Wet ambtenarenrechtspraak 1951 BES (War 1951 BES)
RAAD VAN BEROEP
Uitspraak
[Appellant],
De Minister van Binnenlandse zaken en Koninkrijkrelaties,
Uitspraakdatum: 2 december 2025
Zaaknummer: BON2024H00039
IN AMBTENARENZAKEN
VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
op het hoger beroep van:
appellant (hierna: [appellant]),
gemachtigde: R.C. Abrahams,
tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Gerecht) van 6 augustus 2024, GAZ BON202400077 en GAZ BON202400078 (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[Appellant]
en
geïntimeerde, (hierna: de minister),
gemachtigde: mr. T. Breugom, advocaat
Procesverloop
[Appellant] heeft hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een contramemorie ingediend, waarop [appellant] schriftelijk heeft gereageerd.
De Raad heeft het hoger beroep behandeld op de zitting van 4 november 2025. [Appellant] en zijn gemachtigde hebben via een videoverbinding vanuit Curaçao respectievelijk Spanje aan de zitting deelgenomen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [A], Hoofd Basis Politiezorg bij het Korps Politie Caribisch Nederland (hierna: KPCN).
Overwegingen
1. Voor de relevante feiten in deze zaak verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak, gepubliceerd onder nummer: ECLI:NL:OGAACMB:2024:47. De Raad volstaat hier met het volgende.
[Appellant] is op 1 december 2022 op grond van een tijdelijke aanstelling voor een jaar als medewerker basispolitiezorg bij het KPCN op Bonaire in dienst getreden.
De leidinggevende van [appellant] heeft op 17 november 2023 een beoordeling opgemaakt van het functioneren van [appellant]. [Appellant] heeft daartegen op 22 november 2023 bezwaar gemaakt bij de Directeur van Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN) en verzocht de beoordeling niet te bekrachtigen. De Korpschef, de beoordelingsautoriteit, heeft de beoordeling op dezelfde dag bekrachtigd.
Het Hoofd Basis Politiezorg heeft op 29 november 2023 de definitieve, door de Korpschef ondertekende beoordeling aan [appellant] gestuurd. Daarbij heeft hij, refererend aan een eerdere mondelinge mededeling aan [appellant], bericht dat zijn aanstelling niet wordt voortgezet. Op 7 december 2023 is [appellant] bericht dat de beëindiging van de tijdelijke aanstelling niet op schrift zal worden gesteld.
Op 3 januari 2024 heeft [appellant] bij de Minister en de Directeur RCN bezwaar gemaakt tegen de beoordeling zoals opgemaakt door zijn leidinggevende en de bekrachtiging daarvan door de Korpschef. [Appellant] heeft daarbij ook verzocht om een, wat [appellant] noemt, verlenging van zijn proeftijd.
De Directeur van RCN heeft [appellant] op 8 januari 2024 bericht dat hij zijn bezwaarschrift niet in behandeling neemt maar doorstuurt aan het KPCN.
Tijdens een gesprek op 7 februari 2024 tussen [appellant], de plaatsvervangend Korpschef en het Hoofd Basis Politiezorg is [appellant] meegedeeld dat zijn bezwaar tegen de beoordeling niet verder zal worden behandeld omdat zijn aanstelling met ingang van 1 december 2023 van rechtswege is geëindigd. Tegen deze mededeling heeft [appellant] op 5 maart 2024 bezwaar gemaakt bij het Gerecht.
Wat is het oordeel van het Gerecht?
Het Gerecht heeft vastgesteld dat [appellant] op 29 november 2023 is meegedeeld dat zijn tijdelijke aanstelling niet wordt verlengd. [appellant] had gelet op de wettelijk vastgestelde bezwaartermijn van 30 dagen uiterlijk op 30 december 2023 hiertegen bij het Gerecht bezwaar moeten maken.. Het Gerecht merkt het bezwaar van [appellant] van 3 januari 2024 aan als een bij het Gerecht gemaakt bezwaar. Daarvan uitgaande komt het Gerecht tot de conclusie dat [appellant] buiten de termijn van 30 dagen en dus te laat bezwaar heeft gemaakt. Het bezwaar tegen de beëindiging van zijn tijdelijke aanstelling heeft het Gerecht wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.
Voor wat betreft het bezwaar van 5 maart 2024 tegen de mededeling van 7 februari 2024, inhoudend dat zijn bezwaar tegen de beoordeling niet verder in behandeling wordt genomen, oordeelt het Gerecht dat [appellant] daarmee niet kan bereiken wat hij beoogt, zodat zijn bezwaar wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Wat is het standpunt van [appellant] in hoger beroep?
Appellant] heeft in hoger beroep aangevoerd dat bij zijn beoordeling de geldende regels uit de Regeling Beoordeling Ambtenaren BES niet in acht zijn genomen. Voor het indienen van bezwaar tegen een beoordeling geldt een termijn van vijf werkdagen. [Appellant] heeft op 22 november 2023 bezwaar gemaakt tegen de beoordeling van 17 november 2023, dus tijdig. Na bekrachtiging van de beoordeling heeft de ambtenaar zes weken de tijd om in beroep te gaan bij de minister. [Appellant] heeft tegen de bekrachtiging bezwaar gemaakt op 3 januari 2024, en dus tijdig. Vervolgens had [appellant] moeten worden gehoord, wat niet is gebeurd. Binnen tien dagen na advies van een adviescommissie had de minister op zijn bezwaar moeten beslissen. Ook dat is niet gebeurd.
Appellant] heeft op 5 maart 2024 bezwaar gemaakt tegen de mededeling op 7 februari 2024 dat zijn bezwaar tegen zijn beoordeling niet verder zal worden behandeld. [Appellant] stelt zich op het standpunt dat zijn bezwaar gegrond moet worden verklaard wegens schending van de geldende regels. Hij wilde met zijn bezwaar aanvankelijk bereiken dat de beoordeling wordt heroverwogen, zodat een verlenging van zijn proefperiode en tijdelijke aanstelling bespreekbaar zou worden. Ter zitting heeft [appellant] aangegeven inmiddels een baan te hebben gevonden als politieman bij het Korps Politie Curaçao en niet meer terug te willen naar het KPCN. Met deze procedure wil hij bereiken dat wordt vastgesteld dat de minister onrechtmatig heeft gehandeld en dat zijn schade, bestaand uit onder meer gederfd inkomen in de periode december 2023 tot medio 2025, wordt vergoed. [Appellant] heeft de Raad verzocht alsnog getuigen te horen, te weten de voormalig en huidig korpschef alsmede een HRM-adviseur.
Wat is het standpunt van de minister?
De minister heeft ter zitting aangegeven dat de gang van zaken rond de beoordeling van [appellant] niet goed is verlopen. Uitgaande van een beoordeling op 17 november 2023 is de procedure niet gelopen conform de regels opgenomen in de Regeling Beoordeling Ambtenaren BES. Dat is [appellant] ook meegedeeld in het op 7 februari 2024 gehouden gesprek en daarvoor zijn ook excuses aangeboden. De minister heeft daaraan echter toegevoegd dat ten onrechte een beoordeling is opgesteld op 17 november 2023, omdat dit niet nodig was gelet op het feit dat het tijdelijk dienstverband van [appellant] op 1 december 2023 van rechtswege eindigde. Verder was [appellant] reeds eerder bericht dat niet tot verlenging van zijn tijdelijke aanstelling zou worden overgegaan. Als [appellant] de beëindiging van zijn tijdelijke aanstelling had willen aanvechten, dan had hij dat moeten doen binnen 30 dagen na 1 december 2023. Dat heeft [appellant] niet gedaan. Zijn bezwaar daartegen is door het Gerecht daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. Daarvan uitgaande heeft [appellant] geen belang bij zijn bezwaar bij de rechter tegen de mededeling dat zijn bezwaar tegen de bekrachtigde beoordeling niet verder in behandeling zal worden genomen. Dat kan er immers niet toe leiden dat zijn aanstelling alsnog wordt verlengd. Ook dit bezwaar is daarom door het Gerecht terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Wat is het oordeel van de Raad?
Ter beoordeling ligt voor de vraag of het bezwaar c.q. de bezwaren van [appellant] door het Gerecht terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend. De Raad kan zich vinden in de overwegingen van het Gerecht en voegt daar nog het volgende aan toe.
Discussie over de vraag of een beoordeling al dan niet terecht negatief was, heeft alleen zin als er zicht is op voortzetting van de aanstelling. Het was [appellant] eind november 2023 duidelijk, althans het moet hem redelijkerwijs duidelijk zijn geweest, dat hij niet in aanmerking kwam voor verlenging van zijn tijdelijke aanstelling van een jaar dan wel voor een vaste aanstelling. Zijn aanstelling eindigde van rechtswege, dus zonder dat hierover een (nadere) beslissing door de minister nodig was. Als hij de beëindiging van zijn tijdelijke aanstelling per 1 december 2023 had willen aanvechten, had hij dat moeten doen binnen 30 dagen, dus uiterlijk op 30 december 2023. Zelfs als zijn bezwaar van 3 januari 2024, dat eerst en vooral ziet op de (negatieve) beoordeling van zijn functioneren, wordt aangemerkt als bezwaar tegen de beëindiging van zijn tijdelijke aanstelling, dan nog moet worden vastgesteld dat het te laat is ingediend. Niet is gebleken van een gerechtvaardigde reden voor de termijnoverschrijding; de termijnoverschrijding kan daarom niet verschoonbaar worden geacht. Hieruit volgt dat het Gerecht het bezwaar voor zover gericht tegen de beëindiging van de tijdelijke aanstelling terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Gelet hierop is de Raad evenals het Gerecht van oordeel dat voor [appellant] procesbelang ontbreekt bij beoordeling van zijn bezwaar tegen zijn negatieve beoordeling en/of de mededeling op 7 februari 2024 dat zijn bezwaar tegen die beoordeling niet verder in behandeling zal worden genomen. Discussie over die beoordeling is niet langer zinvol, omdat deze niet meer kan leiden tot de door [appellant] destijds gewenste verlenging van zijn aanstelling bij het KPCN.
Het Gerecht heeft ook dit bezwaar daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Het verzoek om schadevergoeding van [appellant] maakt dit niet anders. Op zich kan procesbelang resteren indien het bestaan van schade als gevolg van de bestreden besluitvorming, in dit geval de bestreden beoordeling c.q. mededeling, niet op voorhand onaannemelijk is. Die situatie doet zich hier echter niet voor, omdat de gestelde inkomensschade uitgaat van een (verlengde) aanstelling van [appellant]. Dit uitgangspunt is onjuist omdat de aanstelling per 1 december 2023 is beëindigd en [appellant] daartegen niet tijdig bezwaar heeft gemaakt, waardoor van de rechtmatigheid van die beëindiging moet worden uitgegaan.
Het voorgaande betekent dat aan een inhoudelijke beoordeling van de bezwaren van [appellant] niet wordt toegekomen. Om die reden acht de Raad het niet zinvol het onderzoek te verlengen voor het horen van getuigen. Het verzoek daartoe wordt afgewezen.
Strikt genomen ten overvloede merkt de Raad nog op dat [appellant] er terecht op heeft gewezen dat de procedure over zijn bezwaren tegen de beoordeling niet is afgewikkeld met inachtneming van de regels uit de Regeling beoordeling ambtenaren BES. De minister heeft dit erkend en daarvoor excuses aangeboden. Maar omdat de bezwaren van [appellant] niet-ontvankelijk zijn, en een inhoudelijke bespreking van die bezwaren dus achterwege blijft, leidt dit niet tot een ander oordeel.
Conclusie
De Raad komt tot de slotsom dat het hoger beroep van [appellant] niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gewezen door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. B. Nijland en mr. M.A. Evertsz, leden, en uitgesproken in het openbaar op 2 december 2025, in tegenwoordigheid van de griffier.