AUA2025H00278 en AUA2025H00279
Datum uitspraak: 15 april 2026
gemeenschappelijk hof van jusTitie
van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN
EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Uitspraak op de hoger beroepen van:
[naam appellant],
appellant,
tegen de uitspraken van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) van 1 oktober 2025 in zaken nrs. AUA202500148 en AUA202500147, in de gedingen tussen:
appellant
en
de minister van Economische Zaken, Communicatie en Duurzame Ontwikkeling (hierna: de minister)
Procesverloop
Bij beschikkingen van 5 oktober 2021 en 30 september 2021 heeft de minister de hoogte van de definitieve loonsubsidie voor de maanden juni tot en met december 2020 vastgesteld op Afl. 17.078,54.-, Afl. 0,00.-, Afl. 26.734,86.-, Afl. 24.754,60.-, Afl. 30.781,02.-, Afl. 11.157,47.- en Afl. 0,00.-. Daarbij heeft de minister vastgesteld dat deze bedragen lager zijn dan de bedragen die hij bij wijze van voorschot heeft uitgekeerd en besloten dat het verschil wordt teruggevorderd van appellant.
Bij beschikkingen van 27 januari 2022 heeft de minister de hoogte van de definitieve loonsubsidie voor de maanden april en juni tot en met oktober 2021 vastgesteld op Afl. 14.471,81.-, Afl. 23.832,74.-, Afl. 0,00.-, Afl. 25.607,86.-, Afl. 31.248,44.- en Afl. 35.425,52. Daarbij heeft de minister vastgesteld dat deze bedragen lager zijn dan de bedragen die hij bij wijze van voorschot heeft uitgekeerd en besloten dat het verschil wordt teruggevorderd van appellant.
Bij beschikkingen van 12 december 2024 heeft de minister de tegen deze beschikkingen door appellant gemaakte bezwaren gegrond verklaard voor zover het gaat over de maanden juli 2020 en juli 2021 en de loonsubsidie voor die maanden vastgesteld op Afl. 23.540,71.- voor de maand juli 2020 en Afl. 28.550,85.- voor de maand juli 2021. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard (hierna: de bestreden beschikkingen).
Bij uitspraken van 1 oktober 2025 heeft het Gerecht de tegen de bestreden beschikkingen door appellant ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraken heeft appellant hoger beroepen ingesteld.
Het hoger beroep met zaak nummer AUA2025H00279 is gericht tegen de uitspraak van het Gerecht in zaak nummer AUA202500148. Die uitspraak gaat over de betwiste maanden in 2020. Het hoger beroep met zaak nummer AUA2025H00278 is gericht tegen de uitspraak van het Gerecht in zaak nummer AUA202500147. Die uitspraak gaat over de betwiste maanden in 2021.
Het Hof heeft de zaken op een zitting behandeld op 23 maart 2026. Appellant werd vertegenwoordigd door mr. J.J.C. Odor, advocaat. De minister werd vertegenwoordigd door mr. Y.F.M. Kaarsbaan en mr. T. Loopstok.
Het Hof heeft op 26 maart 2026 het op de zitting gedane verzoek om aanhouding van de zaken van appellant afgewezen en het onderzoek gesloten.
OverwegingenInleiding
1. Appellant is eigenaar van het bedrijf [bedrijfsnaam]. Hij heeft als werkgever een beroep gedaan op de Ministeriële Beschikking van 31 mei 2020 en de Landsverordening van 9 december 2021 houdende regels inzake de tijdelijke verstrekking van financiële steun aan de werkgevers als een tegemoetkoming in de loonkosten teneinde de werkgelegenheid onder de buitengewone omstandigheden als gevolg van de COVID-19 pandemie te behouden (hierna: de Landsverordening tijdelijke loonsubsidie).
De tabel hieronder bevat de bedragen die de minister bij wijze van voorschot heeft verleend en uitgekeerd, de door de minister later vastgestelde definitieve hoogte van de loonsubsidie en de omzetdaling waarvan de minister is uitgegaan bij de berekening van de loonsubsidie.
Periode
Voorschotbedrag
Definitieve vaststelling
Omzetdaling
Juni 2020
Afl. 39.977,86.-
Afl. 17.078,54.-
32%
Juli 2020
Afl. 30.002,86.-
Afl. 23.540,71.- (na bezwaar)
51% (na bezwaar)
Augustus 2020
Afl. 30.002,86.-
Afl. 26.734,86.-
58%
September 2020
Afl. 32.310,69.-
Afl. 24.754,60.-
54%
Oktober 2020
Afl. 33.036,30.-
Afl. 30.781,02.-
70%
November 2020
Afl. 28.631,48,-
Afl. 11.157,47.-
25%
December 2020
Afl. 12.023,07.-
Afl. 0,00.-
-1%
April 2021
Afl. 26.050,06.
Afl. 14.471,81.-
36%
Juni 2021
Afl. 27.340,77.-
Afl. 23.832,74.-
57%
Juli 2021
Afl. 19.765,97.-
Afl. 28.550,85.- (na bezwaar)
65% (na bezwaar)
Augustus 2021
Afl. 32.943,22.-
Afl. 25.607,86.-
58%
September 2021
Afl. 31.453,94.-
Afl. 31.248,44.-
75%
Oktober 2021
Afl. 31.453,94.-
Afl. 35.425,52.-
84%
Beoordeling
2. Appellant betoogt in de eerste plaats dat het Gerecht zijn verzoek gedaan tijdens de zitting bij het Gerecht om hem langer de tijd te geven om zijn beroepsgronden te onderbouwen, ten onrechte heeft afgewezen.
Het Hof volgt dit betoog niet. Daarmee gaat appellant er namelijk aan voorbij dat de bestreden beschikkingen van 12 december 2024 dateren en dat de zitting van het Gerecht op 20 augustus 2025 plaatsvond. Appellant heeft in die periode voldoende gelegenheid gehad om zijn beroepsgronden te onderbouwen.
Appellant betoogt verder dat het Gerecht niet heeft onderkend dat uit de overgelegde stukken over de belasting op bedrijfsomzetten (BBO), bestemmingsheffing AZV (BAZV) en belasting additionele voorzieningen PPS-projecten (BAVP) blijkt dat hij wel degelijk voldoet aan de voorwaarde van 25% omzetdaling.
Het Hof stelt vast dat appellant opkomt tegen de definitieve vaststelling van de loonsubsidie over alle in geding zijnde maanden. Appellant gaat er met zijn betoog aan voorbij dat de minister heeft geoordeeld dat hij voldeed aan de voorwaarde van een omzetdaling van 25% of meer door definitieve loonsubsidie toe te kennen voor alle betwiste maanden met uitzondering van de maand december 2020. Het betoog slaagt daarom niet. Op de subsidie voor de maand december 2020 wordt hierna ingegaan.
Het Hof begrijpt het betoog van appellant over de hoogte van de definitieve loonsubsidie zo, dat hij vindt dat de minister bij de vaststelling van de definitieve loonsubsidie voor alle betwiste maanden had moeten uitgaan van dezelfde gegevens als bij de verlening van de voorschotten en daarmee ook telkens van dezelfde percentages aan omzetverlies.
Het Hof volgt appellant hierin niet. Zoals volgt uit punt 9 van de Ministeriële Beschikking van 13 mei 2020 en artikel 4, eerste lid, van de Landsverordening tijdelijke loonsubsidie, is voor de berekening van de omzetdaling de omzet van dezelfde maand van het voorgaande jaar van belang. Appellant heeft in beroep en in hoger beroep weliswaar gegevens overgelegd over afgedragen belastingen in 2021, maar omdat enige toelichting daarbij ontbreekt, en gegevens over de afgedragen belastingen in 2020 ontbreken, heeft hij daarmee de door de minister vastgestelde percentages en in het verweerschrift bij het Gerecht nader uiteengezette berekeningen niet concreet betwist. Bovendien heeft de minister bij de behandeling van de bezwaren van appellant de aangiften BBO/BAVP/BAZV over de jaren 2019, 2020 en 2021 geraadpleegd en vastgesteld dat de door appellant genoemde omzetdaling niet uit zijn eerdere aangiften volgt. De minister heeft appellant in de gelegenheid gesteld om de aangiften te corrigeren en om de afwijkende bedragen toe te lichten, maar daarop heeft appellant niet gereageerd. Appellant heeft ook in beroep en hoger beroep geen (nadere) gegevens verstrekt, die het Hof doen twijfelen aan de juistheid van de vaststelling door de minister.
Omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij voldeed aan de vereiste minimale omzetdaling van 25% in de maand december 2020, komt het Hof tot de conclusie dat de loonsubsidie over die maand terecht is vastgesteld op Afl. 0,00.-. Omdat appellant evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat de minister voor de overige betwiste maanden is uitgegaan van een onjuist percentage aan omzetdaling, moet het er voor worden gehouden dat de minister de definitieve loonsubsidie op de correcte bedragen heeft vastgesteld.
Conclusie
3. De hoger beroepen zijn ongegrond. De uitspraken van het Gerecht worden bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:
bevestigt de aangevallen uitspraken.
Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. T.G.M. Simons en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Buntjer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026.