ECLI:NL:OGHACMB:2026:97

ECLI:NL:OGHACMB:2026:97

Instantie Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak 28-04-2026
Datum publicatie 26-05-2026
Zaaknummer CUR2024H00013
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Curacao. Immuniteit van executie. Arbitrale uitspraak kan niet worden erkend. Geen vereenzelviging van vennootschappen met staat Libie. Artikel 19 VN Verdrag immuniteit 2004. Artikel 15bis Algemene bepalingen der wetgeving van Curaçao. Internationaal gewoonterecht c.q. ongeschreven internationaal publiekrecht. Goederen door de vreemde staat gebruikt of bestemd voor andere dan publieke doeleinden. Stelplicht en bewijslast met betrekking tot de vatbaarheid voor beslag en executie rusten op de schuldeiser die beslag legt of wil leggen op goederen van de vreemde staat.

Uitspraak

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN

ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN

BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

V O N N I S

in de zaak van:

de rechtspersoon naar Turks recht

ETRAK INSAAT TAAHHUT VE TICARET A.S.,

gevestigd te Istanbul, Turkije,

hierna te noemen: Etrak,

oorspronkelijk eiseres in conventie en verweerster in reconventie, thans appellante,

gemachtigden: mrs. A.S. Schennink en C. de Bres,

tegen

1. de openbare rechtspersoon naar Libisch recht

DE STAAT LIBIË,

zetelend in Libië,

hierna te noemen: Libië,

2. de rechtspersoon naar Libisch recht

LIBYAN FOREIGN INVESTMENT COMPANY,

hierna te noemen: Lafico,

gevestigd te Gharyan, Libië,

3. de rechtspersoon naar Libisch recht

THE NATIONAL OIL CORPORATION,

gevestigd te Tripoli, Libië,

hierna te noemen: LNOC,

4. de rechtspersoon naar Libisch recht

LIBYAN FOREIGN BANK,

gevestigd te Tripoli, Libië,

hierna te noemen: LFB,

oorspronkelijk gedaagden in conventie en eisers in reconventie, thans geïntimeerden,

gemachtigden van geïntimeerden 2-4: mrs. J.M.K.P. Cornegoor en M.F. Murray.

Geïntimeerden zullen hierna gezamenlijk worden aangeduid als Libië c.s en geïntimeerden onder 2-4 (Lafico, LNOC en LFB) als Lafico c.s.,

Libië is niet verschenen, in eerste aanleg noch in hoger beroep.

1. Het verloop van de procedure

Bij op 12 januari 2024 ingekomen akte van appel is Etrak in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 4 december 2023 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht).

Bij op 23 februari 2024 ingekomen memorie van grieven, met producties, heeft Etrak vier grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en haar vorderingen zal toewijzen, met hoofdelijke veroordeling van Libië en Lafico c.s. in de kosten van het geding in beide instanties.

Bij op 23 april 2024 ingekomen memorie van antwoord, met twee bijlagen en een productie, hebben Lafico c.s. de grieven bestreden en geconcludeerd tot bevestiging van het bestreden vonnis, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van Etrak in de proceskosten.

Op 15 oktober 2024 hebben de gemachtigden van partijen pleitnotities ingediend.

Op 15 april 2025 hebben de gemachtigden wederom pleitnotities ingediend. Bij die van de gemachtigde van Lafico c.s. zijn producties gevoegd.

Op 30 september 2025 hebben de gemachtigden voor de derde maal pleitnotities ingediend.

Vonnis is nader bepaald op vandaag.

2. De beoordeling

Het Gerecht heeft onder 2 van het bestreden vonnis de volgende feiten vastgesteld.

Etrak is een Turks bouwbedrijf dat in de jaren '80 en'90 werkzaamheden heeft verricht voor de Libische overheid, die de facturen voor een groot deel onbetaald liet. Nadat haar vordering was erkend door een Libische commissie, ingesteld om vorderingen van buitenlandse partijen te verifiëren, en die vordering vervolgens was toegewezen door een Libische rechter, maar nog steeds niet werd betaald, heeft Etrak in 2013 een vaststellingsovereenkomst gesloten met een vertegenwoordiger van het Libische ministerie van financiën, waarin de hoofdsom werd vastgesteld op 5.420.308 Libische dinars en 707 dirhams, een lager bedrag dan door de Libische rechter was toegewezen.

Toen ook dat bedrag niet werd betaald, heeft Etrak in 2016 een arbitrageverzoek ingediend bij de International Chamber of Commerce. Dat gebeurde op basis van een bilaterale investeringsovereenkomst tussen Libië en Turkije (BIT), die op 22 april 2011 in werking was getreden. De juridische plaats van arbitrage was Zwitserland. De mondelinge behandeling vond plaats in het Verenigd Koninkrijk. Bij arbitraal vonnis van 22 juli 2019 hebben arbiters geoordeeld dat Libië de BIT heeft geschonden, met name artikel 2 (2) daarvan, waarin is bepaald dat geen van de contract sluitende partijen investeringen van of terugbetalingen aan investeerders van de andere partij minder gunstig zal behandelen dan investeringen van of terugbetalingen aan haar eigen investeerders. De schade bestond volgens dat vonnis uit het bedrag uit de vaststellingsovereenkomst plus rente, ofwel USD 21.865.554, tot betaling van welk bedrag plus rente van 4% per jaar Libië in dat vonnis werd veroordeeld. Libië werd ook verwezen in de op USD 478.850 begrote proceskosten. Libië kwam ook dit vonnis niet na.

LAFICO is in 1981 opgericht door de Libische wetgevende macht als 'Joint Stock Company', een Libische rechtspersoon met een afgescheiden vermogen. De aandelen werden aanvankelijk gehouden door de Libische regering. Sinds 2010 zijn ze eigendom van de toen opgerichte Libyan Investment Authority (LIA), een zelfstandig overheidslichaam dat administratief ondergeschikt is aan de Libische Raad van Ministers. Het statutaire doel van LAFICO is kort gezegd met Libische fondsen investeren buiten Libië.

NOC is in 1970 opgericht door de Libische wetgevende macht als 'Libyan Public Corporation', een Libische rechtspersoon waarvan de overheid enig rechthebbende is. NOC staat onder algemeen bestuur en toezicht van de Libische Raad van Ministers. Het dagelijks bestuur is in handen van de eigen bestuurders. Het statutaire doel van NOC is kort gezegd het steunen van de nationale economie door het zoeken naar en investeren en handelen in olie en gas binnen en buiten Libië.

LFB is in 1972 opgericht door de Libische wetgevende macht als

'Joint Stock Company', een Libische rechtspersoon met een afgescheiden vermogen.

Enig aandeelhouder is de Central Bank of Libya, de Libische centrale bank.

Het statutaire doel is kort gezegd het ontplooien van allerlei financiele en bancaire

activiteiten, voornamelijk buiten Libië.

Op 17 maart 2020 heeft Etrak, na daartoe verkregen verlof van het gerecht, ten laste van LAFICO c.s. conservatoir beslag doen leggen op de aandelen in het kapitaal van de Curaçaose vennootschap Oilinvest (Holdings) N.V. voor haar daarbij op USD 25.000.000 inclusief rente en kosten begrote vordering op Libië. LAFICO, LNOC, en LFB zijn de aandeelhouders van Oilinvest (Holdings) N.V., die op haar beurt enig aandeelhouder is van Oilinvest (Netherlands) B.V.

Etrak vordert:

I. het Vonnis van 22 juli 2019, nummer 22236/ZF/AYF, van de International Chamber of Commerce, gewezen tussen Etrak en de Staat Libië te erkennen;

II. gedaagden ieder hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen tot betaling aan Etrak van de hoofdsom, kosten en rente die in het Vonnis aan Etrak zijn toegewezen.

Het Gerecht heeft in conventie de vordering tot erkenning van het arbitrale vonnis afgewezen en zich voor het overige onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het geschil. In reconventie heeft het Gerecht de door Etrak ten laste van Lafico c.s. gelegde beslagen op de aandelen in Oilinvest (Holdings) N.V. opgeheven.

Het hoger beroep van Etrak richt zich tegen de afwijzing van haar vorderingen in conventie.

Het hoger beroep moet worden verworpen om meerdere redenen.

I. De arbitrale uitspraak komt niet voor erkenning in aanmerking

In de eerste plaats komt de arbitrale uitspraak waarop de vorderingen van Etrak zijn gebaseerd niet voor erkening in aanmerking, omdat de arbiters een verkeerde toepassing hebben gegeven aan de toepassingsbepalingen van de op 22 april 2011 in werking getreden investeringsovereenkomst tussen Libië en Turkije (BIT). Lafico c.s heeft zich hierop beroepen, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.

Het Hof sluit zich aan bij de overgelegde uitspraken van het Duitse Oberlandesgericht München van 4 oktober 2021 en het Bundesgerichtshof van 7 juli 2022 (producties 8-9 van Lafico c.s. in eerste aanleg voor pleidooi) en de uitspraak van de Franse Cour de Cassation van 9 oktober 2024 (producties 12-13 Lafico c.s. bij de tweede pleitnota in hoger beroep van 15 april 2025). Die uitspraken komen op het volgende neer. Voor zover het geschil rechtstreeks voortvloeit uit de bouwactiviteiten van Etrak in Libië, stuit toepasselijkheid van de BIT af op de temporele begrenzing van de BIT (de bouwactiviteiten hebben te lang geleden plaatsgehad). Voor zover het geschil voortvloeit uit de vaststellingsovereenkomst, stuit toepasselijkheid van de BIT af op de omstandigheid dat de vaststellingsovereenkomst niet kan worden aangemerkt als een investeringsactiviteit in de zin van de BIT.

II. Lafico c.s. zijn geen schuldenaar

In de tweede plaats, veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat de arbitrale uitspraak kan worden erkend, is Libië de schuldenaar en zijn Lafico c.s. dat niet. Lafico c.s. hebben eigen zelfstandige rechtspersoonlijkheden met afgescheiden vermogens die, naar zowel Libisch recht (zie de legal opinions van Tarek Eltumi, productie 1 CvA en productie 4 dupliek) als naar Curaçaos recht, te onderscheiden zijn van die van Libië.

De (gekwalificeerd) uitzonderlijke omstandigheden waaronder gedacht kan worden aan figuren als vereenzelviging (wegdenken van identiteitsverschil) – aangenomen dat het Libische recht dit kent – misbruik van [bevoegdheid en onrechtmatige daad verband houdende met gebruikmaking van verschillende rechtspersonen, doen zich in dit geval niet voor. Daarvoor is onvoldoende gesteld, laat staan bewezen, door Etrak. Dat bezittingen van Lafico c.s. zouden kunnen worden gebruikt om Libië’s schulden te betalen levert niet zonder meer een onrechtmatige daad van Lafico c.s. op. Kapitaalbijdragen van Libië hebben in het verre verleden plaatsgevonden en de aandelen Oilinvest hebben nooit toebehoord aan Libië. Onrechtmatige verhaalsfrustratie is betwist en niet bewezen, terwijl een (voldoende specifiek) aanbod om (getuigen)bewijs te leveren ontbreekt.

Het Hof verwijst naar wat het heeft overwogen over een gestelde vereenzelviging van PDVSA met Venezuela in rov. 3.23 van zijn vonnis van 18 december 2025, ECLI:NL:OGHACMB:2025:310, Huntington v. Isla (cassatieberoep ingesteld). Daarin is onder meer overwogen:

Ten eerste moet erop worden gelet dat als een staat naar het privaatrecht van die staat een rechtspersoon is, hij een rechtspersoon is met een eigen aard die afwijkt van de aard van andere rechtspersonen. Een staat wordt geacht het algemeen belang (op zijn grondgebied of van zijn onderdanen of van zijn ingezetenen) te dienen op een veelheid van verschillende aandachtsgebieden en hij begeeft zich daarbij in een veelheid van uiteenlopende activiteiten, waarbij een veelheid van uiteenlopende belangen betrokken is. Daarbij kan de staat zich bedienen van een veelheid van overheidsdiensten van uiteenlopende aard en ook van rechtspersonen zoals vennootschappen waarvan zij de aandelen houdt. Ook een groep vennootschappen (met al dan niet commerciële doelstellingen) kan activiteiten van uiteenlopende aard ontplooien, maar daarmee is de groep nog niet op één lijn te stellen met een (soevereine) staat. Verder komt het vaak voor dat een staat zich beschermt tegen verhaal op goederen die bestemd zijn voor de openbare dienst, en om goede redenen. Uitgangspunt is dat eigendommen van vreemde staten, behoudens uitzonderingen, niet vatbaar zijn voor beslag (HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2103, onder 3.2.3).

III. Immuniteit van executie

In de derde plaats, veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat de arbitrale uitspraak kan worden erkend (ad I) en dat Libië en Lafico c.s. kunnen worden gelijkgeschakeld (ad II), staat de immuniteit van executie aan toewijzing van Etraks vorderingen in de weg.

Artikel 15bis van de Algemene bepalingen der wetgeving van Curaçao bepaalt dat de rechtsmacht van de rechter en de uitvoerbaarheid van rechterlijke vonnissen en van authentieke akten worden beperkt door de uitzonderingen in het volkenrecht erkend. Die uitzonderingen kunnen zijn voorzien in een verdrag of in ongeschreven internationaal publiekrecht.

Ter zake van immuniteit van staten komen twee verdragen in zicht. In de eerste plaats de Europese Overeenkomst inzake de immuniteit van Staten, Bazel, 16 mei 1972. Dit verdrag heeft gelding in Nederland en op de BES-eilanden, maar niet in Curaçao. Het is gebaseerd op reciprociteit. Dit verdrag komt niet voor toepassing in aanmerking.

In de tweede plaats het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de immuniteit van rechtsmacht van staten en hun eigendommen, New York, 2 december 2004. Dit verdrag is bij Rijkswet van 2 oktober 2024, Staatsblad 2024, 289 goedgekeurd voor het gehele Koninkrijk. Daarbij is het volgende voorbehoud gemaakt:

Het Koninkrijk der Nederlanden aanvaardt de bepalingen van artikel 18 van het Verdrag met het voorbehoud dat de voorwaarden vervat in artikel 19, onderdeel c, van het Verdrag betreffende executiemaatregelen ook van toepassing zijn op conservatoire maatregelen tegen eigendommen van een staat. Conservatoire maatregelen mogen worden getroffen wanneer vastgesteld is dat de eigendommen in het bijzonder worden gebruikt of beoogd zijn voor gebruik door de Staat voor andere dan niet-commerciële overheidsdoeleinden en die zich bevinden op het grondgebied van de Staat van het forum, met dien verstande dat conservatoire maatregelen uitsluitend mogen worden getroffen tegen eigendommen die verband houden met de entiteit waartegen het geschil zich richtte.

In de Nota naar aanleiding van het verslag d.d. 29 september 2022 (Kamerstukken 36 027 (R2160), nr. 6 onder Algemeen, punt 4) is vermeld:

De regeringen van Aruba, Curaçao en Sint Maarten hebben aangegeven medegelding te wensen.

Het verdrag treedt pas in werking wanneer 30 Staten een akte van ratificatie, aanvaarding, goedkeuring of toetreding hebben gedeponeerd (artikel 30 lid 1 van het verdrag). Zover is het nog niet. Thans zijn er 25 ratificaties e.d.

Artikel 19 aanhef en onderdeel c van het verdrag valt echter, gelet op de rechtspraak van de Hoge Raad (onder andere het hierna geciteerde arrest-Samruk), aan te merken als een regel van internationaal gewoonterecht dat in Curaçao gelding heeft, voor zover het bepaalt dat immuniteit van executie bestaat ‘tenzij en voor zover (…) vastgesteld is dat de eigendommen in het bijzonder worden gebruikt of beoogd zijn voor gebruik door de staat voor andere dan niet-commerciële overheidsdoeleinden.’

Deel IV van dit verdrag luidt:

PART IV. STATE IMMUNITY FROM MEASURES OF CONSTRAINT IN CONNECTION WITH PROCEEDINGS BEFORE A COURT

Article 18. State immunity from pre-judgment measures of constraint

No pre-judgment measures of constraint, such as attachment or arrest, against property of a State may be taken in connection with a proceeding before a court of another State unless and except to the extent that:

a) the State has expressly consented to the taking of such measures as indicated:

(i) by international agreement;

(ii) by an arbitration agreement or in a written contract; or

(iii) by a declaration before the court or by a written communication after a dispute between the parties has arisen; or

b) the State has allocated or earmarked property for the satisfaction of the claim which is the object of that proceeding.

Article 19. State immunity from post-judgment measures of constraint

No post-judgment measures of constraint, such as attachment, arrest or execution, against property of a State may be taken in connection with a proceeding before a court of another State unless and except to the extent that:

a) the State has expressly consented to the taking of such measures as indicated:

(i) by international agreement;

(ii) by an arbitration agreement or in a written contract; or

(iii) by a declaration before the court or by a written communication after a dispute between the parties has arisen; or

b) the State has allocated or earmarked property for the satisfaction of the claim which is the object of that proceeding; or

c) it has been established that the property is specifically in use or intended for use by the State for other than government non-commercial purposes and is in the territory of the State of the forum, provided that postjudgment measures of constraint may only be taken against property that has a connection with the entity against which the proceeding was directed.

Article 20. Effect of consent to jurisdiction to measures of constraint

Where consent to the measures of constraint is required under articles 18 and 19, consent to the exercise of jurisdiction under article 7 shall not imply consent to the taking of measures of constraint.

Article 21. Specific categories of property

1. The following categories, in particular, of property of a State shall not be considered as property specifically in use or intended for use by the State for other than government non-commercial purposes under article 19, subparagraph (c):

a) property, including any bank account, which is used or intended for use in the performance of the functions of the diplomatic mission of the State or its consular posts, special missions, missions to international organizations or delegations to organs of international organizations or to international conferences;

b) property of a military character or used or intended for use in the performance of military functions;

c) property of the central bank or other monetary authority of the State;

d) property forming part of the cultural heritage of the State or part of its archives and not placed or intended to be placed on sale;

e) property forming part of an exhibition of objects of scientific, cultural or historical interest and not placed or intended to be placed on sale.

2. Paragraph 1 is without prejudice to article 18 and article 19, subparagraphs (a) and (b).

(…)

Article 25. Annex

The annex to the present Convention forms an integral part of the Convention.

(…)

Annex to the Convention

Understandings with respect to certain provisions of the Convention

The present annex is for the purpose of setting out understandings relating to the provisions concerned.

(…)

With respect to article 19

The expression “entity” in subparagraph (c) means the State as an independent legal personality, a constituent unit of a federal State, a subdivision of a State, an agency or instrumentality of a State or other entity, which enjoys independent legal personality.

The words “property that has a connection with the entity” in subparagraph (c) are to be understood as broader than ownership or possession.

Article 19 does not prejudge the question of “piercing the corporate veil”, questions relating to a situation where a State entity has deliberately misrepresented its financial position or subsequently reduced its assets to avoid satisfying a claim, or other related issues.

Met als Nederlandse vertaling:

DEEL IV. IMMUNITEIT VAN STATEN VAN DWANGMAATREGELEN IN VERBAND MET GEDINGEN VOOR DE RECHTER

Artikel 18. Immuniteit van staten van conservatoire maatregelen

Tegen eigendommen van een staat mogen geen conservatoire maatregelen worden getroffen, zoals beslag of zekerheidsstelling in verband met een geding voor een rechter van een andere staat, tenzij en voor zover:

a. de staat uitdrukkelijk heeft ingestemd met het nemen van maatregelen als vermeld:

i. in een internationale overeenkomst;

ii. in een arbitrageovereenkomst of in een schriftelijke overeenkomst; of

iii. in een verklaring voor de rechter of een schriftelijke mededeling na het ontstaan van een geschil tussen de partijen; of

b. de staat eigendommen heeft aangewezen of gereserveerd ter voldoening van de vordering die onderwerp is van dat geding.

Artikel 19. Immuniteit van staten van executiemaatregelen

Tegen eigendommen van een staat mogen geen executiemaatregelen worden getroffen zoals beslag, zekerheidsstelling of executie in verband met een geding voor een rechter van een andere staat, tenzij en voor zover:

a. de staat uitdrukkelijk heeft ingestemd met het nemen van maatregelen als vermeld:

i. in een internationale overeenkomst;

ii. in een arbitrageovereenkomst of in een schriftelijke overeenkomst; of

iii. in een verklaring voor de rechter of een schriftelijke mededeling na het ontstaan van een geschil tussen partijen; of

b. de staat eigendommen heeft aangewezen of gereserveerd ter voldoening van de vordering die onderwerp is van dat geding; of

c. vastgesteld is dat de eigendommen in het bijzonder worden gebruikt of beoogd zijn voor gebruik door de staat voor andere dan niet-commerciële overheidsdoeleinden en zich bevinden op het grondgebied van de staat van het forum, met dien verstande dat executiemaatregelen uitsluitend mogen worden getroffen tegen eigendommen die verband houden met de entiteit waartegen het geding zich richtte.

Artikel 20. Gevolgen van instemming met rechtsmacht ter zake van dwangmaatregelen

Voor zover instemming met de dwangmaatregelen uit hoofde van de artikelen 18 en 19 vereist is, behelst instemming met de uitoefening van rechtsmacht uit hoofde van artikel 7 geen instemming met het nemen van dwangmaatregelen.

Artikel 21. Specifieke categorieën van eigendommen

1. Met name de volgende categorieën van eigendommen van een staat worden niet aangemerkt als eigendommen die in het bijzonder worden gebruikt of beoogd zijn voor gebruik door de staat voor andere dan niet-commerciële overheidsdoeleinden uit hoofde van artikel 19, onderdeel c:

a. eigendommen, met inbegrip van banktegoeden, die worden gebruikt of beoogd zijn voor gebruik bij de uitoefening van de taken van diplomatieke vertegenwoordigingen van de staat of zijn consulaire posten, speciale missies, vertegenwoordigingen bij internationale organisaties of delegaties bij organen van internationale organisaties of bij internationale conferenties;

b. eigendommen met een militair karakter die worden gebruikt of beoogd zijn voor de uitoefening van militaire taken;

c. eigendommen van de centrale bank of een andere monetaire autoriteit van de staat;

d. eigendommen die deel uitmaken van het cultureel erfgoed van de staat of van zijn archieven en die niet te koop worden aangeboden of beoogd zijn om te koop te worden aangeboden;

e. eigendommen die deel uitmaken van een tentoonstelling van objecten van wetenschappelijk, cultureel of historisch belang en die niet te koop worden aangeboden of beoogd zijn om te koop te worden aangeboden.

2. Het eerste lid laat artikel 18 en artikel 19, onderdelen a en b, onverlet.

(…)

Artikel 25. Bijlage

De aan dit Verdrag gehechte Bijlage is een integrerend onderdeel van het Verdrag.

(…)

Bijlage bij het Verdrag

Regelingen ter zake van enkele bepalingen van het Verdrag

In deze Bijlage zijn de regelingen voor de desbetreffende bepalingen vervat.

(…)

Wat artikel 19 betreft

De uitdrukking „entiteit” in onderdeel c heeft betrekking op de staat als een onafhankelijke rechtspersoon, een onderdeel van een federale staat, een staatkundig onderdeel, een agentschap of instantie van een staat of een andere onafhankelijke eenheid met rechtspersoonlijkheid.

De woorden „eigendommen die verband houden met de entiteit” in onderdeel c dienen ruimer te worden opgevat dan als eigendom of bezit.

Artikel 19 laat onverlet de kwestie van „piercing the corporate veil” (doorbraak van aansprakelijkheid), vragen betreffende een situatie waarbij een entiteit van een staat opzettelijk onjuiste inlichtingen heeft verstrekt over haar financiële situatie of haar vermogensbestanddelen heeft verminderd teneinde te voorkomen dat vorderingen worden voldaan, of andere kwesties op dit gebied.

Het Gerecht heeft aangenomen dat de beslagen aandelen ‘property’ vormen van Libië in de zin van artikel 18 en 19 VN-verdrag. Het Gerecht overwoog (rov. 4.6):

Ter beoordeling van dit beroep op immuniteit moet allereerst worden onderzocht of de beslagen aandelen moeten worden aangemerkt als 'property' ('eigendommen') van de staat Libië in de zin van artikel 19, onderdeel c, van de Convention on Jurisdictional Immunities of States and their Property, verder het VN-Verdrag, dat op dit punt valt aan te merken als een regel van internationaal gewoonterecht. (HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2103). Daarbij is beslissend of Libië de controle in de zin van zeggenschap uitoefent over de in beslag genomen aandelen. (verg. Hof Den Haag 22 juni 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:977 (cassatieberoep verworpen: HR 22 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1281)

Tegen dit oordeel is geen grief gericht en het Hof heeft ambtshalve oordelend geen bedenkingen daartegen.

Het Gerecht heeft terecht aansluiting gezocht bij HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2103, Kazachstan v. Samruk (gevolgd door HR 22 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1281). Daarin is overwogen:

3.2.2

(…)

Met betrekking tot oordeel (ii) doen de onderdelen een beroep op de stellingen van Samruk en Kazachstan dat Samruk een van staatswege opgezette rechtspersoon is, een zogeheten ‘Sovereign Wealth Fund’, die ten doel heeft de nationale welvaart van Kazachstan te vergroten, dat de opbrengst van haar investeringen dus daarvoor is bestemd, en dat dit ook geldt voor de opbrengsten die zij heeft uit de aandelen in KMGK, die een staatsdeelneming is die zich bezighoudt met de ontwikkeling, het bestuur en de exploitatie van olievelden gelegen in Kazachstans territoriale wateren van de Kaspische Zee. Volgens de onderdelen volgt uit deze stellingen dat de aandelen een publieke bestemming hebben.

3.2.3

Het is in overeenstemming met de – op het respecteren van de soevereiniteit van vreemde staten gerichte – strekking van de immuniteit van executie om tot uitgangspunt te nemen dat eigendommen van vreemde staten niet vatbaar zijn voor beslag en executie tenzij en voor zover is vastgesteld dat deze een bestemming hebben die daarmee niet onverenigbaar is. Dit strookt met art. 19, onderdeel c, VN-Verdrag, dat op dit punt valt aan te merken als een regel van internationaal gewoonterecht. Het past voorts bij deze strekking van de immuniteit van executie dat vreemde staten niet gehouden zijn om gegevens aan te dragen waaruit volgt dat hun eigendommen een bestemming hebben die zich tegen beslag en executie verzet.

Met het hiervoor overwogene strookt dat de stelplicht en bewijslast met betrekking tot de vatbaarheid voor beslag en executie rusten op de schuldeiser die beslag legt of wil leggen op goederen van de vreemde staat en dat, ook indien de vreemde staat in rechte verstek laat gaan, steeds vastgesteld moet worden dat de desbetreffende goederen vatbaar zijn voor beslag. De schuldeiser zal derhalve steeds gegevens moeten aandragen aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat de goederen door de vreemde staat worden gebruikt of zijn bestemd voor, kort gezegd, andere dan publieke doeleinden.[noot 3: HR 30 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2236 (MSI/Gabon en Staat), rov. 3.5.2-3.5.3.]

3.2.4

De door het hof gehanteerde eis dat bepalend is of de onmiddellijke bestemming van de beslagen goederen een andere dan een publieke bestemming is, stemt niet overeen met de hiervoor in 3.2.3 weergegeven regels en geeft derhalve blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Die regels komen erop neer dat op grond van het volkenrecht voor goederen van een vreemde staat een presumptie van immuniteit van executie geldt, die alleen wijkt indien is vastgesteld dat de desbetreffende goederen door de vreemde staat worden gebruikt of zijn beoogd voor andere dan publieke doeleinden, en dat het op de weg ligt van de partij die zich beroept op een uitzondering op de immuniteit van executie, om gegevens aan te dragen aan de hand waarvan dat kan worden vastgesteld.[noot 4: Vgl. HR 30 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2236 (MSI/Gabon en Staat), rov. 3.5.5 en rov. 3.3.] Uit deze regels volgt dat immuniteit van executie niet is beperkt tot goederen waarvan de onmiddellijke bestemming een publieke is.

3.2.5

Voorts geeft het oordeel van het hof dat de bestemming van de door Samruk gehouden aandelen in KMGK een andere is dan een publieke bestemming, blijk van een onjuiste rechtsopvatting dan wel is dat oordeel ontoereikend gemotiveerd. In het licht van de omstandigheden die door Samruk en Kazachstan zijn aangevoerd bij de hiervoor in 3.2.2 genoemde stellingen – welke stellingen deels vaststaan (zie hiervoor in 2.1 onder (ii)) en deels door het hof niet zijn verworpen en waarvan de juistheid in cassatie dus uitgangspunt moet zijn – is zonder nadere motivering niet duidelijk waarom als vaststaand kan worden aangenomen dat de door Samruk gehouden aandelen in KMGK een andere bestemming hebben dan een publieke bestemming. Dat de opbrengsten uit de aandelen in KMGK bestemd zijn de nationale welvaart van Kazachstan te vergroten, wijst immers in beginsel erop dat deze een publieke bestemming hebben.[noot 5: Vgl. HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1387 (Azeta/JCR en Staat), rov. 3.5.]

Uitgangspunt is dat goederen van een vreemde staat niet voor uitwinning vatbaar zijn, dat het op de weg van Etrak ligt om aannemelijk te maken dat de (opbrengst van de) in beslag genomen aandelen een andere dan een publieke bestemming hebben en om daartoe voldoende gegevens aan te dragen. Etrak heeft dit onvoldoende gedaan. Het Hof acht de stellingen van Etrak onvoldoende om te oordelen dat de aandelen een andere dan een publieke bestemming hebben. Van aandelen kan niet gemakkelijk worden aangenomen dat zij uit de aard der zaak een commerciële bestemming hebben. Dat de onderneming Oilinvest niet een publieke taak heeft en dat de activiteiten van Oilinvest commercieel van aard zijn, maken niet dat de aandelen in Oilinvest een andere dan een publieke bestemming hebben. Daarvoor is meer nodig. Een staat kan het tot zijn publieke taak rekenen om toegang tot energie veilig te stellen.

Ertrak heeft aangevoerd dat (MvG onder 5.9):

a. de statutaire doelomschrijving van Oilinvest niet verwijst naar enige publieke taak (en, meer specifiek. niet naar enig belang van de Libische staat);

b. Oilinvest haar concern zelf omschrijft als commerciele onderneming;

c. die onderneming buiten Libië actief is;

d. de activiteiten naar Libisch recht kwalificeren als "commercia1”;

e. de activiteiten bewust zijn ondergebracht in een privaatrechtelijke structuur omdat Libië zeif geen commerciele activiteiten wil ontplooien (en die zuiver commerciele activiteiten dus bewust overlaat aan partijen als Lafico c.s.);

f. de aandelen Oilinvest geen onlosmakelijke band hebben met de Libische staat, getuige de overdrachten die in het verleden hebben plaatsgevonden;

g. de beschikbare cijfers (vanaf) 2012 en laten zien dat het laatste decennium geen dividend is uitgekeerd dat naar Libië zou kunnen zijn gevloeid; en

h. Oilinvest blijkens haar derdenverklaring in 2020 ook anderszins geen enkele betalingsverplichting jegens Libië had.

Geen van deze argumenten, ook niet gezamenlijk en in onderling verband, is doorslaggevend. De vraag is niet of Oilinvest een publieke taak heeft, maar of de opbrengsten van de aandelen in Oilinvest een niet-publieke bestemming hebben; ook aandelen in een vennootschap die commerciële activiteiten ontplooit kunnen immuniteit van executie genieten (ad a). De commerciële aard van de activiteiten van Oilinvest c.s. en de plaats van die activiteiten buiten Libië werpen onvoldoende licht op de bestemming van de (opbrengst van) de aandelen (ad b-d). De (bewust gekozen) privaatrechtelijke structuur van Lafico c.s. maakt niet dat de aandelen een commerciële bestemming hebben (ad e). Een onlosmakelijke band van de vreemde staat met het beoogde beslagobject is geen vereiste voor immuniteit van executie en overigens staat niet vast dat de aandelen in het verleden vervreemd zijn geweest (ad f). Dat Oilinvest al geruime tijd geen dividend heeft uitgekeerd en ook anderszins geen enkele betalingsverplichting jegens Libië had, hetgeen als argument beide kanten kan opwijzen, maakt het voorgaande niet anders (ad g-h).

IV. ‘Eigendommen die verband houden met de entiteit waartegen het geding zich richtte.’

Het Hof laat in het midden of, in de vierde plaats, veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat de arbitrale uitspraak kan worden erkend (ad I), dat Libië en Lafico c.s. kunnen worden gelijkgeschakeld (ad II) en dat de beslagen aandelen Oilinvest een andere dan publieke bestemming hebben (ad III), het in artikel 19 onder c aan het slot van het VN- verdrag voorgeschreven verband van de beslagen aandelen Oilinvest met Libië aanwezig is.

Het verdrag heeft nog geen medegelding voor Curaçao en het Hof heeft onvoldoende zekerheid, ook al is in de Rijkswet tot goedkeuring geen voorbehoud gemaakt ter zake van het slot van artikel 19 onder c van het verdrag, dat hetgeen in deze bepaling is neergelegd valt aan te merken als een regel van internationaal gewoonterecht die in Curaçao gelding heeft.

Uitkomst

De uitkomst is dat het hoger beroep moet worden verworpen. Op grond van het voorgaande kunnen de vorderingen van Etrak hoe dan ook niet worden toegewezen. Gelet hierop heeft Etrak geen belang bij beoordeling van haar grief tegen de gedeeltelijke onbevoegdverklaring door het Gerecht. Andersom hebben Libië en Lafico c.s. er geen belang bij dat het Hof de juistheid van de gedeeltelijke bevoegdverklaring door het Gerecht onderzoekt. De omstandigheid dat de vorderingen hoe dan ook niet kunnen worden toegewezen, brengt ook mee dat de openbare orde in dit geval niet vereist dat het Hof de rechtsmacht van de Curaçaose rechter aan een onderzoek onderwerpt.

Etrak dient de kosten van het hoger beroep te dragen.

3. Beslissing

Het Hof verwerpt het hoger beroep en veroordeelt, uitvoerbaar bij voorraad, Etrak in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van Libië en Lafico c.s. gevallen en tot op heden begroot voor Libië op nihil en voor Lafico c.s. op Cg 27.000,-- aan gemachtigdensalaris en Cg 413,49 aan verschotten.

Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, C.G. ter Veer en J. de Boer, leden van het Hof en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 april 2026 in Curaçao, in tegenwoordigheid van de griffier.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand