Burgerlijke zaken over 2026
Zaaknummers: SXM202400720 – SXM2024H00135
Uitspraak: 13 mei 2026
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
1. [APPELLANT 1],
2. [APPELLANTE 2],
beiden met gekozen domicilie in Sint Maarten,
in eerste aanleg eisers, thans appellanten,
gemachtigde: mr. J.G. Snow,
tegen
1. [GEÏNTIMEERDE 1],
2. [GEÏNTIMEERDE 2],
beiden wonende in Toronto, Canada,
in eerste aanleg gedaagden, thans geïntimeerden,
niet verschenen.
Partijen worden hierna [appellanten] en [geïntimeerden] genoemd.
1. Het verloop van de procedure
Bij op 1 oktober 2024 ingekomen akte van appel zijn [appellanten] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 1 oktober 2024 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (hierna: het Gerecht).
Bij op eveneens 1 oktober 2024 ingekomen memorie van grieven hebben [appellanten] één grief tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Hun conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en [geïntimeerden] zal veroordelen tot, verkort weergegeven, betaling van USD 200.000 met contractuele rente van 4,7% per jaar, in termijnen van USD 2.092,10 per maand, kosten rechtens.
[geïntimeerden] hebben geen memorie van antwoord ingediend.
Op de rolzitting van het Hof van 27 augustus 2025 heeft de gemachtigde van [appellanten] medegedeeld af te zien van pleidooi en is zijdens [geïntimeerden] niemand verschenen.
Vonnis is nader bepaald op vandaag.
2. De beoordeling
[geïntimeerden] zijn noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep verschenen. In beide instanties zijn zij opgeroepen door middel van een exploot aan de officier van justitie, overeenkomstig het voorschrift van art. 5, aanhef en onder 8°, Rv.
Art. 284 Rv bepaalt dat alle beslissingen van het Hof in hoger beroep steeds worden beschouwd als op tegenspraak te zijn gewezen.
Teneinde te voorkomen dat de toepassing van de regeling van art. 5, aanhef en onder 8°, Rv in verbinding met het bepaalde in art. 284 Rv in een concreet geval tot gevolg heeft dat het mede in art. 6 EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter en het recht op hoor en wederhoor in de kern wordt aangetast, dient het Hof in een procedure in hoger beroep waarin de geïntimeerde (die niet in het Caribische deel van het Koninkrijk woont en daarin evenmin een bekend verblijf heeft, maar van wie de woonplaats of het werkelijk verblijf in het buitenland bekend is) niet verschijnt, zijn uitspraak aan te houden (vergelijk: HR 9 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1059).
Uit het inleidend verzoekschrift en de producties daarbij blijken de volgende adresgegevens van [geïntimeerden]:
[adres], Canada;
[e-mailadres].
Het Hof zal [appellanten] in de gelegenheid stellen het procesdossier te scannen en te mailen naar bovengenoemd e-mailadres van [geïntimeerden]
Dat betreft: inleidend verzoekschrift met producties, vonnis, akte van appel en memorie van grieven.
Zij dienen daarbij mee te delen dat [geïntimeerden] het Hof per mail aan griffiehofciviel@caribjustitia.org kunnen verzoeken om in de gelegenheid te worden gesteld alsnog een memorie van antwoord in te dienen. In beginsel zal het Hof hun daartoe een termijn geven van zes weken, te rekenen vanaf de dag waarop de stukken [geïntimeerden] hebben bereikt.
Indien [geïntimeerden] niet binnen twee weken reageren op de e-mail van [appellanten], dienen [appellanten] de stukken toe te zenden naar bovenbenoemd adres met een koeriersdienst. In dat geval dienen zij te proberen een bewijs van verzending en van ontvangst te verkrijgen.
Het Hof zal de zaak naar de rol verwijzen om [appellanten] in de gelegenheid te stellen bij akte verslag te doen van hetgeen zij naar aanleiding van voorgaande overweging hebben gedaan en bewijsstukken in het geding te brengen.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
verwijst de zaak naar de eerstkomende rol van het Hof in Sint Maarten na het reces van 2026 (datum wordt later bekend gemaakt) voor akte zijdens [appellanten];
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mrs. E.M. van der Bunt, G.C.C. Lewin en J. de Boer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten uitgesproken op 13 mei 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.