ECLI:NL:OGHACMB:2026:79

ECLI:NL:OGHACMB:2026:79

Instantie Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak 21-04-2026
Datum publicatie 30-04-2026
Zaaknummer CUR2025H00043
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Curaçao. Conservatoir derdenbeslag. Betaling in weerwil van beslag. Betaling aan deurwaarder. Afdracht niet aan de beslaglegger, maar aan de bewindvoerder van de debiteur.

Uitspraak

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak van:

de naamloze vennootschap [DERDEBESLAGENE],

gevestigd in Curaçao,

in eerste aanleg gedaagde,

thans appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

gemachtigden: mrs. R.F. van den Heuvel, M. Sagis en N.G. Blokland,

tegen

de besloten vennootschap [BESLAGLEGGER],

gevestigd te Haarlemmermeer, Nederland,

in eerste aanleg eiseres,

thans geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

gemachtigde: mr. J.E. Lovert.

Partijen worden hierna [derdebeslagene] en [beslaglegger] genoemd.

Samenvatting

1. In deze zaak stelt [beslaglegger] een vordering in omdat [derdebeslagene] als derdebeslagene in weerwil van het beslag betalingen heeft gedaan aan een debiteur van [beslaglegger]. Later, toen verkeerde de debiteur inmiddels in surseance van betaling, heeft [derdebeslagene] alsnog het bedrag waarvoor beslag was gelegd betaald aan de deurwaarder. De deurwaarder heeft dat bedrag niet afgedragen aan [beslaglegger], maar aan de bewindvoerder van de debiteur. De eerste rechter heeft de vordering van [beslaglegger] toegewezen op de voet van art. 477a lid 4 Rv. Het Hof is het niet eens met dat oordeel omdat de betalingen aan de deurwaarder tegenover [beslaglegger] bevrijdend zijn geweest.

Het verloop van de procedure in hoger beroep

Bij op 6 maart 2025 ingekomen akte van appel is [derdebeslagene] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 27 januari 2025 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht), ECLI:NL:OGEAC:2025:116.

Bij op 17 april 2025 ingekomen memorie van grieven, met producties, heeft [derdebeslagene] twee grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en de vorderingen van [beslaglegger] alsnog zal afwijzen, met veroordeling van [beslaglegger] in de proceskosten in beide instanties, de nakosten daaronder begrepen.

Bij op 25 juli 2025 ingekomen memorie van antwoord in het principaal appel en memorie van grieven in het voorwaardelijk incidenteel appel, met producties, heeft [beslaglegger] de grieven bestreden en, voor het geval het Hof de vorderingen ex art. 477a Rv zou afwijzen, subsidiair haar vordering gebaseerd op onrechtmatige daad. Haar conclusie strekt er in het principaal appel toe dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen en in het incidenteel appel dat [derdebeslagene] zal worden veroordeeld tot betaling van Cg 153.368,40 met rente, een en ander met veroordeling van [derdebeslagene] in de proceskosten met nakosten en rente.

Bij op 19 september 2025 ingekomen memorie van antwoord in het voorwaardelijk incidenteel appel, met een productie, heeft [derdebeslagene] het voorwaardelijk incidenteel appel bestreden en geconcludeerd tot afwijzing daarvan, met veroordeling in de proceskosten, met nakosten en rente.

Op 5 maart 2026 heeft [derdebeslagene] een akte aanvulling gronden verweer ingediend.

Op 10 maart 2026 is de zaak mondeling behandeld. Daarbij waren aanwezig namens [derdebeslagene] [financieel directeur], financieel directeur, bijgestaan door mrs. M. Gorsira en N.G. Blokland. Namens [beslaglegger] was mr. Lovert aanwezig en heeft [betrokkene] per videoverbinding aan de zitting deelgenomen. De gemachtigden van partijen pleitnotities overgelegd. [beslaglegger] heeft vooraf een productie toegezonden.

Vonnis is bepaald op vandaag.

De feiten

Op 6 december 2022 heeft [beslaglegger], nadat het Gerecht daartoe bij beschikking van 1 december 2022 verlof had verleend, conservatoir derdenbeslag doen leggen onder [derdebeslagene], op alle voor beslag vatbare gelden, vorderingen, waardepapieren en/of roerende zaken, die [derdebeslagene] onder zich heeft of uit een reeds bestaande rechtsverhouding onder zich mocht hebben of verkrijgen of verschuldigd is of mocht worden aan de naamloze vennootschap [beslagdebiteur] (hierna: [beslagdebiteur]).

Nadien heeft [derdebeslagene], in weerwil van het beslag, nog rechtstreeks betalingen aan [beslagdebiteur] gedaan voor een bedrag van Cg 242.062,06 (ongeveer $ 135.304,24).

Bij vonnis van het Gerecht van 21 augustus 2023 in zaak nr. CUR202300010, ECLI:NL:OGEAC:2023:203, is [beslagdebiteur], uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld tot betaling aan [beslaglegger] van USD 92.594,26, vermeerderd met NAf 5.250,-- aan buitengerechtelijke incassokosten, contractuele rente, NAf 3.950,-- aan beslagkosten en NAf 5.246,64 aan proceskosten.

Dat vonnis is op 20 september 2023 aan [derdebeslagene] betekend, waarbij is aangezegd dat het gelegde conservatoir beslag executoriaal is geworden en dat [derdebeslagene] hetgeen zij uit hoofde van het conservatoir beslag aan gelden onder zich heeft gehouden, dient af te geven aan [beslaglegger], door tussenkomst van de deurwaarder.

Na die betekening is [derdebeslagene] opgehouden om rechtstreeks aan [beslagdebiteur] betalingen te doen. Vanaf dat moment heeft zij de bedragen die zij onder het beslag aan [beslagdebiteur] verschuldigd was op instructie van [beslaglegger] overgemaakt op de rekening van advocatenkantoor Wildeman Legal en later aan deurwaarderskantoor [deurwaarder 1] N.V., in totaal voor een bedrag van Cg 196.003,97 (ongeveer $ 109.559,39).

Op 19 december 2023 heeft [derdebeslagene] een derdenverklaring afgelegd, inhoudende dat [derdebeslagene] aan [beslagdebiteur] over de periode van augustus tot en met november 2023 een bedrag van Naf 136.023,14 verschuldigd is.

Bij beschikking van het Gerecht van 5 januari 2024 is aan [beslagdebiteur] voorlopige surseance van betaling verleend. Nadien is [derdebeslagene] doorgegaan met het doen van betalingen aan deurwaarder [deurwaarder 1] vanwege het derdenbeslag.

Bij beschikking van het Gerecht van 20 september 2024 is [beslagdebiteur] in staat van faillissement verklaard.

In de periode gelegen tussen de surseance van betaling en het faillissement van [beslagdebiteur] heeft [derdebeslagene] de volgende bedragen die zij verschuldigd was aan [beslagdebiteur] aan deurwaarder [deurwaarder 1] betaald: Cg 5.387,85, Cg 64.186,76, Cg 29.600,58 en Cg 52.870,36 (het totaal van deze bedragen is Cg 152.045,55). Dat blijkt uit het door [derdebeslagene] (als prod. 10 bij memorie van grieven) overgelegde en door [beslaglegger] niet betwiste overzicht.

Deurwaarder [deurwaarder 1] heeft het ingevolge het beslag door [derdebeslagene] betaalde bedrag niet afgedragen aan [beslaglegger], maar op enig moment uitgekeerd aan de bewindvoerder/curator van [beslagdebiteur].

Op 17 april 2025 heeft [derdebeslagene] ten behoeve van [beslaglegger] een bedrag van Cg 5.938,37 overgemaakt naar de derdengeldenrekening van de advocaat van [beslaglegger].

De procedure bij het Gerecht

beslaglegger] heeft gevorderd om, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [derdebeslagene] te veroordelen tot het doen en afgeven van een gerechtelijke verklaring van hetgeen zij vanaf de beslaglegging van 6 december 2022 aan [beslagdebiteur] verschuldigd was en is geworden en van hetgeen zij vanaf het executoriale beslag van [beslaglegger] onder haar, aan [beslagdebiteur] verschuldigd was en is geworden, en daarbij met onderliggende bescheiden te verklaren welke bedragen ten tijde van de beslaglegging vanaf 6 december 2022 zijn uitgekeerd, betaald of afgegeven, zulks op straffe van een dwangsom van NAf 10.000,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat [derdebeslagene] niet aan deze veroordeling voldoet en, [derdebeslagene] te veroordelen tot betaling en afgifte van hetgeen zij onder zich heeft en/of verschuldigd is uit de ten tijde van de beslaglegging reeds bestaande rechtsverhouding met [beslagdebiteur], alsook [derdebeslagene] te veroordelen aan [beslaglegger] vanwege vervangende schadevergoeding te betalen al hetgeen [derdebeslagene] vanaf de conservatoire beslaglegging, onterecht aan [beslagdebiteur] heeft uitgekeerd, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 september 2023, en voor zover [derdebeslagene] tijdens de procedure voor het Gerecht niet aantoonbaar aan het hiervoor verzochte van het petitum voldoet, tot betaling van het bedrag waarvoor [beslaglegger] op 20 september 2023 het executoriale derdenbeslag tegen [derdebeslagene] heeft aangezegd, onder verrekening van hetgeen door [derdebeslagene] onder het executoriale derdenbeslag aan [beslaglegger] is voldaan, met veroordeling van [derdebeslagene] in de kosten van het geding, het gemachtigdensalaris daaronder begrepen.

Bij het bestreden vonnis heeft het Gerecht, voor zover thans van belang, het volgende overwogen.

onder 4.2) In de loop van deze procedure is zijdens [derdebeslagene] middels een nadere verklaring inzichtelijk gemaakt welke bedragen sinds het gelegde beslag aan [beslagdebiteur] zijn betaald, en welke aan de deurwaarder. Deze bedragen worden op zichzelf door [beslaglegger] niet weersproken. Aldus is tussen partijen vast komen te staan dat [derdebeslagene] in de periode van december 2022 tot en met september 2023 een bedrag van Naf 242.062,06 aan [beslagdebiteur] heeft betaald. Dit leidt ertoe dat tussen partijen niet meer in geschil is dat indien [derdebeslagene] van meet af aan voormelde verplichting tot afgifte op grond van artikel 477 lid 1 Rv had voldaan, het bedrag waarvoor beslag is gelegd, te weten USD 92.594,26, vermeerderd met rente en kosten, volledig zou zijn voldaan, voor de datum waarbij aan [beslagdebiteur] voorlopige surseance is verleend. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat op grond van artikel 477a lid 4, gelezen in verbinding met artikel 477 lid 1, Rv een rechtsverhouding tussen [derdebeslagene] en [beslaglegger] is ontstaan, is verder niet relevant of het beslag al dan niet opgeschort dan wel vervallen is vanwege de surseance dan wel het faillissement van [beslagdebiteur], waarover partijen tegengestelde stellingen innemen. De vordering tot betaling van de niet afgedragen gelden, ziet immers op nakoming van de wettelijke verplichting die op grond van artikel 477a lid 4 Rv op [derdebeslagene] rust en strekt niet op enige wijze tot executie, zoals [derdebeslagene] stelt.

onder 4.3.) [derdebeslagene] was verplicht (…)volgens haar - nadere - verklaring de door haar aan [beslagdebiteur] verschuldigde geldsommen aan de deurwaarder af te dragen. Niet in geschil is dat [derdebeslagene] niet volledig aan haar afdrachtverplichting heeft voldaan. Op grond van artikel 477a lid 4 Rv brengt dit met zich dat [derdebeslagene] aan [beslaglegger] verschuldigd is - al dan niet als vervangende schadevergoeding - de niet afgedragen bedragen verminderd met hetgeen zij uiteindelijk wel heeft afgedragen. De wettelijke rente is over de aldus te betalen bedragen door [derdebeslagene] verschuldigd vanaf het moment dat zij in verzuim is (…)De vordering wordt in zoverre toegewezen.

Het Gerecht heeft [derdebeslagene], uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld tot betaling aan [beslaglegger] van de volgens de nadere verklaring van [derdebeslagene] door haar aan [beslagdebiteur] verschuldigde geldsommen, verminderd met hetgeen [derdebeslagene] al heeft afgedragen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 oktober 2023 tot aan de dag van betaling, met veroordeling van [derdebeslagene] in de proceskosten.

Beoordeling door het Hof

derdebeslagene] stelt dat de vordering had moeten worden afgewezen omdat zij haar verplichting ingevolge art. 477 lid 2 Rv is nagekomen om de aan [beslagdebiteur] verschuldigde geldsommen uit te betalen aan de deurwaarder tot het bedrag waarvoor beslag is gelegd. Het feit dat de deurwaarder zijn verplichting om die bedragen aan [beslaglegger] af te dragen niet is nagekomen, behoort volgens [derdebeslagene] voor rekening van [beslaglegger] te komen.

De stellingname van [beslaglegger] komt erop neer dat de eerste rechter terecht heeft geoordeeld dat [derdebeslagene] niettemin gehouden is tot schadevergoeding omdat de deurwaarder de onder 5.1. bedoelde betalingen niet aan haar heeft afgedragen. [derdebeslagene] is op grond van artikel 477a lid 4 Rv gehouden tot vervangende schadevergoeding, aangezien [derdebeslagene] in weerwil van het gelegde derdenbeslag, betalingen aan [beslagdebiteur] is blijven doen in plaats van aan [beslaglegger].

Tussen partijen is niet in geschil dat het totaalbedrag aan betalingen die [derdebeslagene] gedaan heeft (aan respectievelijk advocatenkantoor Wildeman, deurwaarder [deurwaarder 1] en rechtstreeks aan [beslaglegger]) overeenkomt met het bedrag (inclusief rente) dat zij ingevolge het derdenbeslag gehouden was om aan [beslaglegger] te betalen. Verder staat niet ter discussie dat [beslaglegger] [derdebeslagene] had geïnstrueerd om haar via advocatenkantoor Wildeman en te betalen en dat [beslaglegger] later deurwaarder [deurwaarder 1] heeft aangesteld om de betalingen te ontvangen.

De betalingen door [derdebeslagene] hebben deels plaatsgevonden in de periode waarin [beslagdebiteur] in surseance van betaling verkeerde. Op grond van art. 220 lid 1 Faillissementsbesluit was toen de executie tot verhaal van de vorderingen van [beslagdebiteur] geschorst. [derdebeslagene] heeft echter aangevoerd dat zij ten tijde van die betalingen niet wist dat aan [beslagdebiteur] surseance van betaling was verleend. [beslaglegger] heeft dat betwist. Zij heeft echter niet aangevoerd dat de schorsing van de executie en de grond waarop die berust aan [derdebeslagene] schriftelijk is meegedeeld. Dat brengt mee dat die schorsing op grond van art. 476 lid 1 Rv niet tegen [derdebeslagene] gewerkt heeft. Daaruit volgt dat de betalingen die [derdebeslagene] tijdens de surseance ingevolge het beslag aan de deurwaarder heeft gedaan tegenover [beslaglegger] bevrijdend zijn geweest. Hieraan doet niet af dat de deurwaarder de van [derdebeslagene] ontvangen gelden niet aan [beslaglegger] heeft doorbetaald; in de verhouding tussen [derdebeslagene] en [beslaglegger] komt dat voor risico van laatstgenoemde.

Hof concludeert dat [derdebeslagene] haar verplichtingen tegenover [beslaglegger] ingevolge art 477 lid 1 Rv weliswaar aanvankelijk niet is nagekomen, maar uiteindelijk wel. Zij heeft op 19 december 2023 een derdenverklaring afgelegd, zodat art. 477a lid 1 Rv in zoverre niet van toepassing is. Zoals overwogen onder 5.3. heeft [derdebeslagene] meer betaald dan het bedrag waartoe [beslagdebiteur] bij vonnis van 21 augustus 2023 veroordeeld is, zodat [derdebeslagene] in zoverre heeft voldaan aan art. 477a lid 1 Rv. De omstandigheid dat de deurwaarder de van [derdebeslagene] gelden niet aan [beslaglegger] heeft afgedragen, geldt niet als schade in de zin van art. 477a lid 1 Rv, omdat dit voor risico van [beslaglegger] komt. Andere schade is niet gesteld, terwijl van nodeloos gemaakte kosten zoals bedoeld in artikel 477a lid Rv ook geen sprake is. Daarom is er geen grond voor het toekennen van (verdere) vervangende schadevergoeding. Het vonnis waarvan beroep dient daarom te worden vernietigd. De vordering moet alsnog geheel worden afgewezen. Gelet op deze uitkomst komt het Hof niet toe aan het voorwaardelijke incidenteel appel.

beslaglegger] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van beide instanties. Aan de zijde van [derdebeslagene] worden die in eerste aanleg begroot op Cg 3.125,-- aan salaris voor de gemachtigde (2,5 punten volgens tariefgroep 5) en Cg 450,-- aan griffierecht en in hoger beroep op Cg 6.000,-- aan salaris voor de gemachtigde (3 punten volgens tariefgroep 5) en Cg 900,-- aan griffierecht. Een kostenveroordeling levert ook voor de nakosten een executoriale titel op. Dat onderdeel van de vordering hoeft dus niet uitdrukkelijk in een dictum te worden toegewezen (HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853).

B E S L I S S I N G

Het Hof:

- vernietigt het vonnis waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

- wijst de vordering af;

- veroordeelt [beslaglegger] in de proceskosten van beide instanties, aan de zijde van [derdebeslagene] tot op heden in eerste aanleg begroot op Cg 3.125,-- aan salaris voor de gemachtigde en Cg 450,-- aan griffierecht en in hoger beroep op Cg 6.000,-- aan salaris voor de gemachtigde en Cg 900,-- aan griffierecht, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van twee weken na de uitspraak van dit vonnis tot aan de dag van de voldoening;

- verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, C.G. ter Veer en P.J. Duinkerken, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 21 april 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand