Burgerlijke zaken over 2026
Zaaknummers: CUR202000664 – CUR2022H00290
Uitspraak: 21 april 2026
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
de erven van [APPELLANT],
met gekozen woonplaats in Curaçao,
in eerste aanleg gedaagden in conventie, eisers in reconventie,
thans appellanten,
gemachtigde: mr. A.K.E. Henriquez,
tegen
[GEÏNTIMEERDE],
wonende in Curaçao,
in eerste aanleg eiseres in conventie, verweerster in reconventie,
thans geïntimeerde,
thans procederende zonder gemachtigde.
Partijen worden hierna de erven [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.
1. De zaak in het kort
Dit geding betreft een burengeschil in Westpunt, Curaçao. In geschil is of een erfgrens is overschreden en zo ja, wat de gevolgen daarvan zijn. Partijen hebben over en weer vorderingen ingesteld.
In dit hoger beroep beoordeelt het Hof de vorderingen opnieuw, met inachtneming van een eiswijziging in hoger beroep.
2. Het verloop van de procedure
Bij op 20 oktober 2022 ingekomen akte van appel zijn de erven [appellant] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 12 september 2022 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao.
Bij op 1 december 2022 ingekomen memorie van grieven hebben de erven [appellant] tien grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht en hun (reconventionele) eis gewijzigd. Hun conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog zal afwijzen en, uitvoerbaar bij voorraad, de gewijzigde vorderingen van de erven [appellant] zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerde], uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten in beide instanties, met rente.
[geïntimeerde] heeft geen memorie van antwoord ingediend.
Op 10 september 2024 is de zaak mondeling bepleit ten overstaan van het Hof. Van de zijde van de erven [appellant] was alleen mr. Henriquez aanwezig. [geïntimeerde] was aanwezig met haar echtgenoot [echtgenoot geïntimeerde] (hierna: [echtgenoot geïntimeerde]) en met haar toenmalige gemachtigde mr. H.M.M. Alejandra. Laatstgenoemde heeft zich bediend van een pleitnota, waarvan exemplaren zijn overgelegd. Mr. Henriquez heeft de zaak bepleit zonder pleitnota. Mr. Alejandra heeft een geschrift getiteld ‘ondersteunend materiaal ten behoeve van de descente 10-10-24’ in het geding gebracht. Bij afloop van de pleitzitting heeft het Hof een descente bevolen.
Op 4 september 2025 heeft de descente plaatsgehad ter plaatse van de onroerende zaken waarop dit geschil betrekking heeft. [geïntimeerde], [echtgenoot geïntimeerde] en mrs. Alejandra en Henriquez zijn verschenen. Bij afloop van de descente heeft het Hof de zaak aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen een minnelijke regeling van het geschil te beproeven.
Bij e-mailbericht van 18 september 2025 hebben [echtgenoot geïntimeerde] en [geïntimeerde] zonder tussenkomst van mr. Alejandra het Hof bericht over ‘de opvolging van de door [het Hof] gedane suggesties’, met overlegging van een geschrift d.d. 8 september 2025 getiteld ‘verslag en voorstellen naar aanleiding van de descente 4 september 2025’.
Bij e-mailbericht van 19 september 2025 heeft mr. Alejandra zich van de zaak onttrokken.
Bij e-mailbericht van 13 oktober 2025 hebben [echtgenoot geïntimeerde] en [geïntimeerde] een bijgewerkte versie toegezonden van hun ‘verslag en voorstellen naar aanleiding van de descente 4 september 2025’.
Op de rol van 24 februari 2026 heeft mr. Henriquez namens de erven [appellant] een akte ingediend.
Vonnis is bepaald op vandaag.
3. De beoordeling
Feiten
Het Hof gaat uit van de volgende feiten.
In 1974 heeft [appellant] (hierna: de erflater) een perceel grond ter grootte van [grootte] gekocht en in eigendom verkregen. Het perceel is gelegen te [adres], en is omschreven in meetbrief [nummer 1] (hierna: perceel [appellant]). Op het perceel is een huis gebouwd, met bouwvergunning van [datum] 1976.
In 1993 is het huis verbouwd, met bouwvergunning van [datum] 1993.
De erflater is overleden.
Op 27 juli 2017 heeft [geïntimeerde] een perceel grond ter grootte van [grootte], omschreven in meetbrief [nummer 2] (hierna: perceel [geïntimeerde]), gekocht voor NAf 60.000 met de bedoeling om daarop een appartementencomplex te bouwen. Perceel [geïntimeerde] grenst aan perceel [appellant].
Op verzoek van [geïntimeerde] heeft het Kadaster de grenzen van het door haar gekochte perceel uitgezet.
Volgens [geïntimeerde] is de woning van [appellant] voor een deel op haar perceel gebouwd met overschrijding van de erfgrens. Zij heeft een beroep gedaan op een tekening van het Kadaster (hierna: de Kadastertekening). Een deel van die tekening heeft zij (in zwart-wit) in het geding gebracht als bovenste deel van productie 5 bij inleidend verzoekschrift. De erven [appellant] hebben de gehele Kadastertekening in kleur in het geding gebracht als onderdeel van productie 4 bij de conclusie na comparitie. De tekening is getiteld ‘plot grensuitzetting’. Op de tekening staat vermeld:
Raster Opp + gebouw en balkon Opp = Totaal Opp over de grens
71 + 15 = 86 m2
Dit betekent dat volgens de tekening de woning (gebouw en “balkon” (zie 3.8 hierna)) van [appellant] voor 15 m2 op het perceel [geïntimeerde] staat en dat de thans aanwezige erfafscheiding tussen de percelen zo is geplaatst dat in totaal 86 m2 van het perceel [geïntimeerde] (inclusief het bebouwde gedeelte) bij perceel [appellant] is getrokken.
De tekening ziet er als volgt uit:
[plaatje]
In 2019 hebben partijen met inschakeling van advocaat en mediator mr. D.M. Wildeman getracht tot een regeling te komen ter zake van de gestelde overbouw. Dat is niet gelukt.
Partijen hebben gesproken over de mogelijkheid om tot een grondruil te komen. De onderste helft van productie 5 bij het inleidend verzoekschrift van [geïntimeerde] is een tekening (in zwart-wit) waarop een mogelijke grondruil is weergegeven (hierna: de ruiltekening). Hierop staat vermeld:
Geel en rood is qua oppervlakte even groot
Productie 5 bij inleidend verzoekschrift ziet er als volgt uit:
[plaatje]
[geïntimeerde] heeft de productie in kleur overgelegd als onderdeel van productie B bij akte van 22 maart 2021 na comparitie van partijen.
Bij brief van 28 oktober 2019 heeft mr. Alejandra namens [geïntimeerde] de erven [appellant] gesommeerd om “het gedeelte van uw woonhuis en scheidingsmuur dat op haar eigendomsperceel gesticht althans gebouwd is” af te breken. De erven [appellant] hebben niet aan die sommatie voldaan.
Vorderingen in eerste aanleg
In dit geding heeft [geïntimeerde] in eerste aanleg gevorderd (verkort weergegeven):
a. verklaring voor recht dat de woning op perceel [appellant] de erfgrens met perceel [geïntimeerde] overschrijdt en dat de erven [appellant] daarom onrechtmatig handelen jegens [geïntimeerde];
b. primair: bevel tot overdracht van het op de ruiltekening in rood aangegeven perceelsgedeelte aan [geïntimeerde], eventueel met een kwalitatieve verplichting, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
subsidiair: afbraak van het grensoverschrijdende deel van de woning, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
meer subsidiair: betaling van NAf 200 per vierkante meter voor de aankoop van de grond onder het grensoverschrijdende deel van de woning en aanpassing van de erfafscheiding voor het resterende deel, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
c. schadevergoeding van NAf 9.038,53.
De erven [appellant] hebben in eerste aanleg in reconventie gevorderd, na wijziging bij conclusie na comparitie, verkort weergegeven:
d. verklaring voor recht dat indien de grensoverschrijding bestaat, ter zake daarvan een erfdienstbaarheid is ontstaan, inhoudende dat [geïntimeerde] de grensoverschrijding dient te tolereren;
e. bevel aan [geïntimeerde] om indien de grensoverschrijding bestaat, de grond onder de grensoverschrijding aan [appellant] over te dragen tegen een nog vast te stellen prijs die niet hoger is dan NAf 128,48 per vierkante meter, waarbij indien [geïntimeerde] niet meewerkt, het vonnis in de plaats treedt van die medewerking;
f. verklaring voor recht dat [geïntimeerde] onrechtmatig jegens de erven [appellant] handelt door het voorgenomen bouwwerk te bouwen, met schadevergoeding op te maken bij staat.
Beslissingen van het Gerecht
Bij het bestreden vonnis heeft het Gerecht het volgende dictum uitgesproken:
Het Gerecht:
In conventie
5.1.
verklaart voor recht dat een gedeelte van de woning gesticht op het perceel gelegen in [omschrijving] van [appellant] op het eigendomsperceel van [geïntimeerde] gelegen in [omschrijving] gebouwd is althans oversteekt en dat [appellant] als zodanig onrechtmatig heeft gehandeld ten aanzien van [geïntimeerde];
5.2.
veroordeelt [appellant] tot betaling van NAf 128 per vierkante meter voor de koop van het gedeelte van het perceel waarover de overbouw op het eigendomsperceel van [geïntimeerde] strekt (berekend op 15 vierkante meters);
5.3.
veroordeelt [appellant] om de erfafscheiding voor het resterend gedeelte van het perceel conform de grenzen bepaald door het Kadaster aan te passen;
in reconventie
5.4.
beveelt [geïntimeerde] om de in 5.2. bedoelde 15 vierkante meters aan [appellant] over te dragen, onder bepaling dat indien [geïntimeerde] niet meewerkt aan de overdracht en levering, dit vonnis in de plaats treedt van de door [geïntimeerde] daarvoor te verrichten rechtshandeling(en);
in conventie en in reconventie
5.5.
compenseert de proceskosten;
5.6.
wijst hetgeen meer of anders is gevorderd af.
Het Gerecht heeft als volgt overwogen, verkort weergegeven. Voldoende onderbouwd is dat er een overbouw is (4.3). Daarom maken de erven [appellant] inbreuk op het eigendomsrecht van [geïntimeerde] (4.4). Er is geen erfdienstbaarheid door verjaring ontstaan, omdat de erven [appellant] geen ondubbelzinnig bezit van een erfdienstbaarheid hebben gehad (4.5-4.7). Bij de koop van perceel [geïntimeerde] bedroeg de prijs NAf 128 per vierkante meter (4.8). Overdracht van een perceelsgedeelte lijkt het meest passend (4.9). De erven [appellant] dienen de erfafscheiding aan te passen (4.10). De door de erven [appellant] gevorderde schadevergoeding is onvoldoende onderbouwd (4.12). De erven [appellant] hebben onvoldoende gesteld om de vordering ter zake van onrechtmatige bouw toe te wijzen (4.13).
Eiswijziging in hoger beroep
De erven [appellant] hebben in hoger beroep hun eis gewijzigd (en verduidelijkt). Die strekt nu, verkort weergegeven, tot het volgende:
d. primair: verklaring voor recht dat er geen grensoverschrijding is;
e. subsidiair: verklaring voor recht dat ter zake van de grensoverschrijding een erfdienstbaarheid is ontstaan, inhoudende dat [geïntimeerde] de grensoverschrijding dient te tolereren;
f. meer subsidiair: bevel aan [geïntimeerde] om de grond onder de grensoverschrijding aan de erven [appellant] over te dragen tegen NAf 128,48 per vierkante meter, althans bevel aan [geïntimeerde] om het gehele perceel [geïntimeerde] aan de erven [appellant] over te dragen voor het bedrag waarvoor zij het heeft gekocht, althans een ander bedrag, waarbij indien [geïntimeerde] niet meewerkt, het vonnis in de plaats treedt van die medewerking;
g. verklaring voor recht dat [geïntimeerde] onrechtmatig jegens van de erven [appellant] handelt door het voorgenomen bouwwerk te bouwen, met schadevergoeding bij staat.
Beoordeling door het Hof
Vorderingen van de erven [appellant]
Het Hof zal eerst de vorderingen van de erven [appellant] beoordelen en dan die van [geïntimeerde].
Vordering d - grensoverschrijding
Een veranda wordt in Curaçao een porch genoemd en soms ook een balkon, ook al is die met de grond verenigd. De descente heeft steun opgeleverd voor de stelling van [geïntimeerde] dat de Kadastertekening correct is, in die zin dat een gedeelte van in totaal 86 m2 van het perceel [geïntimeerde] bij het perceel [appellant] is getrokken, waarvan 15 m2 is bebouwd met een porch en voor een klein deel ook met het huis. De tekening past goed bij de waarnemingen die het Hof ter plaatse heeft gedaan. Het Hof passeert de betwisting hiervan door de erven [appellant], omdat die in het licht daarvan onvoldoende is gemotiveerd. Hetgeen bij de descente aan het Hof is getoond, levert geen enkele aanwijzing op dat de Kadastertekening gebaseerd is op een onjuiste meting. De erven [appellant] hebben ook geen bewijs en geen tegenbewijs aangeboden. Dit brengt mee dat vordering d niet kan worden toegewezen.
Vordering e - erfdienstbaarheid
Erfdienstbaarheden kunnen ontstaan door vestiging en door verjaring (art. 5:72 BW). In dit geval strekt het betoog van de erven [appellant] ertoe dat een erfdienstbaarheid is ontstaan door verjaring. De last die een erfdienstbaarheid op het dienende erf legt, bestaat in een verplichting om op, boven of onder een der beide erven iets te dulden of niet te doen (art. 5:71 BW). In dit geval is het standpunt van de erven [appellant] kennelijk dat de last in het volgende bestaat: de eigenaar van het perceel [geïntimeerde] moet het bestaan van de porch, de ligging van het huis en de thans bestaande feitelijke erfafscheiding dulden, en moet daarbij dulden dat het aldus bij het perceel [appellant] getrokken gedeelte van het perceel [geïntimeerde] wordt gebruikt door de eigenaren van het perceel [appellant] met uitsluiting van de eigenaar van het perceel [geïntimeerde]. Een dergelijke last is nauwelijks te onderscheiden van een last om andermans eigendom te respecteren. De erven [appellant] hebben zich echter niet beroepen op verkrijging in eigendom door verjaring. Zij hebben ook niet duidelijk gemaakt hoe sprake kan zijn van ondubbelzinnig bezit van een erfdienstbaarheid met de last als hiervoor omschreven, en hoe dergelijk bezit naar de uiterlijke verschijningsvorm kan worden onderscheiden van bezit van een perceelsgedeelte. Daarom is hun vordering onvoldoende duidelijk. Dit klemt temeer, nu het Gerecht heeft overwogen dat de erven [appellant] onvoldoende duidelijk hebben gemaakt welk recht zij menen door verjaring te hebben verworven. In hoger beroep is dat onvoldoende verduidelijkt. Reeds hierom kan vordering e niet worden toegewezen.
Bij grief 2 hebben de erven [appellant] gesteld dat sedert de aankoop van perceel [appellant] de perceelgrens is uitgezet zoals die nu feitelijk nog staat en dat het perceel is afgesloten. Zij hebben het Gerecht voorgesteld oude luchtfoto’s op te vragen. Bij pleitnota in hoger beroep heeft [geïntimeerde] tegen dit een en ander aangevoerd dat door begroeiingen bij de terreinafscheiding niet duidelijk te zien was dat de erfgrens is gewijzigd. Volgens haar hebben de erven [appellant] de situatie gemanipuleerd door planten aan te brengen en begroeiing intact te laten, waardoor niet duidelijk te zien was dat een gedeelte van perceel [geïntimeerde] bij perceel [appellant] was getrokken.
In het licht van dit betoog van [geïntimeerde] en gelet op hetgeen het Hof bij de descente heeft waargenomen, hebben de erven [appellant] onvoldoende gesteld om aan te nemen dat zij op enig aanwijsbaar moment (een erfdienstbaarheid ten aanzien van) een duidelijk afgegrensd deel van het perceel [geïntimeerde] in ondubbelzinnig bezit hebben genomen, laat staan dat zij dit zo lang geleden hebben gedaan dat dit een geslaagd beroep op verkrijgende verjaring zou kunnen opleveren. Uitzetting van een perceelsgrens is op zichzelf onvoldoende om inbezitneming uit af te leiden. Afsluiting van een perceel kan onder omstandigheden wel inbezitneming opleveren, maar de erven [appellant] hebben niet voldoende duidelijk gesteld wanneer, hoe en waar precies zij het perceel hebben afgesloten en zij hebben dit ook bij de descente niet duidelijk gemaakt. Ook hierom kan vordering e niet worden toegewezen.
Vordering f - overdracht van een perceelsgedeelte
Art. 5:54 lid 1 BW bepaalt het volgende:
Is een gebouw of werk ten dele op, boven of onder het erf van een ander gebouwd en zou de eigenaar van het gebouw of werk door wegneming van het uitstekende gedeelte onevenredig veel zwaarder benadeeld worden dan de eigenaar van het erf door handhaving daarvan, dan kan de eigenaar van het gebouw of werk te allen tijde vorderen dat hem tegen schadeloosstelling een erfdienstbaarheid tot het handhaven van de bestaande toestand wordt verleend of, ter keuze van de eigenaar van het erf, een daartoe benodigd gedeelte van het erf wordt overgedragen.
Deze bepaling biedt een grondslag voor overdracht van het perceelsgedeelte van 15 m2 waarop de porch en een klein deel van het huis ( “werken” in de zin van de wetsbepaling) zijn gebouwd, maar niet voor overdracht van het perceelsgedeelte van 71 m2 waarop geen gebouw of werk is gebouwd, laat staan voor overdracht van het gehele perceel [geïntimeerde]. Ten eerste kan niet worden aangenomen dat overdracht van meer dan 15 m2 nodig is om de bestaande overbouw van de porch te kunnen handhaven, of om de “veel zwaardere benadeling” als bedoeld in de wetsbepaling op te heffen. Ten tweede is de overdracht ter keuze van de eigenaar van het perceel [geïntimeerde] en is niet gesteld of gebleken dat [geïntimeerde] daarvoor kiest. Van [geïntimeerde] kan ook niet worden verlangd dat zij haar gehele perceel aan de erven [appellant] overdraagt.
Bij de bevolen overdracht van 15 m2 heeft het Gerecht een vergoeding van NAf 128 per vierkante meter gehanteerd. De erven [appellant] hebben hier onvoldoende tegen ingebracht.
Op grond van het voorgaande kan ook vordering f niet worden toegewezen.
Vordering g - onrechtmatige bouw
Grief 8 betreft de afwijzing van de vordering van de erven [appellant] ter zake van bouw op het perceel [geïntimeerde]. De grief faalt. Het Hof heeft bij de descente geen bouwwerkzaamheden waargenomen, alleen een aangelegde fundering gezien die in elk geval als zodanig niet onrechtmatig jegens de erven [appellant] is. De erven [appellant] hebben onvoldoende gesteld dat [geïntimeerde] al enige bouwactiviteit heeft verricht of doen verrichten die onrechtmatig jegens hen is. Ook hebben zij onvoldoende gesteld dat er een concrete dreiging bestaat dat dit zal gebeuren. Zij hebben (bij de toelichting op grief 3) gesteld dat het geprojecteerde gebouw niet gerealiseerd kan worden en dat de werkelijke bouwplannen, voor zover reëel, klein van omvang zijn. Dit ondergraaft hun vordering.
Vordering g kan dus evenmin worden toegewezen.
Vorderingen van [geïntimeerde]
[geïntimeerde] heeft niet incidenteel of zelfstandig hoger beroep ingesteld. Voor zover [geïntimeerde] met het bestreden vonnis niet bereikt wat zij beoogt, kan dat in dit hoger beroep niet worden verholpen. Het hoger beroep van de erven [appellant] kan niet ertoe leiden dat de erven [appellant] in een slechtere positie komen te verkeren dan waarin zij zich bij uitvoering van het bestreden vonnis bevinden. Voor zover het Gerecht vorderingen van [geïntimeerde] heeft afgewezen, ligt dat niet ter beoordeling aan het Hof voor.
Vordering a - overbouw
Het Gerecht heeft vordering a grotendeels toegewezen. Uit hetgeen hiervoor onder 3.8 is overwogen, volgt dat het Hof zich daarmee verenigt.
Vordering b - overdracht, afbraak of betaling met aanpassing van de erfafscheiding
Het Gerecht heeft vordering b, primair en subsidiair, afgewezen en vordering b, meer subsidiair, gedeeltelijk afgewezen. Zoals hiervoor onder 3.18 is overwogen, kan het Hof daar geen verandering in brengen.
Volgens de toelichting bij grief 7 levert overdracht van niet meer dan 15 m2 geen definitieve oplossing op. Dit is wellicht waar, maar dat kan geen reden zijn om dit deel van vordering b meer subsidiair alsnog af te wijzen. [geïntimeerde] heeft recht op de toegewezen vergoeding voor overdracht van het perceelsgedeelte van 15 m2 en op aanpassing van de erfafscheiding zoals toegewezen.
Vordering c - schadevergoeding
Het Gerecht heeft vordering c afgewezen. Dit ligt niet ter beoordeling door het Hof voor.
Overige oordelen
Anders dan de erven [appellant] bij de toelichting bij grief 4 hebben aangevoerd, heeft [geïntimeerde] voldoende belang bij haar vorderingen, ook als het bouwplan dat haar voor ogen stond, niet uitvoerbaar is. Het gaat immers om haar eigendomsrecht. Zij heeft belang bij uitoefening van dat recht, zonder dat zij hoeft te specificeren waarvoor zij haar eigendom wenst te gebruiken.
Het is voor de beoordeling van de vorderingen niet van belang dat het Gerecht een descente heeft bepaald die geen doorgang heeft gevonden en evenmin of het juist is dat partijen mediation hebben geprobeerd en dat er daarbij complicaties zijn ontstaan. De grieven die dit onder de aandacht van het Hof brengen, hebben dus geen succes.
Het Hof kan partijen niet dwingen om tot een grondruil of tot een andere minnelijke regeling te komen, hoewel dat naar verwachting voor beide partijen de meest bevredigende oplossing zou bieden. Wellicht geeft dit vonnis partijen aanleiding om alsnog tot een vergelijk te komen.
Slotsom
Het hoger beroep faalt. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bevestigd, voor zover aan dit hoger beroep onderworpen. De erven [appellant] zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
bevestigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan dit hoger beroep onderworpen;
veroordeelt de erven [appellant] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen en tot op heden begroot op Cg 6.000,00 aan salaris voor de gemachtigde.
Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, C.J.H.G. Bronzwaer en E.W.A. Vonk, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 21 april 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.