GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
B E S C H I K K I N G
in de zaak van:
de stichting
STICHTING ANTILLIAANS ADVENT,
gevestigd in Curaçao,
in eerste aanleg verweerster, thans appellante,
gemachtigde: mr. A.C. van Hoof,
tegen
[DE WERKNEEMSTER],
wonende in Curaçao,
in eerste aanleg verzoekster, thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. A.M. Faria.
Partijen worden hierna Advent en [de werkneemster] genoemd.
De zaak in het kort
1. Net als het Gerecht acht het Hof met stemverheffing discussiëren door werkneemster met een collega en de volgende dag met haar leidinggevende onvoldoende grond voor een ontslag op staande voet.
Het verloop van de procedure in hoger beroep
Bij op 3 november 2025 ingekomen beroepschrift, met producties, is Advent in hoger beroep gekomen van de tussen partijen gegeven en op 22 september 2025 uitgesproken beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht). Hierbij heeft Advent vier grieven tegen de beschikking aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof de beschikking zal vernietigen en de verzoeken van [de werkneemster] alsnog zal afwijzen.
De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgehad op 10 maart 2025. Toen hebben partijen hun standpunten toegelicht en hun gemachtigden hebben daarbij pleitaantekeningen overgelegd.
Beschikking is aangezegd en bepaald op vandaag.
De feiten
3. Het Hof gaat uit van de volgende feiten.
de werkneemster] is op 25 september 2023 voor bepaalde tijd in dienst getreden bij Advent, als medisch laborant, tegen een bruto maandsalaris van Cg 4.101,-- en een vakantietoeslag van 25% van het bruto maandsalaris.
Het contract is in 2024 op grond van een positieve beoordeling met een jaar verlengd tot 25 september 2025.
Op woensdag 22 januari 2025 had [de werkneemster] een discussie met een collega over de kwaliteit van het werk, waarbij [de werkneemster] sprak met luide stemverheffing. [de werkneemster] is hierop aangesproken door haar afdelingshoofd.
Op donderdag 23 januari 2025, in de ochtend, heeft [de werkneemster] haar directe leidinggevende aangesproken op fouten in de laboratoriumprocessen. [de werkneemster] heeft daarbij met luide stemverheffing gesproken. De leidinggevende heeft hierop tegen [de werkneemster] gezegd dat 'als ze er ziek van is, dat ze dan maar naar huis moet gaan', of woorden van gelijke strekking. [de werkneemster] is vervolgens naar huis gegaan en zij heeft diezelfde dag haar huisarts bezocht.
Bij e-mail van donderdag 23 januari 2025 van het afdelingshoofd is [de werkneemster] op non-actief gesteld.
Bij brief van maandag 27 januari 2025 heeft Advent [de werkneemster], onder verwijzing naar de incidenten op 22 en 23 januari 2025, ontslag op staande voet aangezegd.
Als redenen daarvoor worden in de brief, zakelijk weergegeven, genoemd:
- dat [de werkneemster] op 22 januari 2025 tegen een collega schreeuwde;
- dat zij, ondanks dat het afdelingshoofd haar daarop had aangesproken, op 23 januari 2025 weer met stemverheffing sprak, nu tegen een leidinggevende naar aanleiding van door [de werkneemster] geconstateerde procedurefouten;
- dat ze daarmee niet stopte nadat haar leidinggevende haar had gezegd dat zij de door [de werkneemster] geconstateerde fouten in het team zou bespreken;
- dat ze vervolgens het werk zonder toestemming heeft verlaten.
In de brief kwalificeert Advent het gedrag van [de werkneemster] als gebrek aan respect voor leidinggevenden, egoïsme, gebrek aan respect voor collega's en werkweigering. Verder vermeldt de ontslagbrief dat [de werkneemster] de orde, rust en veiligheid op de afdeling negatief heeft beïnvloed en onnodig kosten heeft veroorzaakt doordat een invaller moest worden ingeschakeld.
Bij e-mail van 11 maart 2025 heeft [de werkneemster] de nietigheid van het ontslag ingeroepen.
Per 25 augustus 2025 heeft [de werkneemster] een nieuwe werkkring gevonden.
Het verloop van de procedure bij het Gerecht
4. In eerste aanleg heeft [de werkneemster], kort gezegd, het Gerecht verzocht om het ontslag op staande voet nietig te verklaren en Advent te veroordelen tot betaling van het vertragingsloon ex artikel 1614q BW en de wettelijke rente over iedere loontermijn die onbetaald is gebleven.
Bij de bestreden beschikking heeft het Gerecht, voor zover thans van belang, het door Advent aan [de werkneemster] gegeven ontslag op staande voet nietig verklaard en Advent, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld om aan [de werkneemster] te betalen het tussen partijen overeengekomen loon, gerekend vanaf 23 januari 2025 tot 25 augustus 2025, te vermeerderen met de vertragingsrente van 10% met ingang van de telkens met inachtneming van artikel 7A:1614q BW te bepalen data, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na betekening van de beschikking tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van Advent in de proceskosten.
Daartoe heeft het Gerecht, voor zover thans van belang, overwogen dat het ontslag niet onverwijld is gegeven, – ten overvloede – dat onvoldoende is gebleken van een dringende reden en dat de financiële situatie van Advent geen aanleiding is om tot matiging van het te betalen loon over te gaan.
Grieven
In grief 1 betoogt Advent dat het ontslag onverwijld is gegeven.
In de grieven 2 en 3 klaagt Advent erover dat het gerecht het ontslag op staande voet nietig heeft geoordeeld.
In grief 4 klaagt Advent erover dat het Gerecht geen aanleiding heeft gezien om de loonvordering te matigen.
Beoordeling door het Hof
Op grond van artikel 7A:1615o lid 1 BW is iedere partij bevoegd de arbeidsovereenkomst te beëindigen wegens een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. Op grond van artikel 7A:1615p lid 1 BW worden voor de werkgever als dringende reden beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die het gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.
Anders dan het Gerecht acht het Hof de tijd tussen de aanleiding voor het ontslag en de mededeling daarvan niet te lang om nog te kunnen worden aangemerkt als onverwijld in eerder bedoelde zin. Daarbij neemt het Hof mede in aanmerking dat Advent [de werkneemster] op 23 januari 2025 (de dag van het tweede incident) heeft geschorst en dat vanzelfsprekend intern overleg binnen de Advent-organisatie geboden was, terwijl 25 en 26 januari 2025 weekenddagen waren. Het ontslag op 27 januari 2025 is daarmee onverwijld gegeven.
Het Hof is evenwel met de eerste rechter van oordeel dat de reden die Advent aan het ontslag op staande voet ten grondslag heeft gelegd niet een dringende is, zoals de wet vereist.
Advent heeft op zichzelf gelijk waar zij stelt dat met stemverheffing discussiëren door een werknemer met een collega of leidinggevende door Advent niet hoeft te worden getolereerd. [de werkneemster] heeft dat tijdens de behandeling ook wel erkend. De sanctie die Advent aan dat gedrag wil verbinden acht het Hof onder de gegeven omstandigheden echter disproportioneel. Daarbij stelt het Hof voorop dat Advent weliswaar stelt dat [de werkneemster] zich respectloos heeft uitgelaten, maar aan die kwalificatie geen inhoudelijke invulling heeft kunnen geven. Het is alleen duidelijk geworden dat [de werkneemster] op luide toon sprak (en dat zij de discussie heeft voortgezet nadat de leidinggevende haar had gezegd haar punt op een ander moment aan de orde te zullen stellen). Over wat zij daarbij heeft gezegd kon Advent desgevraagd op de zitting in hoger beroep niets verklaren. Verder neemt het Hof in aanmerking dat [de werkneemster] weliswaar eerder op dergelijk gedrag is aangesproken, maar daar nooit een formele waarschuwing voor heeft gehad. Bovendien weegt het Hof mee dat [de werkneemster] op zichzelf een goede reden had om – wat er ook zij van de toon waarop – op 22 januari 2025 een collega en de volgende dag haar leidinggevende aan te spreken op onvolkomenheden in het werkproces. Zij deed dat uit zorg voor het goede verloop van dat werkproces.
Advent heeft geen bezwaren geuit tegen de feitenvaststelling door het Gerecht, zoals in deze beschikking weergegeven onder 3.4. Net als de eerste rechter is het Hof van oordeel dat onder de daar omschreven omstandigheden niet gesproken kan worden van werkweigering door [de werkneemster].
Hoewel grief 1 op zichzelf gegrond is, kunnen de grieven 1, 2 en 3 op grond van het vorenstaande niet tot vernietiging van de beschikking in eerste aanleg leiden.
8. De rechter kan een vordering tot doorbetaling van loon als de onderhavige slechts matigen indien toewijzing in de gegeven omstandigheden tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden. Advent heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van dergelijke omstandigheden. Zij heeft alleen aangevoerd dat ze geruime tijd in financiële moeilijkheden verkeert. Nog daargelaten dat [de werkneemster] dat heeft betwist en Advent haar financiële situatie niet feitelijk heeft onderbouwd, leidt financiële nood bij de werkgever op zichzelf niet tot onaanvaardbaarheid in eerder bedoeld zin. Grief 4 moet dus ook worden verworpen.
9. Het Hof concludeert tot bevestiging van de beschikking waarvan beroep. Als de in het ongelijk gestelde partij, zal Advent, zoals [de werkneemster] heeft gevorderd, worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep. Aan de zijde van [de werkneemster] worden die begroot op Cg 4.000,-- aan salaris van de gemachtigde.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
- bevestigt de beschikking waarvan beroep;
- veroordeelt Advent in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van [de werkneemster] gevallen en tot op heden begroot op Cg 4.000,-- aan salaris voor de gemachtigde.
- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst het meer of anders gevorderde af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.J. Duinkerken, G.C.C. Lewin en C.G. ter Veer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao op 21 april 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.