RAAD VAN BEROEP
Uitspraakdatum: 21 juni 2023
Zaaknummer: AUA2022H00103
IN AMBTENARENZAKEN
VAN ARUBA
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant],
wonend in Aruba,
appellant,
gemachtigde: mr. E. Duijneveld,
tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba (Gerecht) van 28 maart 2022, GAZA nr. AUA202003099 (ECLI:NL:OGAACMB:2022:32; aangevallen uitspraak), in het geding tussen:
appellant
en
DE DIRECTEUR VAN HET CUERPO DI ADUANA,
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. Y.F.M. Kaarsbaan, werkzaam bij de Dienst Wetgeving en Juridische Zaken.
Procesverloop
Bij beslissing van 30 oktober 2020 (Beslissing) heeft geïntimeerde een aanvraag van appellant om vakantie in de periode van 3 december 2020 tot en met 4 januari 2021 ingewilligd, met dien verstande dat appellant daarvoor 24 vakantiedagen moet opnemen.
Bij de aangevallen uitspraak - waarin door een hersteluitspraak van het Gerecht van 5 april 2022 (met dezelfde nummers) een kennelijke omissie in het dictum is hersteld - heeft het Gerecht het door appellant gemaakte bezwaar tegen de Beslissing ongegrond verklaard.
Appellant heeft tegen de aangevallen uitspraak hoger beroep ingesteld.
Geïntimeerde heeft een contramemorie ingediend.
De Raad heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 juni 2023. Appellant is in persoon verschenen met bijstand van zijn gemachtigde. Geïntimeerde heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellant, wachtloper in continudienst bij het Cuerpo di Aduana, heeft voor de periode van 3 december 2020 tot en met 4 januari 2021 vakantie aangevraagd. Naar zijn opvatting waren hiermee 23 vakantiedagen gemoeid.
Geïntimeerde is akkoord gegaan met de vakantieaanvraag maar bracht hiervoor 24 vakantiedagen in rekening. Naar zijn oordeel moet zaterdag 26 december 2020 hier worden aangemerkt als een vakantiedag en niet als een zogenoemde extra rustdag.
2. Bij de aangevallen uitspraak is het bezwaar van appellant tegen de Beslissing ongegrond verklaard.
Het Gerecht heeft als juridisch kader in de eerste plaats artikel 42 van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma) in beeld gebracht. Het Gerecht heeft aan dat artikel geen verdere overweging gewijd.
Het Gerecht heeft vervolgens acht geslagen op een circulaire van 1999 betreffende beleid aangaande zogenoemde extra rustdagen. Met extra rustdagen worden bedoeld de vrije dagen die aan de overheidswerknemers werkzaam in continudienst (de wachtlopers) worden toegekend wanneer betrokkenen volgens dienstrooster op officiële feestdagen zoals bedoeld in artikel 42, lid 4, van de LMA hebben gewerkt.
Per jaar zijn er in totaal 11 extra rustdagen beschikbaar - “ter compensatie van de gewerkte feestdagen zoals opgenomen in artikel 42 lid 4 van de LMA - minus de feestdagen die op een zaterdag en/of een zondag vallen”.
Het Gerecht heeft eerst vastgesteld dat indien appellant conform het dienstrooster op zaterdag 26 december 2021 zou hebben gewerkt, dit hem geen extra rustdag zou hebben opgeleverd. Uit het beleid volgt immers dat een extra rustdag niet wordt toegekend indien de gewerkte feestdag op een zaterdag of zondag valt.
Voorts geldt voor appellant (anders dan bij ambtenaren werkzaam in de reguliere dienst) dat hij geen vaste werkdagen en vrije dagen heeft. Dit betekent dat de vijf dagen die appellant per week moet werken, op weekdagen of in het weekend kunnen vallen. Appellant stond ingeroosterd om op zaterdag 26 december 2020 te werken. Nu hij (aaneengesloten) vakantie heeft aangevraagd over de periode 3 december 2020 tot en met 4 januari 2021 en zaterdag 26 december 2020 een werkdag was voor hem, heeft geïntimeerde met juistheid deze dag aangemerkt als een vakantiedag.
Hieruit concludeert het Gerecht dat geïntimeerde het door appellant opgenomen aantal vakantiedagen in de periode van 3 december 2020 tot en met 4 januari 2021 terecht heeft vastgesteld op 24 dagen.
3. Appellant heeft aangevoerd dat de overheid met de formulering van haar beleid in de fout is gegaan zodat in strijd wordt gehandeld met de redelijkheid en billijkheid en het gelijkheidsbeginsel. Appellant stelt dat voorbijgegaan wordt aan het feit dat het hier een feestdag betreft; had appellant die dag wel gewerkt, dan had hij een extra rustdag ter compensatie gekregen.
4. Geïntimeerde kan zich vinden in de aangevallen uitspraak.
5. De Raad volgt de aangevallen uitspraak en maakt hetgeen het Gerecht heeft overwogen, tot het zijne. Hetgeen appellant in hoger beroep nog heeft aangevoerd, leidt niet tot een andere conclusie. Zo is er geen sprake van gelijke gevallen.
Verder is hier sprake van buitenwettelijk begunstigend beleid. Naar vaste rechtspraak (uitspraken van de Raad van 8 september 2021 (ECLI:NL:ORBAACM:2021:60 en van de Centrale Raad van Beroep van 8 maart 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV9383 en 19 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:471) dient de rechter het bestaan en de inhoud van dergelijk beleid als een gegeven te aanvaarden en blijft de rechterlijke toetsing als gevolg daarvan beperkt tot de vraag of het beleid consistent wordt toegepast. Appellant heeft geen beroepsgrond naar voren gebracht waaruit blijkt van zijn inziens inconsistente toepassing van de getroffen beleidsregeling.
6. De slotsom is dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
9. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De Raad van Beroep:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gewezen door mr. H.A.A.G. Vermeulen, voorzitter, en mr. J Sybesma en drs. P.J. Thijssen, leden, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 21 juni 2023.