ECLI:NL:ORBAACM:2025:31

ECLI:NL:ORBAACM:2025:31, Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 19-11-2025, AUA2025H00271, AUA2025H00276

Instantie Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba
Datum uitspraak 19-11-2025
Datum publicatie 19-11-2025
Zaaknummer Sint Maarten en van Bonaire
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 1 zaken

Verwijst naar

Aangehaald door

Samenvatting

Loonkorting na twee jaar arbeidsongeschiktheid. De brief van 2 april 2025 waarbij wordt meegedeeld dat op het salaris van [appellant] inhoudingen zullen worden toegepast in verband met een loonkorting en dat teruggevorderd wordt wat teveel aan [appellant] zou zijn betaald, moet worden aangemerkt als een beschikking in de zin van artikel 35 La. Gouverneur en niet directeur DRH is bevoegd te beslissen over terugvordering. Vernietiging aangevallen uitspraak. Verzoek om voorziening bij voorraad wijst de Raad af.

Uitspraak

Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La)

RAAD VAN BEROEP

Uitspraak

[Appellant]

Uitspraakdatum: 19 november 2025

Zaaknummers: AUA2025H00271 (hoofdzaak) en AUA2025H00276 (voorziening bij voorraad)

IN AMBTENARENZAKEN

VAN ARUBA

op het hoger beroep en op het verzoek om een voorziening bij voorraad van:

appellant (hierna: [appellant),

gemachtigde: mr. R.P. Lee,

tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba (Gerecht) van 20 oktober 2025, AUA202501264 (hoofdzaak) en AUA202502013 (voorziening bij voorraad) (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen:

[Appellant]

en

(hierna: geïntimeerden),

gemachtigde: mr. A.F.J. Caster.

Procesverloop

[Appellant] heeft hoger beroep ingesteld en daarbij verzocht een voorziening bij voorraad te treffen.

De directeur DRH heeft een contramemorie/pleitnota, met bijlagen, ingediend.

De behandeling van het hoger beroep en het verzoek heeft plaatsgevonden op de zitting van de Raad op 12 november 2025. [Appellant], zijn gemachtigde en de gemachtigde van geïntimeerden hebben via een videoverbinding vanuit het Gerechtsgebouw in Aruba aan de zitting deelgenomen.

Overwegingen

Waar gaat de zaak over?

1. Deze zaak gaat over de vraag of op het salaris van [appellant] terecht vanwege langdurige arbeidsongeschiktheid inhoudingen zijn toegepast in verband met een loonkorting en vanwege terugvordering van het salaris dat aan [appellant] teveel zou zijn betaald. Deze zaak gaat ook over de vraag of het Gerecht het bezwaar van [appellant] tegen de brief waarin hem over die inhoudingen mededelingen zijn gedaan terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2. Voor de beantwoording van die vragen zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Appellant] is als ambtenaar werkzaam bij Instituto Biba Saludabel y Activo (IBISA) in de functie van [naam functie]. Hij heeft oogklachten waarvoor hij elke twee weken moet worden behandeld. Na een behandeling moet [appellant] op advies van de oogarts enkele dagen rust houden. Hij verblijft dan thuis en is op die dagen niet in staat zijn werkzaamheden te verrichten.

Appellant] staat geregistreerd als arbeidsongeschikt sinds 20 mei 2022. Sindsdien heeft [appellant] gewerkt met uitzondering van de rustdagen na een behandeling.

Bij brief van 2 april 2025 heeft de Directeur DRH aan [appellant] meegedeeld:- dat hij sinds 20 mei 2022 aaneengesloten arbeidsongeschikt is;

- dat zijn inkomen op grond van de wet met ingang van 20 mei 2024 naar 90% wordt aangepast;

- dat het teveel aan ontvangen salaris over de periode van 20 mei 2024 tot 1 april 2025 wordt teruggevorderd;

- dat het bovenstaande in de maand april 2025 in het payroll-systeem wordt uitgevoerd.

Op de salarisstrook (‘payslip’) van 23 april 2025 over de maand april 2025 is een bezoldiging vermeld van Afl. 3.660.- en een uit te betalen bezoldiging van

Afl. 3.291,75.-. Het verschil betreft de inhouding van 10% loonkorting. Deze inhouding is ook in de maanden daarna toegepast.

Appellant] heeft op 29 april 2025 voorlopig bezwaar gemaakt bij het Gerecht in ambtenarenzaken tegen de brief van 2 april 2025 en komt op tegen de inhoudingen op zijn salaris in verband met loonkorting en terugvordering van dat wat hem teveel zou zijn betaald. De gronden van het bezwaar zijn aangevuld op 26 mei 2025. Ook is de voorzitter van het Gerecht gevraagd een voorziening bij voorraad te treffen.

Wat is het oordeel van het Gerecht?

3. Het Gerecht respectievelijk diens Voorzitter hebben in de uitspraak van 20 oktober 2025 het bezwaar van [appellant] niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om een voorziening te treffen afgewezen. Het Gerecht heeft overwogen (r.o. 7.2) dat uit de bewoording van de brief van 2 april 2025 valt af te leiden dat daarin een feitelijke mededeling is opgenomen over de aaneengesloten arbeidsongeschiktheid van [appellant] sinds 20 mei 2022, dat vervolgens melding wordt gemaakt van een voorgenomen aanpassing van het inkomen, en dat wordt aangekondigd dat een terugvordering van het te veel ontvangen salaris zal plaatsvinden, die in april 2025 in het payroll-systeem zullen worden uitgevoerd. De Directeur DRH heeft aangekondigd dat de beslissing hierover zal worden genomen door het bevoegd gezag (de Gouverneur) bij landsbesluit, waarbij het concept-landsbesluit als productie is overgelegd. Volgens het Gerecht bevat de brief van 2 april 2025 slechts een feitelijke mededeling in de vorm van een voornemen en een vooraankondiging, en is niet op rechtsgevolg gericht. Om deze reden kan de brief niet worden aangemerkt als een voor bezwaar vatbarre beschikking of handeling als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La).

Wat heeft de [appellant] aangevoerd tegen de uitspraak van het Gerecht?

4. [ Appellant] heeft aangevoerd dat zijn bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, omdat de brief van 2 april 2025 geen mededeling betreft maar een voor bezwaar vatbare beschikking. Verder stelt hij dat niet de Directeur DRH deze beschikking had moeten nemen, maar de Gouverneur. [Appellant] stelt verder dat geen loonkorting had mogen plaatsvinden, omdat hij niet ziek is en ook niet ziek is geweest. Dat hij af en toe enkele dagen thuis moet blijven na een oogbehandeling, kan niet als arbeidsongeschiktheid worden aangemerkt, omdat [appellant] op de andere dagen gewoon werkt. Wat betreft de loonkorting en de terugvordering stelt [appellant] dat daartoe ten onrechte wordt overgegaan door inhouding op het salaris omdat daarover door het bevoegd gezag nog geen beslissing is genomen. [Appellant] stelt spoedeisend belang te hebben bij een voorziening omdat vanaf april 2025 maandelijks en onbevoegdelijk een korting wordt toegepast op zijn salaris.

Hoe oordeelt de Raad?

De Raad gaat hieronder eerst in op de vraag of de brief van 2 april 2025 als beschikking moet worden aangemerkt.

Toegang tot de ambtenarenrechter

Op grond van artikel 35, eerste lid, La kan een bezwaarschrift worden ingediend ter zake dat beschikkingen, handelingen of weigeringen (om te beschikken of te handelen), ten aanzien van een ambtenaar als zodanig. Het derde lid van artikel 35 La bepaalt dat voor de toepassing van het eerste lid de beschikkingen, handelingen of weigeringen, namens of in opdracht van een administratief orgaan bevoegdelijk genomen, verricht of uitgesproken, worden geacht genomen, verricht of uitgesproken te zijn door het orgaan, in welks opdracht of namens hetwelk gehandeld is.

Namens de Directeur DRH is aangevoerd dat [appellant] bezwaar kan maken tegen de loonkorting zodra de Gouverneur daarover een landsbesluit heeft genomen. Dat kan volgens de Directeur echter (nog) niet tegen de brief waarin aan de betrokken ambtenaar mededeling wordt gedaan van de loonkorting.

Het Gerecht heeft geoordeeld dat de brief van 2 april 2025 van de Directeur DRH niet kwalificeert als een beschikking of handeling in de zin van artikel 35 La, omdat de daaraan gedane mededelingen van feitelijke aard zijn en dus niet gericht op rechtsgevolg.

De Raad volgt het Gerecht daarin niet. De Raad is van oordeel dat de brief van 2 april 2025 waarbij wordt meegedeeld dat op het salaris van [appellant] inhoudingen zullen worden toegepast in verband met een loonkorting en dat teruggevorderd wordt wat teveel aan [appellant] zou zijn betaald, moet worden aangemerkt als een beschikking in de zin van artikel 35 La.

De korting vloeit weliswaar rechtstreeks uit de wet voort, zoals geïntimeerden terecht stellen, maar het is de Gouverneur die bepaalt wanneer de arbeidsongeschiktheid is begonnen, of deze twee jaar onafgebroken heeft geduurd, en dus of aan de voorwaarde voor toepassing van de wettelijke loonkorting is voldaan. Verder is het aan de Gouverneur om te beslissen of gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid om het bedrag dat onverschuldigd is betaald terug te vorderen. Die beslissing vloeit niet rechtstreeks uit de wet voort. Mede om redenen van rechtsbescherming moet een ambtenaar hier in rechte tegen op kunnen komen. Als tegen de beschikking waarin de loonkorting en de terugvordering wordt meegedeeld, bezwaar wordt gemaakt, dan is de ambtenarenrechter bevoegd hierover te oordelen.

Strikt genomen ten overvloede overweegt de Raad over de mogelijkheid in rechte op te komen tegen inhoudingen als hier aan de orde nog als volgt. Volgens vaste rechtspraak ligt aan elke – meestal maandelijkse – betaling van salaris of uitkering een besluit tot zodanige betaling ten grondslag, dat zichtbaar kan worden in een salaris- of uitkeringsspecificatie (salarisstrook/payslip). Daartegen kan bezwaar worden gemaakt, maar alleen als een ander daartoe strekkend geschrift van het bestuursorgaan ontbreekt (zie hiervoor de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep 3 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3831). In deze zaak is er zo’n eerder geschrift van het bestuursorgaan, namelijk de beschikking van 2 april 2025. De Raad laat in deze uitspraak in het midden of [appellant] (ook) bezwaar kan maken tegen het door de Gouverneur nog te nemen landsbesluit over de loonkorting, de terugvordering en de inhoudingen.

Gelet op hetgeen hiervoor onder 5.1.5 is overwogen heeft het Gerecht ten onrechte geoordeeld dat de brief van 2 april 2025 niet op rechtsgevolg is gericht en is het bezwaar van [appellant] tegen die brief ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor vernietiging in aanmerking.

Om redenen van tijdige en finale rechtsbescherming zal de Raad de zaak niet terugzenden aan het Gerecht, maar zelf de gronden van het bezwaar van [appellant] bespreken.

De loonkorting

Artikel 31, vierde lid, Landsverordening vakantie en vrijstelling van dienst ambtenaren (Lvvda) bepaalt dat gedurende een vrijstelling van dienst wegens ziekte de ambtenaar aanspraak heeft op een inkomen naar reden van:

I. voor een ambtenaar in vaste dienst:

a. zijn vol inkomen gedurende de eerste vierentwintig maanden;

b. negentig ten honderd van zijn vol inkomen gedurende de daaropvolgende twaalf maanden;

c. tachtig ten honderd van zijn vol inkomen gedurende de resterende maanden.

Uit bovenstaande wettelijke bepaling volgt dat een loonkorting moet worden toegepast indien aan twee voorwaarden is voldaan. Ten eerste moet een ambtenaar ziek zijn. En ten tweede moet die ziekte twee jaar onafgebroken hebben geduurd. De Raad gaat hieronder in op de vraag of in het geval van [appellant] aan die voorwaarden is voldaan.

Is [appellant] ziek en arbeidsongeschikt?

De Raad volgt niet het betoog van [appellant] dat hij op de dagen of dagdelen dat hij niet kan werken vanwege verplichte rust na een oogbehandeling niet ziek zou zijn.

Arbeidsongeschikt is hij die door ziekte of gebreken buiten staat is de opgedragen werkzaamheden te verrichten. [appellant] is elke twee weken een of enkele dagen om medische redenen, namelijk verplichte rust voorgeschreven door zijn oogarts, buiten staat zijn dienst te verrichten en daarmee arbeidsongeschikt wegens ziekte.

Is [appellant] twee jaar onafgebroken arbeidsongeschikt?

Gelet op de overgelegde overzichten van dagen waarop [appellant] niet heeft kunnen werken, is de eerste arbeidsongeschiktheidsdag terecht vastgesteld op 20 mei 2022. Op grond van artikel 31, vijfde lid, van de Lvvda wordt een opnieuw ingetreden verhindering tot dienstverrichting wegens ziekte voor het bepalen van de in het tweede en vierde lid genoemde termijnen als een voortzetting van de vorige verhindering beschouwd, tenzij die verhindering zich voordoet, nadat ten minste dertig kalenderdagen zijn verstreken, sedert de ambtenaar zijn dienst volledig heeft hervat.

Appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt en evenmin is gebleken dat hij sinds zijn uitval op 20 mei 2022 zijn dienst voor ten minste dertig aaneengesloten dagen heeft hervat. Dit volgt uit het door geïntimeerden overgelegde overzicht van verzuim door [appellant] in de periode van 19 april 2022 tot en met 31 maart 2025. Dat betekent dat hij wordt geacht sinds 20 mei 2022 doorlopend arbeidsongeschikt te zijn geweest. Dat hij in die twee jaar op veel dagen heeft gewerkt, doet daar niet aan af. Hieruit volgt dat geïntimeerden terecht hebben vastgesteld dat [appellant] op 20 mei 2024 gedurende twee jaar onafgebroken arbeidsongeschikt was.

Kon een loonkorting worden toegepast?

Omdat aan de toepassingsvoorwaarden is voldaan, [appellant] heeft vrijstelling van dienst wegens ziekte sinds 20 mei 2022 en is sindsdien twee jaar onafgebroken arbeidsongeschikt, volgt uit de hiervoor aangehaalde bepaling dat [appellant] per 20 mei 2024 aanspraak heeft op 90% van zijn salaris en per 20 mei 2025 op 80% van zijn salaris, en dus niet langer op zijn volledige inkomen. Deze in omvang beperkte aanspraak op inkomen volgt rechtstreeks uit de wet.

Handelend namens de Gouverneur had de Directeur DRH dus per mei 2024 tot mei 2025 op het salaris van [appellant] een loonkorting van 10% mogen toepassen. Per mei 2025 mocht een loonkorting van 20% worden toegepast.Voor zover het bezwaar van [appellant] is gericht tegen de inhouding van 10% op zijn salaris van april 2025 slaagt het niet.

Terugvordering en invordering

In de brief van 2 april 2025 is – naast de inhouding van de hiervoor genoemde 10% loonkorting - ook aangekondigd dat zal worden overgegaan tot terugvordering van het te veel ontvangen salaris van [appellant] over de periode van 20 mei 2024 tot 1 april 2025. Ook het hiermee gemoeide bedrag zal in de maand april 2025 in het payroll-systeem worden uitgevoerd, zo valt in de brief te lezen.

De Raad stelt vast dat de Directeur DRH met het toepassen van de korting van 10% heeft gewacht tot de maand april 2025, dus bijna een jaar na mei 2024. Dat zo lang is gewacht met het toepassen van de loonkorting heeft tot gevolg dat het bedrag dat aan [appellant] onverschuldigd is betaald onnodig is opgelopen. Het totaal terug te vorderen bedrag omdat niet tijdig is overgegaan tot toepassing van de korting van 10% is volgens geïntimeerden opgelopen tot Afl. 3.519,76.

Uit de stukken leidt de Raad af dat op het salaris van [appellant] met ingang van juli 2025 ook bedragen zijn ingehouden bij wijze van terugvordering van hetgeen onverschuldigd is betaald door het niet tijdig, per mei 2024 toepassen van de loonkorting van 10%. Uit de salarisstrook van oktober 2025 volgt dat, naast de inhouding in verband met de loonkorting van 10% ook Afl. 292.- is ingehouden in verband met de terugvordering van teveel betaald salaris.

Anders dan bij de hiervoor besproken loonkorting geldt voor terugvordering van het salaris dat onverschuldigd is betaald dat daarover eerst door het bevoegd gezag een beslissing moet worden genomen alvorens tot invordering mag worden overgegaan. Dat de Directeur DRH bevoegd is te beslissen over terugvordering is gesteld noch gebleken. De Gouverneur komt die bevoegdheid wel toe. Het is dan ook aan de Gouverneur om hierover een beslissing te nemen. De Gouverneur heeft daarover echter (nog) niet beslist. Dat betekent dat de bestreden beschikking in zoverre onbevoegd is genomen en voor vernietiging in aanmerking komt. Hierom is de Gouverneur, naast de Directeur DRH, als partij vermeld in deze procedure.

Conclusie

Het hoger beroep van [appellant] slaagt. Het Gerecht heeft het bezwaar van [appellant] ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak van het Gerecht moet worden vernietigd. Wat betreft de loonkorting komt de Raad tot de slotsom dat op het salaris van [appellant] per 20 mei 2024 een korting van 10% had mogen worden toegepast. Omdat de korting van 10% pas is toegepast ingaande april 2025 is over de periode van april 2024 tot en met maart 2025 teveel salaris aan [appellant] uitbetaald. De inhouding in verband met de loonkorting over de maand april 2025 is terecht gebeurd. De overige inhoudingen bij wijze van terugvordering van het salaris dat over de maanden april 2024 tot en met maart 2025 ten onrechte aan [appellant] is betaald, zijn ten onrechte geschied.

Uit het vorenstaande mag niet worden afgeleid dat terugvordering van het teveel betaalde salaris niet mogelijk zou zijn. Het totaalbedrag dat aan [appellant] teveel en onverschuldigd is betaald mag in beginsel worden teruggevorderd. Daarvoor is echter een beslissing nodig van de Gouverneur als bevoegd gezag. Die beslissing ontbreekt vooralsnog.

Bij zijn eventuele beslissing over de terugvordering dient de Gouverneur te betrekken dat uit de overgelegde besluitenlijst van de ministerraad van 27 augustus 2025 blijkt, dat die Raad niet heeft ingestemd met het voorstel om het teveel betaalde salaris van [appellant] terug te vorderen, ‘aangezien het teveel betaalde bedrag niet aan de betrokkene is toe te rekenen.’ Pas nadat door de Gouverneur een beslissing is genomen over de terugvordering kan tot invordering worden overgegaan, bijvoorbeeld door inhouding van bedragen op het maandelijkse salaris van [appellant]. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de betalingscapaciteit van [appellant]. Zo nodig dient een afbetalingsregeling te worden getroffen.

De Raad kan zich voorstellen dat de Directeur DRH met [appellant] om de tafel gaat om te bespreken waar hij recht op heeft, wat ten onrechte is ingehouden, wat terecht is ingehouden en welke inhoudingen voor de resterende maanden zullen worden toegepast. Indien de Gouverneur een beslissing heeft genomen over (onder andere) de terugvordering kan tevens worden besproken welk bedrag moet worden terugbetaald en of een eventuele betalingsregeling moet worden getroffen.

Het verzoek om een voorziening bij voorraad

6. Omdat de Raad op zowel het hoger beroep als het bezwaar beslist, is er geen aanleiding voor de Voorzitter om een voorziening te treffen. Het verzoek daartoe zal daarom worden afgewezen.

Proceskosten

7. De Raad ziet aanleiding voor vergoeding van de proceskosten van [appellant] in zowel het bezwaar als in hoger beroep, tot een totaal bedrag van Afl. 2.800.-, (1 punt voor indienen van bezwaarschrift en het beroepschrift, 1 punt voor verschijnen ter zitting bij het Gerecht en de Raad, met een waarde per punt van Af. 700,- en wegingsfactor 1) te betalen door het Land Aruba aan [appellant].

Beslissing

De Raad van Beroep, oordelend op het hoger beroep (AUA2025H00271):- vernietigt de aangevallen uitspraak;- verklaart het bezwaar gegrond; - vernietigt de beschikking van 2 april 2025 behalve voor zover deze betrekking heeft op de inhouding van het salaris van [appellant] in verband met de loonkorting van 10% over de maand april 2025;

- veroordeelt de gouverneur in de kosten van [appellant] tot een bedrag van

Afl. 2.800,-, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende bijstand.

De Voorzitter van de Raad van Beroep, oordelend op het verzoek om een voorziening bij voorraad (AUA2025H00276):

- wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gewezen door mr. B.J. Ettekoven, voorzitter, en mr. M.A. Evertsz en mr. P. Klik, leden, en uitgesproken in het openbaar op 19 november 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. B.J. Ettekoven
  • mr. M.A. Evertsz
  • mr. P. Klik

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?