Burgerlijke zaken over 2026
Registratienummers: SXM202500816–SXM2025H00109
Uitspraak: 13 mei 2026
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
B E S C H I K K I N G
in de zaak van:
[APPELLANTE],
wonend in Sint Maarten,
in eerste aanleg verzoekster en verweerster in het tegenverzoek,
thans appellante in het principaal hoger beroep en geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,
gemachtigde: mr. J. Deelstra,
tegen
de naamloze vennootschap FATUM GENERAL ASSURANCE N.V.,
gevestigd in Sint Maarten,
in eerste aanleg verweerster en verzoekster in het tegenverzoek,
thans geïntimeerde in het principaal hoger beroep en appellante in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,
gemachtigde: mr. M.R. Hammoud.
Partijen worden hierna de werknemer en de werkgever genoemd.
De zaak in het kort
In deze zaak is de arbeidsovereenkomst tussen een werknemer en een werkgever ontbonden onder toekenning van een vergoeding aan de werknemer. Daartegen staat in beginsel geen hoger beroep open (appelverbod). De werknemer meent dat het appelverbod doorbroken moet worden omdat het Gerecht haar bewijsaanbod heeft gepasseerd. Het Hof komt tot het oordeel dat dat geen doorbrekingsgrond oplevert. Aan een inhoudelijke behandeling van het hoger beroep komt het Hof niet toe.
1. Het verloop van de procedure
Bij op 22 december 2025 ingekomen beroepschrift, met producties, is de werknemer in hoger beroep gekomen van de tussen partijen gegeven en op 13 november 2025 uitgesproken beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof de beschikking zal vernietigen en opnieuw recht doende haar verzoeken alsnog zal toewijzen met veroordeling van de werkgever in de kosten van beide instanties, met rente.
Bij verweerschrift tevens voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van 12 maart 2026 heeft de werkgever het hoger beroep bestreden. Haar conclusie in het principaal hoger beroep strekt ertoe dat het Hof de werknemer niet-ontvankelijk zal verklaren in haar hoger beroep, dan wel dat beroep zal verwerpen, met veroordeling
– uitvoerbaar bij voorraad - van de werknemer in de kosten, met rente. In het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep concludeert de werkgever tot vernietiging van de bestreden beschikking en verzoekt het Hof die vergoeding alsnog op nihil te stellen en, zo er al een vergoeding wordt toegekend, om die te baseren op een maximaal gewogen salaris van Cg 8.694 per maand, althans Cg 15.039 per maand, met veroordeling – uitvoerbaar bij voorraad - van de werknemer in de proceskosten, met rente.
De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgehad in het Courthouse in Sint Maarten op 17 maart 2026. Partijen zijn verschenen (de werknemer in persoon en namens de werkgever J. Meulens en T. Molina), vergezeld van hun gemachtigden, die hebben gepleit volgens hun pleitaantekeningen. Verder zijn vragen van het Hof beantwoord.
Beschikking is bepaald op vandaag.
2. De beoordeling
Bij de bestreden beschikking heeft het Gerecht de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst per 1 december 2025 ontbonden met toekenning van een vergoeding aan de werknemer van Cg 213.829,07, onder de voorwaarde dat de werknemer en/of de werkgever het verzoek niet intrekken. De werknemer noch de werkgever hebben van de intrekkingsbevoegdheid gebruik gemaakt.
Op grond van artikel 7:685 lid 11 BW kan tegen een ontbindingsbeschikking geen hoger beroep worden ingesteld. Dit wettelijk appelverbod kan alleen worden doorbroken als komt vast te staan dat het Gerecht buiten het toepassingsbereik van artikel 7:685 BW is getreden, dat artikel ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten of een zo fundamenteel rechtsbeginsel is geschonden dat niet kan worden gesproken van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak in de zin van artikel 6 EVRM.
De werknemer voert met name aan dat het Gerecht heeft gehandeld in strijd met een fundamenteel rechtsbeginsel (het beginsel van equality of arms/beginsel van hoor en wederhoor) door het uitdrukkelijke bewijsaanbod van de werknemer te passeren. Dit bewijsaanbod zag op de oorzaak en ernst van de (volgens de werknemer arbeidsgerelateerde) burn-out, het ziekteverloop en de re-integratieperspectieven. De werknemer stelt dat het horen van de door haar genoemde getuigen de enige reële mogelijkheid was/is om bewijs te leveren dat zij zicht had op herstel.
Het Hof stelt voorop dat een ontbindingsprocedure een op een spoedige beslissing gerichte verzoekschriftprocedure is, waarin de rechter beslist zonder aan de wettelijke bewijsregels te zijn gebonden, zodat in beginsel zonder het houden van een getuigenverhoor op het verzoek kan worden beslist. Dat laat echter onverlet dat de rechter ook in ontbindingsprocedures fundamentele rechtsbeginselen in acht moet nemen zoals het beginsel van equality of arms en het beginsel van hoor en wederhoor. Het enkel ontoereikend passeren van een bewijsaanbod geldt echter niet als een schending van een dergelijk beginsel (zie: HR 5 maart 1999, ECLI:NL:
HR: 1999:ZC2865, r.ov 3.2).
Het uit artikel 6 EVRM voortvloeiende beginsel van equality of arms betekent dat partijen in een civiel geding in redelijkheid de gelegenheid moeten krijgen om hun zaak te presenteren - inclusief het bewijs - zonder dat daarbij de ene partij in een beduidend slechtere positie verkeert dan de andere partij (zie EHRM 27 oktober 1993, NJ 1994, 534). Het beginsel van hoor en wederhoor houdt in dat procespartijen in gelijke mate hun standpunten naar voren moeten kunnen brengen en toelichten en zich over de zaak moeten kunnen uitlaten. De procespartijen moeten een gelijkwaardige behandeling krijgen.
Uit het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg maakt het Hof op dat beide partijen de gelegenheid hebben gehad hun standpunten naar voren te brengen, ook op elkaars standpunten hebben kunnen reageren en daarvan beiden gebruik hebben gemaakt. De zaak is ter zitting volledig behandeld en het Gerecht achtte zich kennelijk voldoende geïnformeerd om op het verzoek te kunnen beslissen zonder dat daarvoor nader bewijs nodig was. Onvoldoende is gesteld om het oordeel te kunnen dragen dat partijen geen gelijke kansen voor het aannemelijk maken van hun standpunt hebben gehad of dat zij overigens niet een gelijkwaardige behandeling hebben gekregen.
Dat de werknemer zich niet kan vinden in de uitkomst en de motivering van de beslissing wat betreft de hoogte van de toegekende vergoeding, is geen grond voor doorbreking van het appelverbod. De werknemer heeft de gelegenheid gehad het verzoek in te trekken voor het geval zij het niet eens zou zijn met de (hoogte van de) vergoeding, van welke gelegenheid zij geen gebruik heeft gemaakt.
De conclusie is dat zich in dit geval geen doorbrekingsgrond voordoet. Dat betekent dat het Hof niet tot een verdere beoordeling van het principaal hoger beroep kan overgaan en het wordt verworpen. De voorwaarde waaronder het incidenteel hoger beroep is ingesteld is daarmee niet in vervulling gegaan, waardoor dat weg valt. De werknemer zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het principaal hoger beroep.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
verwerpt het hoger beroep,
veroordeelt de werknemer in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van de werkgever gevallen en tot op heden begroot op Cg 6.000 aan salaris voor de gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente daarover wanneer deze kosten niet binnen vijftien dagen na deze uitspraak zijn voldaan,
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.J.H.G. Bronzwaer, E.M. van der Bunt en C.G. ter Veer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie en ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten uitgesproken op 13 mei 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.