ECLI:NL:OGHACMB:2026:96

ECLI:NL:OGHACMB:2026:96

Instantie Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak 21-04-2026
Datum publicatie 26-05-2026
Zaaknummer CUR2025H00274
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Curaçao; hoger beroep tegen uitspraak Medisch Tuchtcollege niet-ontvankelijk. Appelverbod art. 17 lid 2 Landsverordening Medisch Tuchtrecht leent zich niet voor doorbreking.

Uitspraak

Medische tuchtzaken over 2026

Registratienummers: CUR202404636 - CUR2025H00274

Uitspraak: 21 april 2026

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

B E S L I S S I N G op grond van artikel 17 Landsverordening Medisch Tuchtrecht

in de zaak van:

[appellante],

wonende in [woonplaats],

hierna te noemen: klaagster,

appellante,

gemachtigde: J.G.J. Huurman,

tegen

[de chirurg],

wonende in [woonplaats],

hierna te noemen: de chirurg,

geïntimeerde,

gemachtigde: mr. W. Princée.

1. De zaak in het kort

Deze zaak betreft een klacht tegen een chirurg in Curaçao. Klaagster heeft een operatie bij chirurg ondergaan en heeft later een nier verloren. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat de chirurg tijdens en na de operatie fouten heeft gemaakt die tuchtrechtelijk verwijtbaar zijn. Het Medisch Tuchtcollege Curaçao heeft de klacht deels toegewezen en heeft als maatregel een waarschuwing opgelegd. Uit artikel 17 lid 2 van de Landsverordening Medisch Tuchtrecht volgt dat hoger beroep voor de klager slechts open staat in een beperkt aantal gevallen en niet als een maatregel is opgelegd, zoals in dit geval. De klaagster heeft aangevoerd dat dit appelverbod doorbroken moet worden. Het Medisch Tuchtcollege heeft volgens haar de klacht niet eerlijk en onpartijdig behandeld, zodat niet is voldaan aan de eisen van een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM. Het Hof oordeelt dat het appelverbod in de Landsverordening zich niet leent voor doorbreking, in elk geval niet op de daartoe aangevoerde grond dat art. 6 EVRM geschonden is. Voor dit oordeel is van belang dat dit verdragsartikel niet rechtstreeks van toepassing is, omdat deze tuchtprocedure niet is gericht op het vaststellen van “burgerlijke rechten en verplichtingen” als bedoeld in art. 6 EVRM. Het appelverbod kan in dit geval daarom niet doorbroken worden. Het Hof verklaart klaagster niet-ontvankelijk in haar hoger beroep.

2. Het verloop van de procedure in hoger beroep

Bij op 16 oktober 2025 ingekomen beroepschrift, is klaagster in hoger beroep gekomen van de tussen partijen gewezen en op 3 oktober 2025 uitgesproken beslissing van het Medisch Tuchtcollege in Curaçao (hierna: het MTC). Hierbij heeft klaagster bezwaren tegen de beschikking aangevoerd. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof de beslissing zal vernietigen en aan de chirurg een zwaardere maatregel zal opleggen, te weten een permanente ontzegging van de bevoegdheid om geneeskunst uit te oefenen of een schorsing in die uitoefening.

De chirurg heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof klaagster niet-ontvankelijk zal verklaren dan wel de bestreden beschikking zal bevestigen.

Op 10 maart 2026 heeft de mondelinge behandeling in hoger beroep plaatsgevonden en daarvan is proces-verbaal opgemaakt. Verschenen zijn partijen, ieder bijgestaan door hun gemachtigde. De gemachtigde van klaagster heeft een pleitnota ingediend. Daaraan gehechte producties zijn door het Hof geweigerd. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van de chirurg het proces-verbaal van de zitting bij het medisch tuchtcollege overgelegd.

Beschikking is aangezegd en bepaald op vandaag.

3. De feiten

Het Hof gaat uit van de volgende verkorte versie van de feiten die door het MTC zijn vastgesteld, namelijk de feiten die nu nog van belang zijn in hoger beroep.

Op 27 juni 2017 heeft klaagster een operatie ondergaan omdat bij haar endeldarmkanker was geconstateerd. De operatie is verricht door de chirurg. Achteraf is gebleken dat bij of na de operatie een complicatie is opgetreden.

In de periode juli tot december 2017 is de klaagster op consult geweest bij de chirurg wegens aanhoudende klachten. In februari 2018 heeft de chirurg klaagster verwezen voor aanvullend onderzoek bestaande uit een colonscopie en een CT-scan. In maart 2018 is de CT-scan verricht. In het verslag daarvan is onder meer vermeld: “Hydronefrose en Hydro-ureter linker nier”.

Op 12 september 2018 heeft klaagster een operatie ondergaan door een uroloog, waarbij haar linkernier is verwijderd. Klaagster is daarna arbeidsongeschikt verklaard voor haar werk als onderwijzeres. Per 1 augustus 2022 is zij met vervroegd pensioen gegaan.

De chirurg is in 2025 met pensioen gegaan.

4. De procedure bij het MTC

Het MTC heeft de volgende klachtonderdelen onderscheiden:

(i) de chirurg heeft tijdens de operatie clips achtergelaten;

(ii) klaagster is te vroeg uit het ziekenhuis ontslagen;

(iii) de chirurg heeft onvoldoende nazorg geboden;

(iv) de chirurg heeft de tijdens de operatie opgetreden complicatie voor haar verzwegen en de uitslag van de CT-scan in maart 2018 voor haar achtergehouden, waardoor onherstelbare schade aan haar linkernier is ontstaan.

Het MTC heeft de klachtonderdelen (i) (ii) en (iii) ongegrond verklaard op de grond dat het MTC geen aanwijzingen aanwezig acht dat de chirurg op die punten nalatig is geweest of onzorgvuldig heeft gehandeld. Klachtonderdeel (iv) is deels gegrond verklaard voor zover dat ziet op het niet verstrekken van de juiste informatie na de CT-scan van maart 2018. Van een opzettelijk verzwijgen of achterhouden van de uitslag is volgens het MTC niet gebleken. Door de handelwijze van de chirurg is een delay (vertraging) ontstaan in de diagnose en behandeling waardoor klaagster lange tijd in onzekerheid heeft verkeerd. Dit is traumatiserend geweest en zij ondervindt daar nu nog de gevolgen van. De chirurg toont zich berouwvol en kampt met lichamelijke en psychische klachten na een eerdere tuchtklacht. Alles afwegend heeft het MTC aan de chirurg een waarschuwing opgelegd.

5. De beoordeling

ontvankelijkheid beroep

Artikel 17 lid 2 Landsverordening Medisch Tuchtrecht (LvMT) luidt als volgt:

“2. Hoger beroep kan worden ingesteld:

a. (…) door degene op wiens schriftelijke klacht (…) de zaak aanhangig is gemaakt, doch alleen indien niet-ontvankelijkverklaring, afwijzing zonder nader onderzoek, of niet-toepassing na onderzoek van een der in artikel 7, lid 1, bedoelde maatregelen is gevolgd“.

Nu er in dit geval een maatregel is opgelegd staat hoger beroep niet open voor de klager, zoals verweerder ook heeft aangevoerd (zie ook GHvJ 17 december 2024, ECLI:NL:OGHACMB:2024:293).

Namens klaagster is bij pleitnota in hoger beroep aangevoerd dat dit appelverbod in deze zaak moet worden doorbroken, met verwijzing naar de rechtspraak van de Hoge Raad over de doorbreking van appelverboden in civiele zaken en met verwijzing naar artikel 6 EVRM.

Het Hof is echter van oordeel dat dit appelverbod zich niet leent voor doorbreking. Dit kan in elk geval niet op de grond dat het MTC zodanige essentiële vormen niet in acht heeft genomen dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de klacht niet kan worden gesproken of op de grond dat bij het MTC niet is voldaan aan de eisen van een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM. Voor dit oordeel is van belang dat art. 6 EVRM niet rechtstreeks van toepassing is, omdat deze tuchtrechtelijke procedure niet is gericht op het vaststellen van de “burgerlijke rechten en verplichtingen” als bedoeld in art. 6 EVRM van de klager. Niet doorslaggevend is dat burgerlijke rechten en verplichtingen van de chirurg wel aan de orde kunnen zijn. In dit geval zijn die overigens niet aan de orde, nu slechts een waarschuwing is opgelegd (geen schorsing of ontzegging van de uitoefening van de geneeskunst). De chirurg heeft inmiddels zijn praktijk gestaakt. Dat hij die praktijk weer zou kunnen oppakken in een privékliniek is gelet op het voorgaande niet relevant.

ten overvloede

Ten overvloede overweegt het Hof dat niet aannemelijk is geworden dat het MTC essentiële vormen heeft veronachtzaamd of dat klaagster bij het Medisch Tuchtcollege geen eerlijk proces heeft plaatsgehad. Klaagster heeft (pas) in haar pleitnota in hoger beroep aangevoerd dat in de procedure bij het MTC op de volgende punten fundamentele rechtsbeginselen zijn geschonden:

( a) de beide medische leden van het MTC zijn geen deskundigen op het gebied van de chirurgie of de urologie, de specialismen die in deze casus een rol spelen; bovendien zijn zij werkzaam bij het ziekenhuis waar de chirurg werkzaam was en hebben dus onvoldoende persoonlijke afstand tot hem;

( b) het proces-verbaal van de zitting van het MTC is pas ruim na de uitspraak toegezonden aan klaagster, na herhaald verzoek; bij het opstellen van het beroepschrift kon dit proces-verbaal daarom niet worden gebruikt;

( c) klaagster heeft op 24 juni 2025 bij het CMC (het ziekenhuis) de stukken en foto’s opgevraagd die in haar medische dossier behoorden te zitten; een deel van het medisch dossier heeft zij wel gekregen, maar geen beeldmateriaal (röntgenfoto’s en CT-scans); dat weegt des te zwaarder omdat het medisch lid van het MTC Berend tijdens de zitting bij het MTC heeft gezegd dat hij conclusies trok op basis van door hem bestudeerde “foto’s”. Die opmerking staat niet in het proces-verbaal van de zitting en die foto’s heeft de klaagster niet gekregen, terwijl de chirurg daar mogelijk wel over beschikte;

( d) de motivering van het MTC is onevenwichtig, omdat de stellingen van [appellante] daarin nauwelijks worden aangehaald; dit roept de schijn van partijdigheid op van het MTC; het feit dat het MTC zijn oordeel heeft gebaseerd op een incompleet medisch dossier is daarvoor ook een indicatie;

( e) het MTC heeft andere bij de nabehandeling van klaagster betrokken artsen ([betrokken artsen]) ten onrechte niet bij de behandeling van de klacht betrokken; op zijn minst hadden deze artsen gehoord moeten worden door het MTC nu de klachten tegen de drie behandelende artsen samenhangen; ook dit roept vragen op over de onpartijdigheid van het MTC.

Het Hof behandelt deze punten hierna.

ad (a) samenstelling MTC

Het enkele feit dat de medische leden van het MTC (een nefroloog en een longarts) niet hetzelfde specialisme hebben als de chirurg betekent niet dat zij niet in staat zijn te oordelen over het medisch handelen van de chirurg. Dat deze artsen bij het CMC werken, waar de chirurg ook werkzaam was is gelet op de kleine schaal van de medische zorg in Curaçao welhaast onvermijdelijk en dit enkele feit is onvoldoende om aan te nemen dat deze artsen niet de benodigde professionele distantie hebben om over het medisch handelen van de chirurg te oordelen (vergelijk HR 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:87, 3.6).

ad (b) proces-verbaal

Ter zitting heeft de gemachtigde van de klaagster verklaard dat het proces-verbaal van de zitting van het MTC (dat zoals gebruikelijk pas wordt opgestuurd na een verzoek daartoe) op 18 februari 2026 is opgevraagd en op 20 februari 2026 is ontvangen. Dat dit stuk niet gebruikt kon worden bij het opstellen van het beroepschrift is dus niet aan een verzuim van het MTC te wijten en levert geen oneerlijk proces op.

ad (c)ontbreken foto’s in medisch dossier

De chirurg heeft verklaard dat het medisch dossier van klaagster niet compleet was en stelt dat dit is veroorzaakt door de overdracht van dossiers van Emmacare (waar hij eerst werkte) naar Sehos (de voorganger van het CMC) en vervolgens naar het CMC. Hij heeft betwist dat het medisch dossier foto’s bevatte (de bestanden waarmee CT-scans worden vastgelegd zijn geen foto’s). Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat niet en daaruit blijkt ook niet dat dr. Berend foto’s ter sprake heeft gebracht. Indien dr. Berend tijdens de zitting heeft gesproken over wat hij gezien heeft in het dossier acht het Hof het niet uitgesloten dat hij daarbij doelde op de schriftelijke verslaglegging of op de gegevens van de CT-scans. In ieder geval is onvoldoende gebleken dat foto’s voorhanden waren en dat die aan klaagster zijn onthouden.

ad (d) onevenwichtige motivering en incompleet dossier

Het MTC heeft de feiten van de zaak (waaronder de voor de beoordeling van de zaak relevante gegevens uit het medisch dossier) vastgesteld onder 2.1 tot en met 2.15. De standpunten van klaagster heeft het MTC verwerkt in de weergave van de klacht in 3.1 met vier klachtonderdelen, die vervolgens zijn beoordeeld. Dat er daarbij essentiële stellingen van klaagster onbehandeld zijn gebleven is niet gebleken. Dat het medisch dossier incompleet was, staat onbetwist vast, maar dat brengt niet mee dat sprake is van een oneerlijk proces.

ad(e) rol andere behandelaars

De artsen [betrokkene artsen] hebben klaagster behandeld nadat de behandeling door de chirurg was geëindigd. Dat het MTC hen niet heeft gehoord levert gelet daarop geen strijd op met een eerlijk proces. Dat de klacht ook tegen deze behandelaars gericht was valt daarin niet te lezen.

slotsom

Uit het voorgaande volgt dat het betoog van klaagster faalt dat het appelverbod in artikel 17 lid 2 LvMT in deze zaak moet worden doorbroken. Het appelverbod leent zich in deze zaak niet voor doorbreking, zoals hiervoor is overwogen (in 5.3). Bovendien is niet aannemelijk geworden dat het MTC essentiële vormen heeft veronachtzaamd of dat klaagster bij het MTC geen eerlijk proces heeft gehad. Dit blijkt uit hetgeen hiervoor is overwogen (in 5.4-5.9) en geldt ook als de aangevoerde verwijten in samenhang worden beschouwd.

Klaagster zal niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering in hoger beroep.

Het Hof zal deze beslissing op grond van art. 16 lid 2 LvMT ter publicatie aanbieden aan rechtspraak.nl. Op grond van lid 3 van dit artikel zal het Hof de griffier gelasten een afschrift van de beslissing te zenden aan de Inspectie voor de Volksgezondheid.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

verklaart klaagster niet-ontvankelijk in haar vordering in hoger beroep;

gelast de griffier een afschrift van deze beslissing te zenden aan de Inspectie voor de Volksgezondheid;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.G. ter Veer, G.C.C. Lewin en P.J. Duinkerken, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof uitgesproken op 21 april 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand