Inleiding
2. Appellante heeft in haar Lob-verzoek gevraagd om:- Kopieën van vergunningen tot het exploiteren van hazardspelen op de internationale markt, als bedoeld in de Landsverordening buitengaatse hazardspelen (hierna: Lbh), met kopieën van het publiceren daarvan;- Een inventarislijst van de partijen die handelen onder de bestaande online-gaming licenties;- Kopieën van de stukken die zien op het middels (onder-)mandaat bevoegd maken van de ministers van Algemene Zaken, Justitie en/of Financiën en/of de Gaming Control Board Curaçao om vergunningen te verstrekken;- Een inventarisatie van de nulmeting uit artikel 1, tweede lid, van het Landsbesluit 19-1376 van 16 juni 2019, en- Kopieën van de rapporten over beslissingen ten aanzien van de trustsector vanaf januari 2000.
Appellante stelt zich, voor zover in deze zaak van belang, op het standpunt dat de Gouverneur het bestuursorgaan is dat op het Lob-verzoek moet beslissen. Om die reden heeft het Gerecht in deze zaak de Gouverneur als verweerder aangemerkt.
De uitspraak van het Gerecht
3. Het Gerecht heeft zich onbevoegd verklaard om van het beroep tegen het uitblijven van een beschikking van de Gouverneur op het Lob-verzoek kennis te nemen. Volgens het Gerecht is de Gouverneur geen bestuursorgaan in de zin van de Lar, zodat een reactie op het Lob-verzoek geen beschikking zou zijn in de zin van de Lar en tegen het uitblijven daarvan dus ook niet bij de bestuursrechter kan worden geprocedeerd. Daarbij heeft het Gerecht, kort gezegd, van belang geacht dat de Gouverneur als orgaan van het land Curaçao geen zelfstandige bevoegdheden heeft en dat, als in een wettelijk voorschrift een bevoegdheid aan de Gouverneur wordt geattribueerd, daarmee steeds de regering wordt bedoeld. Betoog in hoger beroep
4. Appellante betoogt in de eerste plaats dat het Gerecht zich ten onrechte onbevoegd heeft verklaard. Daartoe voert zij aan dat de bevoegdheid om vergunningen te verlenen en in te trekken in de Lbh aan de Gouverneur is geattribueerd. Ter onderbouwing daarvan heeft zij vergunningen uit 1996 bijgevoegd waarin de Gouverneur deze bevoegdheid ook (zelf) zou hebben uitgeoefend. In dit kader verwijst appellante ook, a contrario, naar de Lbh van 10 oktober 2010 van het land Sint Maarten, waarin de desbetreffende bevoegdheid aan de minister van Toerisme, Economische Zaken, Verkeer en Telecommunicatie is geattribueerd in plaats van aan de Gouverneur. Ook voert appellante aan dat de Lbh ziet op buitenlandse betrekkingen, nu het gaat om vergunningen voor het exploiteren van hazardspelen op de internationale markt. Buitenlandse betrekkingen zijn een aangelegenheid van het Koninkrijk volgens artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden (hierna: Statuut). In artikel 1 van de Lbh is aan de Gouverneur dan ook een Koninkrijksaangelegenheid geattribueerd. Verder verwijst appellante nog naar artikel 12 van de Staatsregeling van de Nederlandse Antillen waarin stond dat de Gouverneur de uitvoerende macht heeft. Dit alles maakt hem in deze kwestie wel een bestuursorgaan in de zin van de Lar, aldus appellante.
Beoordeling door het Hof
5. Op grond van artikel 2, eerste lid, van het Statuut voert de Koning de regering van het Koninkrijk en van elk van de landen van het Koninkrijk. De Koning is daarbij onschendbaar en (alleen) de ministers zijn verantwoordelijk. Op grond van artikel 2, tweede lid, eerste volzin, wordt de Koning in de landen Aruba, Curaçao en Sint Maarten vertegenwoordigd door de Gouverneur. Artikel 28, eerste lid, van de Staatsregeling van Curaçao (hierna: Staatsregeling) bepaalt dat de regering wordt gevormd door de Koning en de ministers. Op grond van artikel 28, tweede lid, wordt de Koning vertegenwoordigd door de Gouverneur. Artikel 28, derde lid, bepaalt dat de ministers verantwoordelijk zijn aan de Staten.
Aldus is de Gouverneur als landsorgaan onderdeel van het samengestelde ambt de regering. Dat blijkt ook uit artikel 34 van de Staatsregeling, waarin is bepaald dat landsbesluiten worden ondertekend door de Gouverneur én een of meer ministers. Alleen al uit dit samenstel van bepalingen volgt dat het niet mogelijk is om in een landsverordening bevoegdheden met betrekking tot landsaangelegenheden te attribueren aan de Gouverneur als landsorgaan. Dit brengt mee dat een in een landsverordening aan “de Gouverneur” geattribueerde bevoegdheid steeds moet worden begrepen als een bevoegdheid van: de regering. Dit wordt ook bevestigd door de bestuurspraktijk. Gebleken is dat eerdere beschikkingen op grond van de Lbh bij landsbesluit en dus door de regering zijn genomen.
Aan de Gouverneur als Koninkrijksorgaan kunnen wel bevoegdheden worden geattribueerd, ook met betrekking tot landsaangelegenheden. Dat laatste kan alleen als toepassing wordt gegeven aan artikel 52 van het Statuut en artikel 23 van het Reglement voor de Gouverneur van Curaçao. Bij de totstandkoming van de Lbh is aan deze bepalingen echter geen toepassing gegeven.
De door appellante overgelegde eerdere vergunningen, wat daarvan verder ook zij, kunnen aan het voorgaande geen afbreuk doen. Dat in de Lbh van 10 oktober 2010 van het land Sint Maarten deze bevoegdheid aan een minister is geattribueerd, betekent slechts dat de wetgever van Sint Maarten er niet voor heeft gekozen de bevoegdheid te attribueren aan de regering. Het Hof ziet verder niet dat het bij buitengaatse hazardspelen om een Koninkrijksaangelegenheid zou gaan, nog daargelaten dat in dat geval op grond van artikel 2, tweede lid, tweede volzin, van het Statuut de bevoegdheid bij Rijkswet of eventueel bij algemene maatregel van Rijksbestuur zou moeten zijn geregeld. De verwijzing naar artikel 12 van de Staatsregeling van de Nederlandse Antillen baat appellante evenmin, omdat (ook) in die bepaling met “de Gouverneur” werd bedoeld: de regering.
Het voorgaande betekent dat voor de Lbh geldt dat de bevoegdheid om vergunningen te verlenen en in te trekken moet worden geacht te zijn geattribueerd aan de regering. Vergunningen dienen daarom bij landsbesluit te worden verleend en ingetrokken, met ondertekening door zowel de Gouverneur als de verantwoordelijke minister. Het Gerecht heeft zich in deze zaak daarom terecht onbevoegd verklaard en de uitspraak van het Gerecht zal in zoverre worden bevestigd.
Voor de toepassing van de Lob is het bestuursorgaan de minister die het rechtstreeks aangaat. Een verzoek om informatie met betrekking tot de Lbh moet daarom worden gericht tot de daarvoor verantwoordelijke minister (en dus niet tot de Gouverneur) en de beslissing daarop is een beschikking van die minister. Appellante kan zich met een verzoek om informatie (alsnog) wenden tot de minister die verantwoordelijk is voor de Lbh.
Omdat het Gerecht zich terecht onbevoegd heeft verklaard, hoeft het Hof de overige door appellante tegen (overwegingen in) de uitspraak van het Gerecht aangevoerde gronden niet te bespreken. Conclusie
6. Het Hof is niet bevoegd voor zover de uitspraak van het Gerecht gaat over het verzoek om een voorlopige voorziening. De uitspraak van het Gerecht wordt bevestigd voor zover daarbij is beslist op het beroep. De Gouverneur hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:
I. verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het hoger beroep tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 15 januari 2025 voor zover daarbij is beslist op het verzoek om voorlopige voorziening;
II. bevestigt de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 15 januari 2025 voor zover daarbij is beslist op het beroep.
Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. T.G.M. Simons en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Buntjer, griffier.
w.g. Van Ettekoven
voorzitter
w.g. Buntjer
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2026.