Burgerlijke zaken over 2026
Registratienummers: SAB201900011 – SAB2021H00005
Uitspraak: 21 april 2026
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
de naamloze vennootschap
SUNSHINE REAL ESTATE N.V.,
gevestigd in Aruba,
in eerste aanleg eiseres in conventie, verweerster in reconventie,
thans appellante,
gemachtigde: mr. G.W. Wesselingh,
tegen
de naamloze vennootschap
SABA ELECTRIC COMPANY N.V.,
gevestigd op Saba,
in eerste aanleg gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. T.L.H. Peeters.
Partijen worden hierna Sunshine en SEC genoemd.
1. De zaak in het kort
In 2016-2018 heeft Sunshine in opdracht van SEC een zonnepanelenpark gebouwd op Saba. In geschil is of het park aan de overeenkomst beantwoordt.
In dit hoger beroep heeft het Hof drie tussenvonnissen uitgesproken. In dit vierde tussenvonnis benoemt het Hof een deskundige.
2. Het verdere verloop van de procedure
Bij vonnis van 19 maart 2025, ECLI:NL:OGHACMB:2025:47 heeft het Hof de zaak naar de rol verwezen.
Beide partijen hebben een akte ingediend op 27 augustus 2025. Aan de akte van Sunshine zijn producties gehecht.
Beide partijen hebben een antwoordakte ingediend op 22 oktober 2025. Aan de antwoordakte van SEC is een productie gehecht.
Sunshine heeft een akte ingediend op 21 januari 2026.
Vonnis is nader bepaald op vandaag.
3. De verdere beoordeling
Het Hof zal de in het dictum genoemde persoon als deskundige benoemen, werkzaam bij Witteveen+Bos. SEC heeft gesteld dat Witteveen+Bos werkzaamheden voor SEC heeft verricht in dit specifieke project. Sunshine heeft dat betwist. SEC heeft niet gespecificeerd op welke werkzaamheden zij doelt. De deskundige heeft desgevraagd uitdrukkelijk te kennen gegeven geen binding met partijen te hebben. Het Hof heeft hier vertrouwen in. De bezwaren van SEC tegen benoeming van een deskundige van Witteveen+Bos worden op die grond gepasseerd.
Het Hof zal aan de deskundige de vragen stellen die hieronder worden genoemd.
Het Hof laat het aan de deskundige over om te beoordelen of beantwoording van de verdere vragen die partijen geformuleerd hebben, nodig is om tot een verantwoorde beantwoording van de vragen van het Hof te komen.
De deskundige heeft de kosten begroot op € 22.000, te vermeerderen met omzetbelasting. Het Hof zal het voorschot voor de deskundige bepalen op dat bedrag (dus niet op de helft van de begrote kosten). Het Hof wijst SEC aan als de partij die dit voorschot aan de deskundige dient te betalen. In dit stadium gaat het Hof verder niet in op het nadere partijdebat over de bewijslastverdeling. De deskundige wordt verzocht zijn werkzaamheden pas aan te vangen nadat hij dit voorschot heeft ontvangen. Indien de deskundige (hetzij in verband met vraag 4, hetzij om andere reden) voorziet dat de kosten van zijn werkzaamheden het voorschot overschrijden, wordt de deskundige verzocht het Hof dat te berichten met een verzoek om een nader voorschot. Ook in dit verband geldt dat de deskundige wordt verzocht pas na toekenning en ontvangst van het nadere voorschot werkzaamheden te verrichten die niet worden gedekt door het in dit vonnis bepaalde voorschot.
SEC dient het volledige procesdossier aan de deskundige ter beschikking te stellen, althans de stukken daaruit die de deskundige verlangt. Desverlangd kan de deskundige nadere stukken bij partijen opvragen.
De deskundige dient bij zijn onderzoek partijen in de gelegenheid te stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen. Uit het rapport dient te blijken dat aan dit voorschrift is voldaan.
De deskundige wordt verzocht zijn rapport uiterlijk op 1 juli 2026 in te leveren. Indien deze datum niet kan worden gehaald, wordt de deskundige verzocht bij het Hof opgave te doen van een nadere datum waarop het rapport naar verwachting gereed zal zijn.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
beveelt een deskundigenbericht;
benoemt als deskundige:
ir. E.A.H. Teunissen,
werkzaam bij Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V.
[postbusadres, telefoonnummer, e-mailadres]
legt de volgende vragen ter beantwoording aan de deskundige voor:
1. Is redelijkerwijs aannemelijk dat het park, zoals aangelegd door Sunshine, windsnelheden van 160 mijl per uur niet zou hebben doorstaan, indien zij daaraan blootgesteld zou zijn geweest?
(zie overwegingen 3.24-3.27 van het tussenvonnis van 15 november 2023, ECLI:NL:OGHACMB:2023:220 en overweging 3.16 van het tussenvonnis van 19 maart 2025, ECLI:NL:OGHACMB:2025:47)
2. Voor het geval u vraag 1 bevestigend beantwoordt: zou het voor Sunshine redelijkerwijs mogelijk zijn geweest om het werk binnen een redelijke termijn zo aan te passen dat het alsnog aan de eis zou voldoen dat het park windsnelheden van 160 mijl per uur kan doorstaan? Binnen welke termijn zou dat dan mogelijk zijn geweest en welke aanpassingen zouden dan gedaan moeten worden?
(zie overweging 3.15 van het tussenvonnis van 19 maart 2025, ECLI:NL:OGHACMB:2025:47)
3. Welk onderzoek heeft u uitgevoerd om tot beantwoording van de vragen 1 en 2 te komen?
4. Met welke mate van zekerheid kunt u de vragen 1 en 2 beantwoorden op basis van het door u uitgevoerde onderzoek? Is nader onderzoek mogelijk waardoor de vragen 1 en 2 met een grotere mate van zekerheid vallen te beantwoorden? Zo ja, wat zou in dat nadere onderzoek moeten worden uitgevoerd?
5. Heeft u verdere opmerkingen die voor de beslissing van het Hof in deze zaak van belang kunnen zijn?
bepaalt het voorschot op de schadeloosstelling en het loon voor de deskundige op € 22.000,-, te vermeerderen met omzetbelasting;
bepaalt dat SEC dit bedrag uiterlijk binnen vier weken na vandaag aan de deskundige dient te betalen;
verzoekt de deskundige om pas na ontvangst van het voorschot met het onderzoek te beginnen;
verzoekt de deskundige bij het onderzoek partijen in de gelegenheid te stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen en in het schriftelijk bericht te vermelden dat en hoe hieraan is voldaan;
bepaalt dat de deskundige een schriftelijk, gemotiveerd en ondertekend bericht zal inleveren ter griffie van het Hof, vóór 1 juli 2026, met indiening van een declaratie en onder vermelding van registratienummer SAB2021H00005 (Sunshine/SEC);
bepaalt dat de zaak na ontvangst van het deskundigenbericht naar de rol van het Hof zal worden verwezen voor conclusie na deskundigenbericht;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, E.W.A. Vonk en J. de Boer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 21 april 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.