GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
[appellant],
wonende in Bonaire,
in eerste aanleg gedaagde in conventie, eiser in reconventie, thans appellant,
gemachtigde: mr. D.M. Wildeman,
tegen
mr. Constantijn Michiel VAN LIERE, in zijn hoedanigheid van curator van de naamloze vennootschap BONAIRE PETROLEUM CORPORATION N.V.,
kantoorhoudende in Bonaire,
in eerste aanleg eiser in conventie, verweerder in reconventie, thans geïntimeerde,
gemachtigden: mrs. L.F.F.M. Drissen en H.N. Kirpalani.
Partijen worden hierna [werknemer] en de curator genoemd.
De zaak in het kort
1. In deze rechtszaak vordert de curator van een failliete vennootschap een deel van het aan de directeur van de vennootschap betaalde loon als onverschuldigd betaald terug omdat niet schriftelijk een nettoloon was overeengekomen, zoals geregeld in art. 5 van de Expatregeling.
Het verloop van de procedure
Bij op 5 juni 2024 ingekomen akte van appel is werknemer in hoger beroep gekomen van het tussen partijen in conventie gewezen en op 24 april 2024 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, zittingsplaats Bonaire (hierna: het Gerecht).
Bij op 17 juli 2024 ingekomen memorie van grieven, met producties, heeft Werknemer acht grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen, de vorderingen van de curator alsnog zal afwijzen en zal bepalen dat tenuitvoerlegging van het vonnis geschorst dient te worden totdat er een nieuw oordeel is geveld over de terugbetalingsverplichting van Appellant, met veroordeling van de curator in de proceskosten in beide instanties, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
Bij op 17 oktober 2024 ingekomen memorie van antwoord heeft de curator de grieven bestreden. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen, met veroordeling van Werknemer in de proceskosten in hoger beroep, met nakosten en rente.
Op 3 maart 2026 hebben de gemachtigden van partijen de zaak bepleit. Daarbij hebben zij pleitnotities overgelegd. De gemachtigde van Werknemer heeft tevens drie nieuwe producties in het geding gebracht die samen met een schriftelijke pleitnota tevoren aan het Hof en de gemachtigde van de curator waren toegezonden.
Vonnis is bepaald op vandaag.
Feiten
3. Het Hof gaat uit van de volgende feiten.
Werknemer is als general manager werkzaam geweest voor de naamloze vennootschap Bonaire Petroleum Corporation N.V., verder te noemen Bopec. De desbetreffende voorwaarden zijn vastgelegd in een op schrift gestelde arbeidsovereenkomst van 5 augustus 2016. Art. 3.1 van die arbeidsovereenkomst luidt als volgt:
"Salary. BOPEC will pay the Employee a gross basic salary of 14,750 USD per month. BOPEC will deduct from the gross salary the taxes (actually is 30.4%) and any other applicable deductions. BOPEC will strive to obtain the best fiscal position for the Employee. The Employee will not be entitled to overtime compensation."
Op 23 februari 2016 heeft Bopec een verzoek tot toepassing van de Regeling ex-patriates 1998 BES (hierna: de Expatregeling) ingediend. Bij beschikking van 17 maart 2016 heeft de Inspecteur aan Werknemer met ingang van 24 november 2015 voor de duur van vijf jaren de status van ex-patriate toegekend als bedoeld in die regeling.
Gedurende de looptijd van de arbeidsovereenkomst heeft Bopec Werknemer het onder 3.1. genoemde bedrag aan salaris van $ 14.750,-- gebruteerd en hem (inclusief emolumenten) per maand $ 23.232,74 bruto salaris betaald.
Bij beschikking van het Gerecht van 1 september 2020, BON202000320, is, voor zover hier van belang, in een ontbindingsprocedure de arbeidsovereenkomst tussen Werknemer en Bopec met ingang van 1 oktober 2020 ontbonden, onder toekenning van een vergoeding aan Werknemer van $ 163.000,-- bruto ten laste van Bopec, verminderd met een eventuele cessantia-uitkering.
Op 15 september 2020 heeft Bopec een eindafrekening aan Werknemer verstuurd. Daarin is ook de beëindigingsvergoeding van $ 163.000,- minus cessantia opgenomen. Op 1 oktober 2020 heeft Bopec conform die eindafrekening, na (fiscale) inhoudingen, een bedrag van $ 125.247,23 netto aan Werknemer uitgekeerd. Op 6 oktober 2020 heeft Bopec in aanvulling hierop nog een bedrag van $ 12.852,44 aan cessantia aan Werknemer uitgekeerd.
Werknemer heeft op 29 oktober 2020 uit hoofde van de genoemde beschikking van 1 september 2020 executoriaal derdenbeslag doen leggen onder Stichting Derdengelden Burgers & Fung-A-Loi voor een bedrag van in totaal $ 241.757,79 (hierna: het beslag). In de beslagstukken is opgenomen dat het beslag is gelegd voor het nog verschuldigde bedrag van de eindafrekening, vermeerderd met kosten.
Met betrekking tot de betalingen door Bopec aan Werknemer zijn een rapport van 2 november 2020 van Cactus Accounting Services aan Bopec en een notitie van 26 januari 2021 van mr. drs. J.R. Kos in het geding gebracht. Voorts heeft [Werknemer] in het geding gebracht een rapport van 22 september 2020 van Linkels Accounting aan Werknemer.
Op 18 maart 2021 (in de loop van het geding in eerste aanleg) heeft het Gerecht Bopec in staat van faillissement verklaard met aanstelling van de curator als zodanig. De curator heeft het geding in conventie overgenomen.
Procedure in eerste aanleg
Bopec vorderde in eerste aanleg, kort gezegd, de opheffing van het door Werknemer gelegde beslag, Werknemer op straffe van een dwangsom te verbieden nieuwe beslagen ten laste van Bopec te leggen en Werknemer te veroordelen tot betaling van een bedrag van $ 301.878,-- en een bedrag van $ 8.000,--, met de veroordeling van Werknemer in de proceskosten met rente.
Bij vonnis van 18 november 2020 heeft het Gerecht het beslag opgeheven. Dit hoger beroep ziet niet op die beslissing.
Dit hoger beroep heeft ook geen betrekking op de vordering in reconventie van Werknemer. Door het faillissement van Bopec is het geding in reconventie geschorst.
Bij het bestreden vonnis van 24 april 2024 heeft het Gerecht Werknemer, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld tot betaling aan de curator van een bedrag van $ 301.878 en hem in de proceskosten veroordeeld, die aan de zijde van de curator zijn begroot op $ 12.000 te vermeerderen met de nakosten en rente, en het meer of anders gevorderde afgewezen.
Daartoe heeft het Gerecht, voor zover thans van belang, het volgende overwogen.
De curator baseert zijn vordering op onverschuldigde betaling (art. 6:203 BW) en ongerechtvaardigde verrijking (art. 6:212 BW).
Of daarvan sprake is hangt in belangrijke mate af van de betekenis die moet
worden toegekend aan de bepaling in art. 3.1 van de arbeidsovereenkomst
"BOPEC will strive to obtain the best fiscal position for the Employee." (…).
Vooropgesteld wordt dat Bopec en Werknemer geen concrete invulling hebben gegeven aan hun in art. 3.1 van de arbeidsovereenkomst overeengekomen streven de beste fiscale positie voor Werknemer te verkrijgen. Zij hebben, meer in het bijzonder, geen nettoloonafspraak schriftelijk vastgelegd. (…)
Voor de beoordeling welke zin Bopec (thans: de curator) en Werknemer in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de in r.o. 4.2 geciteerde bepaling mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, acht het gerecht van groot belang dat in art. 3.1 van de arbeidsovereenkomst de beide bepalingen
"BOPEC will deduct from the gross salary the taxes (actually is 30,4%) and any other applicable deductions."
en
"BOPEC will strive to obtain the best fiscal position for the Employee."
direct op elkaar volgen.
Naar het oordeel van het gerecht kan de eerstgenoemde bepaling niet anders worden uitgelegd dan dat Bopec op het bruto salaris van Werknemer zal inhouden de belastingen ("taxes") en andere toepasselijke afdrachten ("other applicable deductions"). Geen van beide partijen heeft een andere uitleg bepleit.
In het licht daarvan is niet aannemelijk dat Werknemer aan "BOPEC will strive to obtain the best fiscal position for the Employee" redelijkerwijs de betekenis van een nettoloonafspraak heeft toegekend of mocht toekennen en evenmin dat Bopec moest begrijpen dat Werknemer die betekenis eraan toekende. Integendeel, partijen zijn uitdrukkelijk een bruto loon overeengekomen. (…)
Art. 5 van de Expatregeling wijst al evenmin op een overeengekomen nettoloonafspraak. Dat art. luidt als volgt:
"Indien de werkgever de door de werknemer verschuldigde loon- of inkomstenbelasting voor zijn rekening neemt vindt geen brutering van het loon plaats indien tussen de werknemer en werkgever schriftelijk een netto loon is overeengekomen."
Een schriftelijke overeenkomst als bedoeld in art. 5 van de Expatregeling zijn partijen niet met elkaar aangegaan. In r.o. 3.2 van zijn vonnis van 7 oktober 2016 (ECLI:NL:OGHACMB:2016:122) heeft het Hof in een Sint-Maartense zaak waarin dat evenmin was gebeurd, het volgende overwogen:
"(....)Evenals het GEA is het Hof van oordeel dat art. 4 van de expatregeling ondubbelzinnig als voorwaarde stelt dat schriftelijk een netto loon is overeengekomen. Vaststaat dat dit niet is gebeurd, zodat niet aan deze voorwaarde is voldaan. Dit betekent dat SMMC niet in enige verplichting is tekort geschoten door art. 4 van de expatregeling niet op de loonbetalingen aan (werknemere) toe te passen." (…)
Niet is gesteld of gebleken dat Werknemer na de toekenning aan hem van de status van ex-patriat Bopec heeft verzocht een schriftelijke overeenkomst als bedoeld in art. 5 van de Expatregeling met hem aan te gaan. Een dergelijk verzoek zou zonder meer voor de hand hebben gelegen indien partijen hadden beoogd een nettoloonafspraak te maken.(…)
Werknemer voert voorts aan dat Bopec jarenlang de nettoloonafspraak heeft geïmplementeerd, zij het dat de betalingen niet volledig en correct zijn berekend. Werknemer verwijst ter onderbouwing daarvan naar de notitie van mr. drs. J.R. Kos.
Dit wordt door Bopec/de curator betwist, in verband waarmee Bopec/de curator voorts heeft aangevoerd dat Werknemer zelf de opdracht heeft gegeven het verzoek tot toepassing van de Expatregeling in te dienen en de HR-afdeling van Bopec heeft geïnstrueerd om "bruto is netto loon" aan hem uit te betalen. Werknemer heeft deze stellingen niet althans onvoldoende bestreden.(…)
Werknemer heeft zich bij pleidooi nog beroepen op art. 6:2 BW. Hij heeft echter niet toegelicht i) dat de regel dat schuldeiser en schuldenaar verplicht zijn zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid (lid 1) en ii) dat de regel dat een tussen hen krachtens wet, gewoonte of rechtshandeling geldende regel niet van toepassing is, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (lid 2) tot de conclusie leidt dat een nettoloonafspraak is gemaakt. Het gerecht is van oordeel dat zulks ook niet het geval is.
(…)
Zijn stelling dat het bedrag dat onverschuldigd is betaald, $ 301.878,-- bedraagt, baseert de curator op het eerdergenoemde rapport van 2 november 2020 van Cactus Accounting Services.
Werknemer acht dat bedrag onjuist omdat volgens zijn stelling een nettoloonafspraak is gemaakt. Die stelling is reeds verworpen.
Werknemer heeft geen (andere) concrete verweren aangevoerd tegen de berekening van Cactus Accounting Services.
Grieven
5. Werknemer heeft de volgende grieven tegen het vonnis in eerste aanleg aangevoerd.
I. Ten onrechte heeft het Gerecht niet als vaststaand feit aangenomen, althans niet in haar beoordeling, meegenomen, dat bij beschikking van 1 september 2020 werd vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil staat dat het overeengekomen brutosalaris, met emolumenten, $ 23.232,74 bedraagt.
II. Ten onrechte heeft het Gerecht zonder nadere motivering meer waarde gehecht aan het rapport van Cactus Accounting Services d.d. 2 november 2020 dan aan het rapport van mr. drs. J.R. Kos d.d. 26 januari 2021, respectievelijk de brief van Linkels Accounting d.d. 9 december 2019.
III. Ten onrechte overweegt het Gerecht in r.o. 4.4. van het bestreden vonnis dat BOPEC en Werknemer geen concrete invulling hebben gegeven aan hun in art. 3.1 van de arbeidsovereenkomst overeengekomen streven de beste fiscale positie voor Werknemer te verkrijgen.
IV. Het Gerecht gaat ten onrechte van een onjuiste rechtsopvatting uit door in r.o. 4.10 van het bestreden vonnis aan te nemen dat voor de toepassing van de Expatregeling een schriftelijke nettoloonafspraak daaraan ten grondslag dient te liggen.
V. Het Gerecht acht ten onrechte in r.o. 4.15 van het bestreden vonnis onvoldoende bestreden dat de stelling van de curator dat Werknemer zelf de opdracht heeft gegeven het verzoek tot toepassing van de Expatregeling in te dienen en de HR-afdeling van BOPEC heeft geïnstrueerd om “bruto is nettoloon” aan hem uit te betalen.
VI. Ten onrechte heeft het Gerecht in r.o. 4.20 van het bestreden vonnis overwogen dat het beroep van Werknemer op art. 6:2 BW BES erop zag dat het beroep van Werknemer op deze wetsbepaling had moeten leiden tot de conclusie dat er een nettoloonafspraak is gemaakt.
VII. Ten onrechte heeft het Gerecht in r.o. 4.25 van het bestreden vonnis aangenomen dat er door BOPEC aan Werknemer een bedrag van $ 301.878,-- onverschuldigd is betaald.
VIII. Het Gerecht heeft ten onrechte het salaris van de gemachtigde begroot op $ 12.000.
Beoordeling door het Hof
Anders dan Werknemer aan grief I ten grondslag legt, komt aan de vaststelling van de hoogte van het loon voor de bepaling van de vergoeding in een beschikking in een procedure tot ontbinding van een arbeidsovereenkomst, geen gezag van gewijsde toe in een zaak als deze, waarin aan de rechter een beslissing wordt gevraagd over de hoogte van het loon. In de ontbindingsprocedure was de hoogte van het loon geen geschilpunt en de vaststelling daarvan diende slechts om een ontbindingsvergoeding te kunnen berekenen, zodat daarom nu niet dezelfde rechtsbetrekking als bedoeld in art. 70a Rv in geschil is. Bovendien staat de omstandigheid dat een ontbindingsprocedure met te weinig waarborgen is omkleed er aan in de weg dat in die procedure gegeven beslissingen gezag van gewijsde zouden hebben in een andere procedure (HR 1 oktober 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2976, NJ 1999/738, r.ov. 3.5.). Terecht heeft de curator erop gewezen dat de ontbindingsprocedure een eenvoudige op spoedige beslissing gerichte procedure is, waarvoor de wettelijke bewijsregels niet van toepassing zijn en waarvoor bovendien een rechtsmiddelenverbod geldt (art. 7A:1615w lid 8 BW).
De grieven II, III, IV,V en VII kunnen niet tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep leiden omdat die alle miskennen dat in art. 5 van de Expatregeling de toelaatbaarheid om het overeengekomen loon netto uit te betalen uitdrukkelijk afhankelijk is gesteld van een schriftelijk vastgelegde nettoloonafspraak, zoals het Hof in een zaak over een vergelijkbare regeling in Sint Maarten ook heeft geoordeeld in zijn vonnis van 7 oktober 2016 (ECLI:NL:OGHACMB:2016:122).
Art. 3.1 van de arbeidsovereenkomst moet worden uitgelegd volgens de Haviltex-maatstaf. In dit geval is (in art. 3.1 van de arbeidsovereenkomst) uitdrukkelijk een brutoloon overeengekomen. Daaraan kan niet afdoen dat partijen eveneens zijn overeengekomen dat “BOPEC will strive to obtain the best fiscal position for the Employee”. Werknemer heeft geen stellingen aangevoerd waaruit afgeleid zou kunnen worden dat partijen destijds met de verplichting van BOPEC om voor Werknemer te streven naar de gunstige fiscale positie, zouden hebben bedoeld dat BOPEC gehouden is om voor Werknemer diens loonbelasting te betalen of te vergoeden. Ook heeft hij geen stellingen aangevoerd waaruit afgeleid zou kunnen worden dat partijen de bepaling redelijkerwijs zo mochten of moesten begrijpen. Los daarvan, zou met een dergelijke, van de op schrift gestelde arbeidsovereenkomst afwijkende, bedoeling niet voldaan zijn aan het schriftelijkheidsvereiste van art. 5 van de Expatregeling. Art. 3.1 van de arbeidsovereenkomst kan niet gelezen worden als een bepaling waarbij “tussen de werknemer en werkgever schriftelijk een netto loon is overeengekomen” als bedoeld in art. 5 van de Expatregeling.
In grief VI klaagt Werknemer erover dat het Gerecht niet heeft geoordeeld dat onder de gegeven omstandigheden de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid meebrengt dat, ook als sprake zou zijn van onverschuldigde betaling, de curator niet gerechtigd is om tot terugvordering over te gaan. In dit verband beroept Werknemer zich op de volgende omstandigheden: als werknemer is hij de zwakkere partij en verdient hij derhalve bescherming in de arbeidsverhouding, Werknemer heeft redelijkerwijs niet behoeven op te merken dat hem te veel loon werd uitbetaald, heeft zijn bestedingspatroon afgestemd op het feitelijk ontvangen loon gedurende vier jaren en heeft geen andere inkomstenbron dan zijn pensioen om een eventuele terugbetalingsvordering te kunnen voldoen.
Ten tijde van de gewraakte loonbetalingen was Werknemer enig bestuurder van Bopec op Bonaire. Hij was derhalve verantwoordelijk voor de lokale bedrijfsvoering van Bopec, waaronder voor de wijze waarop loonbetalingen plaatsvonden. Hij heeft niet betwist dat daar vanuit het hoofdkantoor in Caracas geen toezicht op werd gehouden. Tegen die achtergrond kan hij niet aangemerkt worden als de ten opzichte van Bopec zwakkere partij die in de arbeidsverhouding speciale bescherming verdient. Hij personifieerde als enig bestuurder immers zelf zijn werkgever.
Gelet op de duidelijke tekst van art. 3.1 in de arbeidsovereenkomst (“BOPEC will pay the Employee a gross basic salary of 14,750 $ per month. BOPEC will deduct from the gross salary the taxes”) heeft er bij Werknemer redelijkerwijs geen misverstand over kunnen bestaan dat hij geen recht had op een salaris van $ 14.750 netto. Dat de foutieve betalingen vier jaren hebben voortgeduurd kan bij hem redelijkerwijs ook niet het vertrouwen hebben kunnen wekken dat hij steeds het juiste bedrag ontving, aangezien hij zelf degene was die bestuurlijk verantwoordelijk was voor de betalingen en het voortduren daarvan.
Het moge zo zijn dat Werknemer zijn bestedingspatroon aangepast heeft aan het te hoge bedrag dat Bopec hem gedurende vier jaren heeft uitbetaald, maar dat maakt niet dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat de curator het onverschuldigd betaalde bedrag terugvordert.
Het vorenstaande leidt tot verwerping van grief VI.
Werknemer legt aan grief VIII ten grondslag dat de begroting van het salaris van de gemachtigde in het vonnis waarvan beroep niet strookt met het geldende liquidatietarief. De curator heeft zich daaromtrent gerefereerd aan het oordeel van het Hof.
Het Gerecht heeft de beslissing over de hoogte van het salaris van de gemachtigde niet gemotiveerd. Het Hof ziet geen aanleiding om voor de begroting van het salaris in eerste aanleg af te wijken van het liquidatietarief. Gelet op de onder 4.1. weergegeven vordering valt het belang van de zaak in tariefgroep 9; derhalve een bedrag van $ 2.235,-- per punt.
Zoals blijkt uit de weergave van het procesverloop in het vonnis waarvan beroep, waartegen in zoverre geen grieven zijn aangevoerd, heeft de curator in de bodemzaak – in conventie – een conclusie van repliek genomen en de zaak mondeling bepleit (in het vonnis in kort geding, waarin naar de bodemprocedure is verwezen, is al een kostenveroordeling uitgesproken).
Uitgaande van het liquidatietarief had het salaris van de gemachtigde van de curator dus moeten worden bepaald op $ 4.470,-- (2 punten volgens tariefgroep 9 eerste aanleg). De grief slaagt.
Het vonnis waarvan beroep dient te worden vernietigd voor zover daarin de kosten van de curator zijn begroot op $ 12.000,--. Voor het overige zal dat vonnis worden bevestigd.
Gelet op deze uitkomst zal het verzoek van Werknemer om de tenuitvoerlegging van het vonnis waarvan beroep op de voet van het bepaalde in art. 429 p Rv te schorsen worden afgewezen.
Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij zal Werknemer worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Aan de zijde van de curator worden die begroot op $ 11.733,-- (drie punten volgens tariefgroep 9 hoger beroep). Een kostenveroordeling levert ook voor de nakosten een executoriale titel op. Een beslissing daarover behoeft dus niet uitdrukkelijk in een dictum te worden opgenomen (HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853).
B E S L I S S I N G
Het Hof:
- vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover bij de proceskostenveroordeling de kosten aan de zijde van de curator zijn begroot op $ 12.000,--;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
- veroordeelt Werknemer in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van de curator tot aan het vonnis in eerste aanleg begroot op $ 4.470,-- aan salaris voor de gemachtigde;
- bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;
- veroordeelt Werknemer in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van de curator gevallen en tot op heden begroot op $ 11.733,-- aan salaris voor de gemachtigde, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang vanaf de vijftiende dag na de uitspraak van dit vonnis tot aan de dag van de voldoening;
- wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, C.J.H.G. Bronzwaer en P.J. Duinkerken, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao op 21 april 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.