ECLI:NL:OGHACMB:2026:83

ECLI:NL:OGHACMB:2026:83

Instantie Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak 21-04-2026
Datum publicatie 30-04-2026
Zaaknummer CUR2024H00111
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Curaçao. Pensioenregeling directeur bankinstelling.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2026

Zaaknummers: CUR202001108 – CUR2024H00111

Uitspraak: 21 april 2026

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende in Curaçao,

in eerste aanleg eiser in conventie,

verweerder in deels voorwaardelijke reconventie,

thans appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

gemachtigden: mrs. C.A. Peterson en A.M. Faria,

tegen

de naamloze vennootschap

PSB BANK N.V.,

gevestigd in Curaçao,

in eerste aanleg gedaagde in conventie,

eiseres in deels voorwaardelijke reconventie,

thans geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

gemachtigden: mrs. M.F. Murray en K.A. Doekhi.

Partijen worden hierna [appellant] en PSB Bank genoemd.

1. De zaak in het kort

Dit geding betreft de pensioenregeling van een directeur van een bankinstelling. De bankinstelling vordert betaling van (volgens haar) achterstallige eigen bijdrage aan pensioenpremie.

Het Gerecht heeft de vordering gedeeltelijk toegewezen.

Het Hof komt tot dezelfde uitkomst.

2. Het verloop van de procedure

Bij op 29 april 2024 ingekomen akte van appel is [appellant] in hoger beroep gekomen van de tussen partijen gewezen en op 10 januari 2022 (zoals hersteld op 7 februari 2022), 30 juni 2023 (zoals hersteld op 6 juli 2023) en 18 maart 2024 (in reconventie) uitgesproken vonnissen van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het eerste tussenvonnis, het tweede tussenvonnis en het eindvonnis).

Bij op 10 juni 2024 ingekomen memorie van grieven heeft [appellant] dertien grieven tegen de vonnissen (in reconventie) aangevoerd en toegelicht. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof de vonnissen zal vernietigen en de vorderingen in reconventie van PSB Bank alsnog zal afwijzen, met veroordeling van PSB Bank, uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten in reconventie in beide instanties, met rente, en PSB zal veroordelen tot terugbetaling van hetgeen [appellant] ter uitvoering van het bestreden vonnis heeft betaald, met schadevergoeding, althans wettelijke rente.

Bij op 9 augustus 2024 ingekomen memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, heeft PSB Bank de grieven van [appellant] bestreden, incidenteel hoger beroep ingesteld en dat toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden eindvonnis gedeeltelijk zal vernietigen en het beroep van [appellant] op verjaring alsnog zal verwerpen, en, uitvoerbaar bij voorraad, de in eerste aanleg vermeerderde eis in reconventie van PSB Bank alsnog geheel zal toewijzen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten, met nakosten en rente.

[appellant] heeft geen memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep ingediend.

Op 17 juni 2025 hebben de gemachtigden van partijen pleitnotities ingediend. [appellant] heeft daarbij vier producties in het geding gebracht en PSB Bank één.

Vonnis is nader bepaald op vandaag.

3. De beoordeling

Feiten

Het Hof gaat uit van de volgende feiten.

In 1997 is [appellant] in dienst getreden van Giro Curaçao N.V. (hierna, evenals haar rechtsopvolger Girobank N.V., aan te duiden als: Girobank). Art. 5 van de arbeidsovereenkomst luidt:

Voor pensioenregeling geldt dat de bijdrage van werkgeverszijde is 12% en die van de werknemer is 6%.

Girobank heeft een pensioenverzekering voor [appellant] afgesloten. Deze verzekering kende een eindloonregeling.

Op 1 december 2002 is [appellant] als directeur in dienst getreden van Postspaarbank N.V. (hierna: Postspaarbank). Art. 7 van de arbeidsovereenkomst luidt:

PSB verbindt zich bij deze om de pensioenregeling, c.q. pensioenovereenkomst, welke Giro Bank N.V. ten behoeve van de werknemer heeft gesloten, integraal over te nemen, voor zover zulks mogelijk is, althans een aan deze pensioenverzekeringsovereenkomst, althans pensioenregeling, gelijkwaardige pensioenregeling te zullen aangaan.

Art. 9 vermeldt onder meer:

De PSBNA garandeert hierbij aan de werknemer dat noch ingevolge de procedure inzake de integratie van het bedrijf van de PSBNA in PSB NV, noch hierna, deze overeenkomst zal worden gewijzigd, althans enige wijziging zal komen in de bij deze overeenkomst aan de werknemer toegekende rechten. Dit geldt ook in alle andere gevallen waarbij PSBNA een samenwerkingsverband of samenwerkingsovereenkomst aangaat met een andere instelling.

Met ingang van 1 december 2002 heeft Postspaarbank een Pensioen Polis Levensverzekering bij Ennia Caribe Leven (hierna: Ennia) voor [appellant] afgesloten. Ook deze verzekering kent een eindloonregeling. De in de eerdere pensioenverzekering voor [appellant] opgebouwde rechten zijn als kapitaal ingebracht in deze verzekering.

Op 9 april 2009 is PSB Bank opgericht, met benoeming van twee directeuren, onder wie [appellant]. PSB Bank is de rechtsopvolger van Postspaarbank N.V. Art. 7 lid 10 van de statuten van PSB Bank vermeldt:

De voorwaarden van de directeuren worden vastgesteld door de raad van commissarissen, na voorafgaande goedkeuring van de algemene vergadering. Voormelde bezoldiging en overige voorwaarden worden nedergelegd in een schriftelijke overeenkomst met de vennootschap welke namens de vennootschap zal worden getekend door de President van de raad van commissarissen en bij diens belet of ontstentenis door de vice-president van de raad van commissarissen.

Vanaf 1 december 2012 is [appellant] zijn werkzaamheden voor PSB Bank gaan verrichten op grond van een overeenkomst van opdracht (hierna: de OvO). Hierin staat onder meer:

Art. 9. PENSIOEN

De Vennootschap zal de bestaande pensioenverzekering van Opdrachtnemer bij verzekeraar ENNIA onder de thans geldende voorwaarden voortzetten teneinde zijn reeds opgebouwde rechten daar te handhaven. De Vennootschap neemt tweederde deel van de premie voor haar rekening. De eigen bijdrage van de Opdrachtnemer wordt maandelijks ingehouden van het aan hem uit te betalen vergoeding genoemd in artikel 3.

Mededirecteur bij PSB Bank was [mededirecteur] (hierna: [mededirecteur]). Ook [mededirecteur] verrichtte vanaf 2012 zijn werkzaamheden op grond van een overeenkomst van opdracht. In de overeenkomst van opdracht met [mededirecteur] staat onder meer:

Art. 9. PENSIOEN

De Vennootschap zal de Opdrachtnemer aanmelden bij het APNA opdat zijn reeds opgebouwde pensioen aldaar zal worden voortgezet en zal de ingevolge de Pensioenlandsverordening Overheidsdienaren (P.B. 1997, nr. 312) vastgestelde bijdrage van de Vennootschap, voor haar rekening nemen. De eigen bijdrage van de Opdrachtnemer wordt maandelijks ingehouden van het aan hem uit te betalen vergoeding genoemd in artikel 3.

Bij brief van 20 april 2020 (nieuwe versie van een brief van 31 oktober 2019) heeft actuaris L.H.M. Keesen (hierna: Keesen) rapport uitgebracht over de pensioenbijdragen van [appellant] en [mededirecteur]. Volgens deze brief zijn de in art. 9 OvO bedoelde inhoudingen voor een deel niet verricht. De brief bevat een tabel die voor elk jaar in de periode 2012-2019 een verschil noemt tussen enerzijds een derde deel van de premie en anderzijds de inhouding. Het totaal komt bij [appellant] uit op NAf 353.508,69.

Verder vermeldt de brief onder meer:

Financieel

(…)

Wij hebben van u informatie ontvangen over de door Ennia in rekening gebrachte pensioenpremies en de op het loon ingehouden pensioenbijdragen. We hebben deze info niet geverifieerd. We zijn ervan uitgegaan dat deze info juist en volledig is.

(…)

Onderstaand treft u een recapitulatie aan van onze bevindingen.

Ongelijkheid tussen directieleden

De pensioenregelingen voor de beide directieleden zijn qua pensioen min of meer vergelijkbaar (beide eindloonregelingen6). Er is echter een materieel verschil in de eigen bijdrage. Voor de heer [appellant] is een eigen bijdrage afgesproken voor een deel van de kosten, voor de heer [mededirecteur] 8% van het pensioengevend salaris. De eigenbijdrageregeling die voor de heer [appellant] is afgesproken is voor hem veel minder aantrekkelijk dan de eigenbijdrageregeling die voor de heer [mededirecteur] is afgesproken. (…)

(…)

Als voor de heer [appellant] dezelfde bijdrageregeling gegolden zou hebben als voor de heer [mededirecteur], dan zou de totale bijdrage (…) ANG 186,156 geweest zijn. Dat is ANG 19,736 meer dan wat ingehouden is. En ruim 3 ton minder dan een derde deel van de premie.

(…)

Mogelijke oplossing

Het lijkt ons rechtvaardig indien alsnog besloten zou worden dat voor de ene directeur dezelfde bijdrageregeling geldt als voor de andere, mede omdat hun pensioenregelingen verder zeer vergelijkbaar zijn. (…) Het zou (…) voor de hand liggen om voor de heer [appellant] met terugwerkende kracht de regeling van de heer [mededirecteur] toe te passen.

(…)

Recapitulatie

Indien uitgegaan wordt van de OVO’s dan dient er over de periode tot en met oktober 2019 nog ANG 353,509 ingehouden te worden bij de heer [appellant] (…).

Indien voor beiden de bijdrageregeling van de heer [mededirecteur] toegepast zou worden dan moet er nog ANG 19,736 ingehouden worden bij de heer [appellant] (…).

Voetnoot 6 in deze brief luidt:

In een eindloonregeling kunnen de kosten explosief stijgen als gevolg van salarisverhogingen aan het eind van de carrière. Salarisverhogingen werken immers bij een eindloonregeling met terugwerkende kracht door in het pensioen. In de OVO’s van beide heren is niet expliciet een eindloonregeling toegezegd. Voor beide is dit wel toegepast. Bij de heer [appellant] worden de kostenstijgingen als gevolg van de werking van de terugwerkende kracht feitelijk gedeeld tussen werkgever en werknemer in de verhouding 2:1. Bij de heer [mededirecteur] komen deze kostenstijgingen als gevolg van de terugwerkende kracht voor rekening van de werkgever.

Bij brief van 22 april 2002 (nadat deze procedure was begonnen) heeft de advocaat van PSB Bank een schikkingsvoorstel gedaan aan de advocaat van [appellant].

Vorderingen, beslissingen van het Gerecht en omvang van de hoger beroepen

In dit geding heeft [appellant] in conventie vorderingen ingesteld op grond van zijn standpunt dat de OvO niet op 23 oktober 2019 is geëindigd. Op die datum heeft [appellant] de 60-jarige leeftijd bereikt. Volgens [appellant] moet in dit verband niet de 60-jarige leeftijd, maar de 65-jarige leeftijd worden aangemerkt als de pensioengerechtigde leeftijd.

Het Gerecht heeft bij vonnis van 10 januari 2022 (eindvonnis in conventie) dit standpunt van [appellant] verworpen en de vorderingen van [appellant] in conventie afgewezen. De vorderingen in conventie liggen in deze hoger beroepen niet voor.

PSB Bank heeft vorderingen in voorwaardelijke reconventie ingesteld voor het geval PSB Bank in conventie in het ongelijk mocht worden gesteld.

Het Gerecht heeft bij het vonnis van 10 januari 2022 vastgesteld dat de voorwaarde niet is vervuld. De vorderingen in voorwaardelijke reconventie liggen in deze hoger beroepen ook niet voor.

PSB Bank heeft in onvoorwaardelijke reconventie betaling van NAf 353.509 gevorderd, met rente. Dit was volgens PSB Bank de achterstand van de door [appellant] te betalen eigen bijdrage aan zijn pensioenpremie. [appellant] heeft hiertegen aangevoerd dat partijen (nader) zijn overeengekomen dat [appellant] een nabetaling van NAf 19.736 zou doen (in plaats van NAf 353.509).

Het Gerecht heeft bij vonnis van 10 januari 2022 (het eerste tussenvonnis in reconventie) [appellant] toegelaten tot bewijs van die stelling. Bij vonnis van 30 juni 2023 (het tweede tussenvonnis in reconventie) heeft het Gerecht geoordeeld dat [appellant] niet in dat bewijs is geslaagd. Het Gerecht heeft verder geoordeeld dat het door [appellant] gedane beroep op verjaring voor een deel groot NAf 91.377 slaagt (zodat de hoofdvordering hoogstens toewijsbaar is tot NAf 353.509 - NAf 91.337 = NAf 262.132). De andere verweren van [appellant] (back service, redelijkheid en billijkheid, rechtsverwerking en gelijkheidsbeginsel) heeft het Gerecht verworpen. Het Gerecht heeft de zaak naar de rol verwezen voor een akte in verband met de vraag hoeveel premie Ennia in rekening heeft gebracht.

Bij akte van 4 september 2023 heeft PSB Bank haar reconventionele eis vermeerderd. Naast het eerder gevorderde bedrag van NAf 353.509, met rente, vordert zij NAf 30.365, met rente, als een bedrag dat PSB Bank voor [appellant] heeft betaald, maar niet aan hem heeft doorbelast. Verder vordert PSB Bank:

a. verklaring voor recht dat indien een deel van de vordering van PSB Bank is verjaard, [appellant] hiervoor aansprakelijk is op grond van bestuurdersaansprakelijkheid;

b. vergoeding van NAf 91.377 en verdere schade, op te maken bij staat.

Bij vonnis van 18 maart 2024 (eindvonnis in reconventie) heeft het Gerecht [appellant] veroordeeld tot betaling van NAf 271.131 (NAf 262.132 als genoemd in het tweede tussenvonnis plus NAf 8.999 wegens een herberekening), met rente. Het Gerecht heeft de vorderingen uit bestuurdersaansprakelijkheid buiten beschouwing gelaten wegens strijd met de eisen van een goede procesorde.

Beoordeling door het Ho

[appellant] heeft er geen aanspraak op dat zijn pensioenbijdrage blijvend zou zijn beperkt tot 6% van het loon

Art. 5 van de arbeidsovereenkomst van 1997 vermeldt een premiebijdrage van 12% + 6% = 18% in totaal, kennelijk van het brutoloon of van het pensioengevend loon. Aan een eindloonregeling is inherent dat backservice gefinancierd moet worden. De backserviceverplichting stijgt bij het stijgen van het loon. Gelet hierop is het niet aanstonds duidelijk hoe de bijdragen als omschreven in art. 5 van de arbeidsovereenkomst van 1997 blijvend toereikend kunnen zijn voor de financiering van de kennelijk toen bestaande eindloonregeling (zie 3.1.1 hiervoor). Mogelijk was de in 1997 afgesloten verzekering een collectieve verzekering en hield de financiering van de backservice daarmee verband.

In elk geval vermeldt art. 5 van de arbeidsovereenkomst van 1997 weliswaar dat de werknemersbijdrage 6% bedraagt, maar niet dat alle premie die voor de financiering van de eindloonregeling nodig is, voor het overige door de werkgever gedragen wordt. Diens bijdrage bedraagt volgens de bepaling immers 12%.

Het voorgaande behoeft niet nader onderzocht te worden, want art. 5 van de arbeidsovereenkomst van 1997 geldt niet meer. Die arbeidsovereenkomst is vervangen door de arbeidsovereenkomst van 2002. Zoals hiervoor onder 3.1.2 is weergegeven, heeft Postspaarbank in 2002 een nieuwe (vermoedelijk niet-collectieve) verzekering bij Ennia afgesloten en de eerder opgebouwde rechten als kapitaal ingebracht in die verzekering. Daarmee heeft Postspaarbank voldaan aan art. 7 van de arbeidsovereenkomst van 2002 (zie 3.1.2 hiervoor). Die bepaling schrijft niet voor dat de premie laag zou blijven. [appellant] kon er dus in elk geval vanaf 2002 geen aanspraak (meer) op maken dat zijn pensioenbijdrage blijvend zou zijn beperkt tot 6% van zijn loon. Dat zou overigens gunstiger zijn dan de regeling die in 2012 voor [mededirecteur] is gaan gelden, met wie 8% overeengekomen is. De omstandigheid dat [appellant] de hiervoor bedoelde aanspraak in elk geval vanaf 2002 niet (meer) had, brengt ook mee dat deze aanspraak niet na 2002 in stand is gebleven ingevolge art. 9 van de arbeidsovereenkomst van 2002.

De arbeidsovereenkomst van 2002 geldt ook niet meer. Die is vervangen door de OvO (zie 3.1.4 hiervoor). Ook indien degenen die bij de totstandkoming van de OvO betrokken waren, bij de bepaling “De Vennootschap neemt tweederde deel van de premie voor haar rekening” voor ogen hadden dat de bijdrage van [appellant] beperkt zou blijven tot 6% van zijn loon, kan dat niet als overeengekomen gelden. Hooguit moet dan worden vastgesteld dat partijen bij het aangaan van de OvO niet hebben voorzien dat de in totaal voor de eindloonregeling benodigde premie meer zou bedragen dan 18% van het loon van [appellant]. Dat doet er niet aan af dat zij gebonden zijn aan de duidelijke tekst van de OvO, inhoudende dat tweederde deel van de premie voor rekening van PSB Bank komt en dus een derde deel voor rekening van [appellant], ongeacht de hoogte van de premie.

[appellant] heeft gesteld dat hij bij Girobank de regeling had dat de werkgever alle backservice betaalde. Hij heeft echter geen schriftelijke regeling of bepaling aangewezen waarop dit zou zijn gebaseerd. Art. 5 van de arbeidsovereenkomst van 1997 lijkt in elk geval in strijd met deze stelling: daar staat immers dat de werkgever 12% betaalt. Indien Girobank gedurende een bepaalde periode feitelijk de backservice voor [appellant] heeft betaald, kan uit die enkele omstandigheid niet worden afgeleid dat dit is overeengekomen of dat [appellant] erop mocht vertrouwen dat dit zo zou blijven zonder dat Girobank dat geheel of gedeeltelijk aan [appellant] zou doorbelasten.

[appellant] draagt de bewijslast

Het Hof verenigt zich met het oordeel van het Gerecht dat [appellant] de bewijslast draagt van de stelling dat partijen zijn overeengekomen dat [appellant] NAf 19.736 aan achterstallige eigen bijdrage verschuldigd is (in plaats van NAf 353.509).

[appellant] is niet in het bewijs geslaagd

Het Hof verenigt zich met het oordeel van het Gerecht dat [appellant] dat niet heeft bewezen. Op zichzelf moet op basis van de getuigenverklaringen worden aangenomen dat in een overleg in oktober of november 2019 alle aanwezigen (onder wie [appellant]) het eens waren met een voorstel daartoe, inclusief [commissaris], destijds lid van de raad van commissarissen van PSB Bank. Uit de getuigenverklaringen blijkt echter ook dat de uitkomst van dat overleg was dat [commissaris] het voorstel zou voorleggen aan de verantwoordelijk geachte minister ([minister], minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning), dat [commissaris] dat ook heeft gedaan, en dat niet is gebleken van een akkoord van de minister. Dit brengt mee dat niet kan worden aangenomen dat partijen op het overleg een bindende overeenkomst hebben bereikt. Dit geldt ook als achteraf mocht blijken dat geen instemming van de minister nodig was om PSB Bank te kunnen binden, of dat de minister rechtens gehouden was met het voorstel in te stemmen (geen van beide standpunten kunnen overigens als juist worden aangenomen, mede gelet op art. 7 lid 10 van de statuten van PSB Bank). De aanwezigen bij het overleg gingen immers ervan uit dat instemming van de minister moest worden verkregen.

Evenmin mocht [appellant] aan dat overleg het vertrouwen ontlenen dat een dergelijke bindende overeenkomst tot stand zou komen. Ook aan het schikkingsvoorstel van 22 april 2022 (zie 3.1.7 hiervoor) mocht [appellant] dat vertrouwen niet ontlenen, aangezien dat voorstel betrekking had op een schikking van het gehele geschil en het niet tot een schikking is gekomen. Het schikkingsvoorstel kan ook niet worden aangemerkt als een instemming van de algemene vergadering van aandeelhouders met het voorstel.

Redelijkheid en billijkheid, rechtsverwerking en gelijkheidsbeginsel

Het Hof verenigt zich met het oordeel van het Gerecht dat niet kan worden aangenomen dat de eisen van redelijkheid en billijkheid, het leerstuk van rechtsverwerking en/of het gelijkheidsbeginsel meebrengen dat de regeling van [appellant] wordt gelijkgetrokken met die van [mededirecteur]. Zij zijn in 2012 verschillende arbeidsvoorwaarden aangegaan (met name in art. 9.1, zoals hiervoor onder 3.1.4 weergegeven). [mededirecteur] viel kennelijk – met welke achtergrond ook maar – onder het dwingende regime van de Pensioenlandsverordening Overheidsdienaren (P.B. 1997, nr. 312). Daarom verkeerde hij niet in positie die vergelijkbaar is met die van [appellant]. [appellant] had zich bij het aangaan van de OvO in 2012 nader kunnen laten informeren over de vraag tot welke bedragen aan eigen bijdrage art. 9 van de OvO zou kunnen leiden. Zijn functie was op directieniveau. Daarom kan hij niet of nauwelijks als de zwakkere partij in de onderhandelingen over de arbeidsvoorwaarden worden beschouwd. Indien [appellant] zich niet ervan bewust is geweest dat de premies aan het einde van zijn arbeidzame leven sterk zouden stijgen in verband met de back service voor de eindloonregeling, komt dat voor zijn eigen rekening en risico. Tussen twee directeuren van dezelfde organisatie (in dit geval [appellant] en [mededirecteur]) is ook niet zonder meer sprake van equal work, zodat het adagium equal work, equal pay [appellant] niet helpt. De Code corporate governance verbiedt ook niet dat er verschil in beloning bestaat tussen verschillende directeuren van dezelfde organisatie, mede afhankelijk van hun taken en voorgeschiedenis. Ook de omstandigheid dat [appellant], na de arbeidsovereenkomsten van 1997 en 2002 en de OvO van 2012 pas in 2019 met een rekening van ruim NAf 350.000 aan niet-ingehouden pensioenbijdragen is geconfronteerd, maakt het niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat de vordering van PSB Bank wordt toegewezen. Hierbij is mede van belang dat [appellant] zich veel eerder in zijn pensioenregeling had kunnen verdiepen en dat hij vanaf 2009 ook als directeur had kunnen ingrijpen in de gang van zaken.

De vordering is deels verjaard

Het Hof verenigt zich met het oordeel van het Gerecht dat de vordering is verjaard voor zover die ziet op achterstanden die in augustus 2015 of voordien zijn opgelopen. Anders dan PSB Bank heeft betoogd, kan uit de stelling dat [appellant] is gewezen op zijn achterstand niet iets anders worden afgeleid: niet is gesteld dat dit schriftelijk is gebeurd als bedoeld in art. 3:317 BW (stuiting). Ook de stelling dat [appellant] heeft erkend op zijn achterstand gewezen te zijn, kan niet tot een ander oordeel leiden: dat is geen erkenning als bedoeld in art. 3:318 BW (stuiting).

Hoogte niet voldoende betwist

Voor het overige heeft [appellant] in deze procedure de hoogte van de gevorderde hoofdsom onvoldoende gemotiveerd betwist. De enkele stelling dat [appellant] bezwaar heeft tegen de berekening van Keesen volstaat niet.

Bewijsaanbiedingen worden gepasseerd

De bewijsaanbiedingen van [appellant] worden gepasseerd. Mede gelet op voorgaande oordelen zien die bewijsaanbiedingen niet voldoende specifiek op stellingen die, indien bewezen, tot een andere beslissing kunnen leiden. Om dezelfde reden worden ook de bewijsaanbiedingen van PSB Bank gepasseerd.

Geen bestuurdersaansprakelijkheid

Een bestuurder die zijn taak als bestuurder niet behoorlijk vervult, is daarvoor jegens de rechtspersoon aansprakelijk als hem daarvan een ernstig verwijt kan worden gemaakt. PSB Bank heeft onvoldoende gesteld om het oordeel te kunnen dragen dat aan [appellant] een ernstig verwijt kan worden gemaakt van het laten verjaren van de vordering. De daarop ziende vorderingen zijn daarom niet toewijsbaar.

Slotsom

Het principaal hoger beroep en het incidenteel hoger beroep falen. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bevestigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het principaal hoger beroep en PSB Bank in die van het incidenteel hoger beroep.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

rechtdoende in principaal hoger beroep en in incidenteel hoger beroep:

bevestigt de vonnissen waarvan beroep, voor zover in reconventie gewezen;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het principaal hoger beroep, aan de zijde van PSB Bank gevallen en tot op heden begroot op Cg 636,53 aan verschotten en Cg 13.750,00 aan salaris voor de gemachtigde, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na vandaag tot aan de dag van de voldoening;

veroordeelt PSB Bank in de kosten van het incidenteel hoger beroep, aan de zijde van [appellant] gevallen en tot op heden begroot op Cg 2.500,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mrs. E.A. Saleh, G.C.C. Lewin, J. de Boer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 21 april 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand