BURGERLIJKE ZAKEN OVER 2026
UITSPRAAK: 21 januari 2026
ZAAKNRS: SXM202301488 – SXM2025H00038
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Beschikking in de zaak van:
[APPELLANTE] (als rechtsopvolgster van [Persoonsnaam]),
wonend in Sint Maarten,
appellante,
gemachtigde: mr. C.H.J. Merx,
-tegen-
[GEÏNTIMEERDE],
wonend in Sint Maarten,
geïntimeerde,
gemachtigde: E.I. Maduro.
Partijen zullen hierna (ook) worden aangeduid met [Appellante] of huurster en [Geïntimeerde] of verhuurster.
1. De zaak in het kort
De huurcommissie heeft verhuurster toestemming gegeven om de huur op te zeggen. Het door de huurster daartegen ingestelde beroep is door het Gerecht niet-ontvankelijk verklaard omdat het te laat is ingesteld. Tegen de beslissing van het Gerecht staat ingevolge art. 7:246 lid 3 BW geen hoger beroep bij het Hof open. Het Hof acht geen gronden aanwezig om dit appelverbod te doorbreken.
2. Het verloop van de procedure
Verwezen wordt naar de op 7 april 2025 uitgesproken beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (hierna: het Gerecht), zoals hersteld bij beschikking van het Gerecht van 22 april 2025. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.
Appellante] is van die beschikking (hierna: de bestreden beschikking) in hoger beroep gekomen door indiening van een beroepschrift op 16 mei 2025.
Op 15 oktober 2025 heeft [Geïntimeerde] een verweerschrift ingediend.
De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgehad op 21 oktober 2025 in het Court House in Sint Maarten. Daar zijn partijen verschenen, bijgestaan door hun respectieve gemachtigden. De voorzitter was in het Courthouse in Sint Maarten aanwezig. De oudste en jongste rechter en de griffier hebben per videoverbinding aan de zitting deelgenomen (vanuit Curaçao; vanwege weersomstandigheden konden zij niet naar Sint Maarten afreizen). Tijdens de zitting hebben partijen hun standpunten nader toegelicht, de gemachtigde van [Appellante] aan de hand van pleitaantekeningen waarvan een exemplaar is overgelegd. Ook zijn vragen van het Hof beantwoord.
Uitspraak is bepaald op heden.
3. De ontvankelijkheid
Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingediend en [Appellante] is in zoverre ontvankelijk in het hoger beroep.
Art. 7:252 BW bepaalt dat van de uitspraak van de huurcommissie over een verzoek om toestemming om een huurovereenkomst op te zeggen zowel voor de huurder als voor de verhuurder beroep openstaat op de rechter in eerste aanleg. De bepaling verklaart art. 7:246 BW van overeenkomstige toepassing. Volgens art. 7:246 lid 3 BW staat tegen de beschikking van de rechter in eerste aanleg geen andere voorziening open dan cassatie in het belang der wet.
Omdat bij de bestreden beschikking het Gerecht heeft geoordeeld in beroep tegen een uitspraak van de huurcommissie, is dus daartegen in beginsel geen appel bij het Hof mogelijk. [Appellante] heeft gesteld, onder meer, dat het Gerecht art. 7:269 BW onjuist heeft toegepast (de eerste beroepsgrond) en – dientengevolge, naar het Hof begrijpt – ten onrechte art. 7:246 BW en art. 7:248 lid 1 BW, niet heeft toegepast (de derde beroepsgrond). Met dat laatste heeft zij een zogenoemde doorbrekingsgrond gesteld en kan [Appellante] in haar hoger beroep worden ontvangen.
4. De beslissing van het Gerecht
Bij de bestreden beschikking heeft het Gerecht [Appellante] niet-ontvankelijk verklaard in haar beroep wegens overschrijding van de beroepstermijn.
5. De beoordeling
Naar vaste rechtspraak wordt het bovenomschreven zogenoemde rechtsmiddelenverbod doorbroken wanneer de rechter buiten het toepassingsbereik van de toepasselijke regel is getreden, die regel ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten of een zo fundamenteel rechtsbeginsel is geschonden dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken.
De beslissing van het Gerecht is juist. Ter toelichting dient het volgende. Tussen partijen staat vast dat de beslissing van de Huurcommissie op 27 oktober 2023 is uitgegeven en ter post bezorgd. Dat blijkt ook uit de beslissing zelf waar die datum staat vermeld in het kader “Issued by Rental Tribunal St. Maarten” (prod. 3 beroepschrift) en uit de e-mail van de Huurcommissie van 31 oktober 2023 aan de griffie (prod. 4 beroepschrift). De datum van 27 oktober 2023 dient daarom te worden aangemerkt als de dag waarop de beslissing door de Huurcommissie is gedagtekend en aan [Appellante] is meegedeeld in de zin van art. 7:269 lid 3 BW in verbinding met art. 7:246 lid 1 BW. Ingevolge art. 7:246 lid 1 BW staat na die dag gedurende zes weken beroep bij het Gerecht open. Dit brengt met zich dat de laatste dag van de beroepstermijn 8 december 2023 was.
Het Gerecht heeft dus terecht geoordeeld dat het op 11 december 2023 ingestelde beroep te laat was.
Dat door de Huurcommissie anders is meegedeeld, zoals blijkt uit haar uitspraak en bovengenoemde e-mail – te weten dat de termijn begint te lopen vanaf de datum waarop [Appellante] heeft getekend voor ontvangst –, doet aan het voorgaande niet af. Het Hof heeft er begrip voor dat het vervelend en nadelig is voor [Appellante] dat zij op deze manier mogelijk op het verkeerde been is gezet, maar nu geen sprake is van een zogenoemde apparaatsfout (bijvoorbeeld een onjuiste mededeling aan [Appellante] van het Gerecht zelf of van zijn griffie) is hieraan niets te doen. De regeling van de termijn en daarmee de ontvankelijkheid bij het Gerecht is in de wet geregeld en die wordt toegepast door het Gerecht zelf in plaats van door de Huurcommissie.
De conclusie van het voorgaande is dat het rechtsmiddelenverbod niet wordt doorbroken omdat het Gerecht terecht niet is toegekomen aan de inhoudelijke behandeling van het beroep respectievelijk de toepassing van art. 7:248 lid 1 BW. De gestelde doorbrekingsgrond dat het Gerecht art. 7:246 BW en, naar het Hof begrijpt, art. 7:748 lid 1 BW ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten, doet zich dus niet voor.
Voor zover Quezeda heeft beoogd te betogen dat het Gerecht het fundamentele beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden, is dat betoog onvoldoende feitelijk onderbouwd. Van enige schending van dit beginsel door het Gerecht is het Hof niet gebleken.
Het overigens door [Appellante] gestelde, zo dat vast zou komen te staan, levert geen doorbrekingsgrond op.
Het overigens door partijen naar voren gebrachte behoeft geen bespreking meer.
De slotsom luidt dat het beroep op de aangevoerde doorbrekingsgronden faalt, zodat het Hof niet tot verdere beoordeling van de zaak kan overgaan en het hoger beroep zal verwerpen. [Appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden veroordeeld.
BESLISSING:
Het Hof:
verwerpt het hoger beroep;
veroordeelt [Appellante] in de kosten van het hoger beroep van [Geïntimeerde], tot op heden begroot op Cg 3.000,- (3 x tarief 5) aan gemachtigdensalaris.
Aldus gegeven door mrs. G.C.C. Lewin, E.M. van der Bunt en C.J.H.G. Bronzwaer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten op 21 januari 2026 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.