechtvaardigd bezwaar op. In zijn aangepaste boedelbeschrijving van 22 augustus 2019 heeft mr. De Cuba de aanpassing toegelicht met verwijzing naar een aanschrijving van en een overleg met DIP (zie 3.1.2 hiervoor). In het licht van die toelichting is het verwijt aan mr. De Cuba dat hij zich laat leiden door persoonlijke voorkeuren of belangen onvoldoende onderbouwd. Ook voor het overige hebben appellanten onvoldoende hun stelling onderbouwd dat mr. De Cuba onvoldoende rekening houdt met gerechtvaardigde belangen van erfgenamen.
Volgens de brief van 21 mei 2025 heeft mr. De Cuba niet goed met appellanten gecommuniceerd. Ook deze klacht levert geen objectief gerechtvaardigd bezwaar op. In zijn brief van 26 juni 2025 heeft mr. De Cuba zijn contacten met [appellante 1] omschreven (onder 4 en onder 9). In het licht daarvan hebben appellanten de klacht dat mr. De Cuba niet goed heeft gecommuniceerd, onvoldoende onderbouwd.
Op grond van het voorgaande is het Hof van oordeel dat de bezwaren van appellanten tegen benoeming van mr. De Cuba niet objectief gerechtvaardigd zijn. Aangenomen moet worden dat mr. De Cuba onpartijdig en onafhankelijk is. Er is geen objectief gerechtvaardigde grond om anders te vrezen.
Indien bij een deel van de rechthebbenden op de nalatenschap bezwaren bestaan tegen een bepaalde persoon, kan het onder omstandigheden zinvol zijn om een ander als vereffenaar te benoemen, ook indien de bezwaren niet objectief gerechtvaardigd zijn. Dit is bij de mondelinge behandeling aan de orde gesteld. In dit geval ziet het Hof daar echter onvoldoende aanleiding voor, gelet op het volgende.
De erflater is reeds meer dan twintig jaar geleden overleden. Er zijn sinds lange tijd geschillen tussen de rechthebbenden op de nalatenschap. Het is dan onvermijdelijk dat een vereffenaar beslissingen neemt waarmee een deel van de rechthebbenden het niet eens is. Dat behoort op zichzelf geen reden te zijn om een andere vereffenaar te zoeken.
Zoals het Gerecht in de bestreden beschikking heeft overwogen, beschikt mr. De Cuba over ruime ervaring als faillissementscurator en vereffenaar van nalatenschappen. Hij geniet het vertrouwen van het Gerecht en ook van het Hof. Verder is van belang dat hij voor deze nalatenschap al veel werkzaamheden heeft verricht en dat hij dus goed is ingewerkt. Het Hof acht het juist in het belang van een voortvarende afwikkeling van de nalatenschap dat de benoeming van mr. De Cuba in stand blijft.
In hoger beroep is niet van belang of de beschikking van het Gerecht voldoende is gemotiveerd; in zoverre faalt grief 2. Evenmin is in hoger beroep van belang of appellanten in eerste aanleg voldoende zijn gehoord. Daarom faalt grief 3. In hoger beroep zijn appellanten voldoende in de gelegenheid gesteld hun standpunt kenbaar te maken en toe te lichten.
Het hoger beroep slaagt niet. De beschikking waarvan beroep dient te worden bevestigd. Het Hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
B E S L I S S I N G
Het Hof bevestigt de bestreden beschikking.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.C.C. Lewin, C.G. ter Veer en C.J.H.G. Bronzwaer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba uitgesproken op 31 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.