ECLI:NL:OGHACMB:2026:99

ECLI:NL:OGHACMB:2026:99

Instantie Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak 31-03-2026
Datum publicatie 26-05-2026
Zaaknummer AUA2024H00377
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Aruba; verdeling nalatenschap. Gezag van gewijsde jegens alle deelgenoten (HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:411).

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2026

Registratienummers: AUA201703125 – AUA2024H00377

Uitspraak: 31 maart 2026

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak van:

[appellante],

wonende in [woonplaats],

appellante,

in eerste aanleg gedaagde,

hierna ook te noemen: [appellante],

gemachtigde: mr. M.B. Boyce,

tegen

1. [geïntimeerde 1],domicilie gekozen in [land],

geïntimeerde,

in eerste aanleg eiser,

hierna ook te noemen: [geïntimeerde 1],

gemachtigde: mr. P.G. Dowers-Alders,

2. [geïntimeerde 2],

wonende in [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg gedaagde,

hierna ook te noemen [geïntimeerde 2],

gemachtigde: mr. J.M. de Cuba.

1. Samenvatting

Deze zaak betreft de afwikkeling van een nalatenschap. De erflater is in 2016 overleden na het opmaken van een testament. Zijn jongste zoon [geïntimeerde1] heeft bij het Gerecht een procedure aangespannen tegen zijn zus [appellante] en zijn broer [geïntimeerde 2] en heeft verzocht om afgifte van een aan hem in het testament verstrekt legaat, het opmaken van een boedelbeschrijving en verdeling van de nalatenschap. Nadat een deskundige een boedelbeschrijving heeft opgemaakt heeft het Gerecht de wijze van verdeling van de nalatenschap vastgesteld. [Appellante] komt daartegen op en het Hof beoordeelt de zaak opnieuw.

2. Het verloop van de procedure in hoger beroep

Bij op 27 september 2024 ingekomen akte van appel is [appellante] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 21 augustus 2024 uitgesproken vonnis (hierna: het bestreden vonnis) van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht).

Het door [geïntimeerde 2] ook tegen dit bestreden vonnis ingestelde hoger beroep (AUA2024H00379) is door hem ingetrokken.

Bij op 30 oktober 2024 ingekomen memorie van grieven (met producties), heeft [appellante] vijf grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en de nalatenschap op de door haar voorgestelde wijze zal verdelen, kosten rechtens.

Bij memorie van antwoord (met een productie), heeft [geïntimeerde 1] de grieven bestreden. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten in hoger beroep, met rente.

Bij memorie van antwoord, tevens voorwaardelijk incidenteel hoger beroep (met producties) heeft [geïntimeerde 2] de grieven bestreden. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen, met veroordeling van [appellante] – uitvoerbaar bij voorraad – in de proceskosten. In incidenteel beroep (voorwaardelijk voor zover het principaal hoger beroep opgaat, zo begrijpt het Hof) vordert [geïntimeerde 2] vernietiging van het bestreden vonnis, voor zover aan [appellante] een overbedelingsvordering is toegekend van Afl. 979.905 en deze vordering vast te stellen op Afl. 737.791,50, met kosten.

[Appellante] heeft een memorie van antwoord in het incidenteel appel ingediend en heeft geconcludeerd tot verwerping van het incidentele hoger beroep, met een kostenveroordeling.

Bij vonnis van 19 augustus 2025 (AUA2025H00178) heeft dit Hof een door [appellante] ingesteld verzoek afgewezen tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis.

Bij mailbericht van 9 februari 2026 heeft de gemachtigde van [appellante] (met kopie aan de gemachtigde van [geïntimeerde 1]) aan het Hof meegedeeld dat [appellante] haar hoger beroep tegen het bestreden vonnis intrekt, voor zover dat gericht was tegen [geïntimeerde 1].

Op 10 februari 2026 heeft mondeling pleidooi plaatsgevonden in het Gerechtsgebouw in Aruba. Aanwezig waren [appellante] en [geïntimeerde 2] en hun gemachtigden,die allebei pleitnotities hebben gehanteerd. Voorafgaand aan de zitting heeft de gemachtigde van [appellante] de producties 1 tot en met 18 overgelegd. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van [geïntimeerde 2] stukken overgelegd betreffende een krediet door de Arubabank verstrekt aan [geïntimeerde 2].

Vonnis is gevraagd en bepaald op vandaag. Tegelijk met dit vonnis wordt ook een vonnis uitgesproken (AUA2026H00011) op een door [appellante] ingesteld verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een tussen deze zelfde partijen uitgesproken vonnis in kort geding van het Gerecht van 17 december 2025.

3. De feiten

De erflater [erflater] was getrouwd met [echtgenote van erflater] en had samen met haar twee kinderen, [geïntimeerde 2] en [appellante]. Daarna heeft hij uit een tweede relatie een zoon gekregen, [geïntimeerde 1]. In een testament van 27 juni 2006 heeft hij beschikt over zijn nalatenschap en op [overlijdensdatum] 2016 is hij overleden.

Tot de nalatenschap behoort een onroerende zaak ([de onroerende zaak] in [land], hierna: de onroerende zaak of het perceel). Dit betreft een perceel grond aan zee waar erflater met zijn gezin woonde. Op een plattegrond (overgelegd als bijlage bij het nader te noemen deskundigenrapport) is te zien dat zich op het perceel een aantal gebouwen bevinden, waaronder een drietal appartementen waarin [appellante] woont met haar gezin en een woning waarin [geïntimeerde 2] woont (op de begane grond), waarvan de bovenwoning door hem verhuurd wordt. Daarnaast bevinden zich op dit perceel een aantal vakantieappartementen, die in ieder geval sinds het overlijden van erflater door [geïntimeerde 2] worden geëxploiteerd door middel van een eenmanszaak ([de eenmanszaak], hierna: de eenmanszaak).

Tot de nalatenschap behoort ook de onderneming [de spa] (hierna: de spa), die gevestigd is bij een hotel in Aruba. In ieder geval sinds het overlijden van erflater exploiteert [appellante] de spa.

In een rapport van 2 mei 2023 opgesteld door A.G. Croes (hierna: het deskundigenrapport) heeft de deskundige bericht over de omvang van de nalatenschap per 31 december 2015 en heeft hij de verschillende vermogensbestanddelen per die datum gewaardeerd, behalve de onroerende zaak. Die is gewaardeerd op basis van een taxatierapport van 27 januari 2017 tegen die datum.

Op 11 mei 2023 hebben [appellante] en [geïntimeerde 1] een vaststellingsovereenkomst gesloten met als inhoud dat [appellante] [geïntimeerde 1] heeft uitgekocht door hem Afl. 871.026,27 te betalen.

4. De procedure bij het Gerecht

[geïntimeerde 1] heeft gevorderd (samengevat en voor zover in hoger beroep van belang) scheiding en deling van de nalatenschap en uitbetaling van zijn deel.

In een aantal tussenvonnissen heeft het Gerecht onder meer het testament uitgelegd, twee comparities gelast en een deskundigenonderzoek bevolen. In het bestreden eindvonnis heeft het Gerecht de (wijze van) verdeling vastgesteld (in r.ov 2.38). Het Gerecht heeft bepaald dat de nalatenschap van erflater op die wijze moet worden verdeeld met als uitkomst dat [geïntimeerde 2] aan [appellante] Afl. 923.623 moet betalen wegens overbedeling.

5. De beoordeling

vorderingen in hoger beroep

Zoals hiervoor in 2.2 overwogen had [geïntimeerde 2] ook hoger beroep ingesteld tegen het bestreden vonnis, maar hij heeft dat hoger beroep ingetrokken. Zoals hiervoor in 2.8 overwogen heeft [appellante] haar hoger beroep tegen het bestreden vonnis ingetrokken, voor zover dat gericht was tegen [geïntimeerde 1].

gezag van gewijsde jegens alle deelgenoten

De verdeling van een nalatenschap betreft een processueel ondeelbare rechtsverhouding (een rechtsverhouding waarbij het noodzakelijk is dat een beslissing daarover hetzelfde is ten aanzien van alle bij die rechtsverhouding betrokkenen). Dat betekent dat de beslissing tot verdeling in beginsel alleen gegeven kan worden in een procedure waarbij alle bij die rechtsverhouding betrokkenen partij zijn, zodat de beslissing jegens alle betrokkenen gezag van gewijsde heeft (HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:411). In dit geval is dat gewaarborgd, doordat [geïntimeerde 1] ook in hoger beroep bij de procedure is betrokken. Bij memorie van antwoord (genomen voordat de vordering in hoger beroep tegen hem werd ingetrokken) heeft [geïntimeerde 1] geconcludeerd tot bevestiging van het bestreden vonnis. Tegen de beslissingen die [geïntimeerde 1] rechtstreeks raken zijn bovendien geen grieven gericht, nu zowel [appellante] als [geïntimeerde 2] de vaststellingsovereenkomst aanvaarden als gegeven. De positie van [geïntimeerde 1] verandert dus niet door deze uitspraak in hoger beroep.

incidenteel hoger beroep ingetrokken

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van [geïntimeerde 2] het door hem (voorwaardelijk) ingestelde incidentele beroep ingetrokken. Dat betekent dat alleen het door [appellante] ingestelde (principale) beroep nog ter beoordeling voorligt.

wat ligt voor in principaal hoger beroep

De bezwaren van [appellante] tegen het bestreden vonnis spitsen zich toe op de volgende punten:

( i) de onroerende zaak moet niet aan [geïntimeerde 2] maar aan haar worden toebedeeld en niet tegen de waarde waarvoor de zaak nu aan [geïntimeerde 2] is toegedeeld.

(ii) een bankrekening op naam van de erflater is niet meegenomen in de verdeling van de nalatenschap.

(i) toedeling van de onroerende zaak

[appellante] heeft zich verzet tegen de toedeling van de onroerende zaak aan [geïntimeerde 2]. Zij heeft haar hele leven op deze plek gewoond, in tegenstelling tot [geïntimeerde 2] die van 2009 tot 2015 elders verbleef. [appellante] woont nu nog steeds op het perceel met haar vier kinderen, die daar allemaal zijn geboren en gehecht zijn aan de plek. [geïntimeerde 2] verdient onvoldoende met de eenmanszaak om de overbedelingsvordering aan haar te voldoen. Hij heeft niet onderbouwd dat hij dit kan financieren, [appellante] kan een overbedelingsbedrag aan [geïntimeerde 2] wel financieren. [geïntimeerde 2] heeft zich pas na het overlijden van erflater met de exploitatie van de eenmanszaak bemoeid; daarvoor deed de erflater dat. Er is geen enkele reden (ook niet de redelijkheid en billijkheid) om [geïntimeerde 2] voor Afl. 980.412,50 “te laten wegkomen” met de onroerende zaak. De verdeling pakt onevenwichtig uit omdat de aandelen van de spa die aan [appellante] zijn toebedeeld niet waardevast zijn, in tegenstelling tot de onroerende zaak, aldus [appellante].

Het Hof is bij een verdeling van een bijzondere gemeenschap (als deze nalatenschap) niet gebonden aan voorstellen van partijen of aan wat zij gevorderd hebben, maar dient de verdeling vast te stellen, rekening houdend naar billijkheid zowel met de belangen van iedere partij als met het algemene belang (artikel 3:185 lid 1 BW).

Het grootste twistpunt tussen partijen is aan wie de onroerende zaak moet worden toegedeeld. Het Hof heeft ter zitting aan de hand van een plattegrond van het perceel met partijen besproken of een Salomonsoordeel een optie zou zijn, dat wil zeggen splitsing van het perceel en de daarop gelegen gebouwen, zodat [appellante] en [geïntimeerde 2] allebei op het perceel zouden kunnen blijven wonen. Een splitsing inclusief scheidingsmuur in het midden van het perceel stuit volgens de verklaringen van partijen echter op praktische bezwaren. Het perceel is smal, zodat een scheidingsmuur al gauw in de weg staat. Het strand dat grenst aan het perceel is publieke grond en mag niet afgeschermd of gedeeld worden door middel van een muur. De exploitatie van de appartementen zou voorts mogelijk worden bemoeilijkt door het plaatsen van een scheidingsmuur. Daarnaast heeft het Hof ter zitting geconstateerd dat de verhoudingen tussen broer en zus gespannen zijn. Volgens hun verklaringen hebben zij nu over en weer last van elkaar omdat zij allebei op het perceel wonen. Dit alles maakt dat het Hof een splitsing van het perceel geen goede oplossing vindt. Het perceel onverdeeld laten zodat beide partijen daar zouden kunnen blijven wonen is dat ook niet. Partijen stemmen daar ook niet (allebei) mee in.

Dat betekent dat de onroerende zaak ofwel aan [appellante] ofwel aan [geïntimeerde 2] moet worden toegedeeld (of aan een derde moet worden verkocht, waarna de opbrengst kan worden verdeeld; maar niemand stelt dit voor). Bij die beslissing en de beslissing over de rest van de verdeling neemt het Hof het volgende als uitgangspunt. De omvang van de nalatenschap is door de deskundige bepaald (weergegeven in 2.6 van het bestreden vonnis) en daartegen zijn geen grieven gericht (behalve ten aanzien van een bankrekening, waarover het Hof hierna beslist). De deskundige heeft alle boedelbestanddelen gewaardeerd tegen 31 december 2015 (dichtbij de sterfdatum), behalve de onroerende zaak, die is gewaardeerd op de datum van de taxatie (27 januari 2017). Tegen deze peildata zijn geen grieven gericht, zodat het Hof ook daarvan uitgaat.

De hoofdregel bij een verdeling is weliswaar waardering op het moment van de feitelijke verdeling (dat wil zeggen ten tijde van de uitspraak van het Hof), maar uit de eisen van redelijkheid en billijkheid kan voortvloeien dat hiervan wordt afgeweken en dat is hier het geval. Tot de nalatenschap behoren twee ondernemingen die sinds het overlijden van erflater in 2016 respectievelijk zijn geëxploiteerd door [appellante] (de spa) en door [geïntimeerde 2] (de eenmanszaak), zonder inmenging door de ander. Kennelijk waren partijen het in 2016 daarover eens en die situatie is nu al 10 jaar zo. De complicaties van het waarderen van deze ondernemingen per heden zijn door het Gerecht in 2.17 op een rijtje gezet en ook het Hof acht waardering per sterfdatum van de erflater en (onroerend goed) per datum taxatie daarom verreweg het meest praktisch.

Toedeling van de spa aan [appellante] en de eenmanszaak aan [geïntimeerde 2] sluit aan bij de feitelijk ontstane situatie, voorkomt verdere discussie over de exploitatieresultaten van beide ondernemingen sinds het overlijden van de erflater en laat de winsten en verliezen van die exploitatie (inclusief genomen ondernemingsrisico’s) bij de partij die daar al 10 jaar mee bezig is. [appellante] heeft in dit kader nog gewezen op een brief van 7 juli 2021 (productie 5 in hoger beroep), ondertekend door alle drie erfgenamen en gericht aan de Kamer van Koophandel. Uit die brief kan echter alleen worden afgeleid dat alle drie erfgenamen het erover eens waren dat [geïntimeerde 2] de eenmanszaak zou voortzetten. Ook al zou zijn afgesproken dat hij daarvoor een beheervergoeding zou ontvangen, dan nog betekent dit enkele feit niet dat toedeling van de eenmanszaak tegen de waarde op het moment van overlijden van de erflater onbillijk is. Om dat te beoordelen moet immers de verdeling van de hele nalatenschap worden beschouwd, inclusief de toedeling van de spa aan [appellante], ook tegen de waarde op de sterfdatum van de erflater.

De toedeling van de spa aan [appellante] en de eenmanszaak aan [geïntimeerde 2] geeft bovendien ieder van partijen een bron van inkomsten en is daarom ook het meest billijk. De toedeling die [appellante] ter zitting in hoger beroep voorstelde (toedeling aan haar van zowel de onroerende zaak inclusief eenmanszaak als de spa) is dat niet, omdat dit [geïntimeerde 2] van zijn enige inkomstenbron berooft. Ook gelet op het geheel van de nalatenschap zou dat een onevenwichtige verdeling zijn.

Toedeling van de eenmanszaak aan [geïntimeerde 2] impliceert toedeling van de onroerende zaak aan hem, aangezien de appartementen daar nu eenmaal gelegen zijn. Zijn belang bij het behoud van zijn eenmanszaak en zijn woning weegt zwaarder dan het belang van [appellante] om te blijven wonen op het perceel. Daarbij onderkent het Hof dat verhuizing voor [appellante] en haar gezin ingrijpend zal zijn omdat zij daar al zo lang wonen. [appellante] kan echter over de inkomsten uit de spa beschikken om andere woonruimte te bekostigen. [geïntimeerde 2] heeft gesteld (wat door [appellante] niet dan wel onvoldoende is betwist) dat die inkomsten daarvoor ruimschoots voldoende zijn en dat [appellante] inmiddels twee percelen bouwgrond op haar naam heeft staan.

[geïntimeerde 2] heeft ter zitting in hoger beroep stukken overgelegd (waaronder een leningsovereenkomst met Arubabank van 6 november 2025) waaruit voldoende blijkt dat hij het bedrag aan overbedeling dat hij aan [appellante] moet betalen kan financieren. De stelling van [appellante] dat hij dit niet kan wordt daarmee verworpen.

De tussenconclusie is dat de onroerende zaak (en daarmee de eenmanszaak) aan [geïntimeerde 2] wordt toegedeeld. De grieven 1 tot en met 3 zijn daarmee verworpen.

(ii) geen overgeslagen bankrekening

In de boedelbeschrijving van de deskundige worden twee bankrekeningen bij RBC genoemd als behorend tot de nalatenschap. Blijkens de bijlagen 4 en 5 van het rapport gaat het daarbij om een bankrekening met een nummer eindigend op 3967 met een saldo per 31 december 2015 van Afl. 12.495,72 en een bankrekening met een nummer eindigend op 4046 met een saldo per diezelfde datum van Afl. 77.568,88; in totaal dus Afl. 90.065, hetgeen ook zo is opgenomen in de boedelbeschrijving.

[appellante] heeft (onder overlegging van productie 12 bij mailbericht van 5 februari 2026) aangevoerd dat een derde bankrekening bij RBC (eindigend op nummer 3524) ook tot de nalatenschap behoort. Anders dan [appellante] meent heeft de deskundige het saldo van deze bankrekening niet overgeslagen in zijn boedelbeschrijving. Het saldo van die bankrekening, die op naam stond van “[de eenmanszaak] [erflater]” was per 31 december 2015 Afl. 5.020,19 (dit blijkt uit bijlage 3 bij het deskundigenrapport). Dit saldo heeft de deskundige (zo blijkt uit p.3 van zijn rapport onderaan) meegenomen in zijn waardering van de eenmanszaak, die hij heeft bepaald op een waarde van Afl. 19.185.Het saldo van deze bankrekening is, als behorend tot de eenmanszaak, terecht toegedeeld aan [geïntimeerde 2] en dat staat ook vermeld in 2.38 van het bestreden vonnis (onder d). Grief 4 (waarvan de toelichting dit punt vermeldt) gaat in zoverre niet op.

Slotsom

[appellante] heeft voor het overige geen concrete bezwaren aangevoerd tegen de verdeling van de nalatenschap die in 2.38 van het bestreden vonnis is opgenomen. Dat betekent dat ook de grieven 4 en 5 worden verworpen en dat het bestreden vonnis zal worden bevestigd.

Gelet op de familierelatie van partijen dienen zij ieder de eigen proceskosten in hoger beroep te dragen.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

bevestigt het vonnis waarvan beroep;

compenseert de proceskosten in hoger beroep zo, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mrs. C.G. ter Veer, G.C.C. Lewin en E.W.A. Vonk, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba uitgesproken op 31 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand