Vonnis
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) van 18 juni 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:
[naam verdachte]
geboren op [geboortedatum] op Curaçao,
wonende in Curaçao,
thans gedetineerd in het huis van bewaring in Curaçao.
Hoger beroep
Het Gerecht heeft de verdachte ter zake van de onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het Gerecht beslissingen gegeven op de inbeslaggenomen voorwerpen.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.
Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureur-generaal, mr. S. Verheijen, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. U.F. Dickens, naar voren is gebracht.
De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, behoudens ten aanzien van de opgelegde straf en – in zoverre opnieuw rechtdoende – de verdachte zal veroordelen tot gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van voorarrest.
De raadsman heeft een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, omdat het Hof zich daarmee verenigt, behoudens ten aanzien van de opgelegde straf en de motivering daarvan. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd. Verder wordt bewijsmiddel 10 vervangen en zal er een bewijsoverweging worden toegevoegd.
Vervanging bewijsmiddel
Het Hof verenigt zich met de door het Gerecht in eerste aanleg gemaakte selectie van de bewijsmiddelen, met uitzondering van bewijsmiddel 10. Het Hof neemt deze bewijsmiddelen dan ook over, verwijst daarnaar en legt deze ten grondslag aan zijn bewezenverklaringen.
Het Gerecht heeft in bewijsmiddel 10 van het vonnis waarvan beroep opgenomen:
“Op 30 december 2024 zat ik op de boot. Ze hebben wapens en drugs gevonden.”
Het Hof vervangt dit bewijsmiddel met de door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van 30 april 2026, luidende als volgt:
“Het klopt dat ik op 30 december 2024 op een boot zat en ik wist dat ik op dat moment drugs vervoerde.”
Aanvullende bewijsoverweging ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3
De verdachte heeft in zijn laatste verklaring bij de politie en ter terechtzitting bekend dat hij op de hoogte was van de drugs op zijn boot. Hij heeft ontkend wetenschap te hebben gehad van de aanwezigheid van de aangetroffen vuurwapens en munitie.
Uit zijn verklaring blijkt in ieder geval dat hij willens en wetens drugs naar Curaçao heeft vervoerd en zich dus bewust was van zijn betrokkenheid bij een illegaal transport. De verdachte heeft daarbij verklaard dat hij is gaan rusten terwijl anderen zijn boot voor dit transport inlaadden. Door, in de wetenschap dat hij een illegale lading zou vervoeren, de boot buiten zijn aanwezigheid door derden te laten inladen en vervolgens zonder nader onderzoek naar die lading met die boot te vertrekken, heeft de verdachte naar het oordeel van het Hof bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat naast de drugs ook vuurwapens aan boord waren gebracht. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat illegale vuurwapens (onder andere) vanuit Venezuela naar Curaçao worden gesmokkeld ter verdere verspreiding binnen het criminele milieu. Gelet hierop acht het Hof ook het tenlastegelegde voorhanden hebben van de vuurwapens en munitie wettig en overtuigend bewezen.
Oplegging van straf
Het Hof komt evenals het Gerecht tot een bewezenverklaring van de invoer van ruim 25 kilo cocaïne en drie vuurwapens met munitie. Het Gerecht heeft de verdachte daarvoor veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren met aftrek van voorarrest.
De procureur-generaal heeft, uitgaande van dezelfde bewezenverklaringen, maar in hoger beroep rekening houdend met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte, gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren met aftrek van voorarrest.
De verdediging heeft eveneens bepleit om bij de oplegging van de straf rekening te houden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte, in die zin dat de door het Gerecht opgelegde gevangenisstraf wordt gematigd.
Het Gerecht heeft ten aanzien van de strafoplegging onder meer het volgende overwogen.
“Bij de bepaling van de op te leggen straf let het Gerecht op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Het Gerecht heeft in dit verband tevens aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid van het Hof en de Gerechten in eerste aanleg zijn neerslag heeft gevonden.
Verdachte is op 30 december 2024 in de nacht aangetroffen op een boot met daarop een grote hoeveelheid cocaïne en drie vuurwapens met bijbehorende munitie. Curaçao wordt overspoeld met verdovende middelen en de daaruit voortvloeiende criminaliteit. Daarnaast is het algemeen bekend dat het gebruik van verdovende middelen een gevaar oplevert voor de volksgezondheid. Met zijn handelen heeft de verdachte hieraan bijgedragen. Daarbij is de aanwezigheid en het gebruik van vuurwapens een groot probleem in Curaçao. Het voorhanden hebben van een vuurwapen leidt al te vaak tot het gebruik daarvan, met alle gevolgen van dien. Tegen het ongecontroleerde bezit van vuurwapens moet daarom streng worden opgetreden.
De verdachte is, zo blijkt uit zijn strafkaart, eerder onherroepelijk veroordeeld voor een soortgelijk misdrijf. Het Gerecht houdt hier ten nadele van de verdachte rekening mee.”
Het Hof sluit zich daarbij aan en vervangt de overige overwegingen ten aanzien van de op te leggen straf als volgt.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte merkt het Hof het volgende op. Uit het psychiatrisch rapport van 20 april 2026, opgesteld door [de psychiater], volgt dat bij de verdachte mogelijk sprake is van een verstandelijke beperking, dat hij makkelijk beïnvloedbaar is en dat zijn sociaal functioneren lijkt te liggen op een zwakbegaafd niveau. Gelet op de ontkennende proceshouding van de verdachte concludeert de psychiater dat de verdachte volledig toerekeningsvatbaar was. De psychiater voegt daar echter aan toe dat indien de verdachte ter terechtzitting de feiten zou bekennen en hij inzicht zou geven in zijn beweegredenen, in overweging zou kunnen worden genomen om de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te achten ten tijde van de bewezenverklaarde feiten.
Uit het rapport volgt dat de psychiater tijdens zijn onderzoek niet beschikte over de door de verdachte op 5 maart 2026 afgelegde verklaring bij de politie, inhoudende dat de verdachte – kort gezegd – heeft bekend dat hij wist dat hij de drugs zou gaan vervoeren naar Curaçao.
Gelet op die verklaring en voornoemde inhoud van het psychiatrisch rapport, zal het Hof de verdachte de bewezenverklaarde feiten in verminderde mate toerekenen. Het Hof ziet in het voorgaande dan ook aanleiding om een enigszins lagere gevangenisstraf op te leggen dan het Gerecht heeft opgelegd.
Alles afwegende acht het Hof het passend en geboden om de verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van vijf jaren. De tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht zal op die straf in mindering worden gebracht.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 1:68, 1:117 en 1:118 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 3 en 11 van de Vuurwapenverordening 1930 en de artikelen 3 en 11 van de Opiumlandsverordening 2024, zoals deze luid(d)en ten tijde van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het Hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en doet in zoverre opnieuw recht,
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de vijf (5) jaren;
beveelt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.
Dit vonnis is gewezen door mr. Y.C. Bours, voorzitter, mr. F.V.L.M. Wannyn en mr. M.L.A. Angela, leden van het Hof, bijgestaan door mr. L. Witte, (zittings)griffier, en op 21 mei 2026 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao.