ECLI:NL:ORBAACM:2025:34

ECLI:NL:ORBAACM:2025:34, Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 02-12-2025, BON2025H00038

Instantie Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba
Datum uitspraak 02-12-2025
Datum publicatie 08-12-2025
Zaaknummer Sint Maarten en van Bonaire
Rechtsgebied Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0028606

Samenvatting

Loonkorting na twee jaar arbeidsongeschiktheid. Zolang bedrijfsarts de ambtenaar niet arbeidsgeschikt verklaart, duurt de ongeschiktheid voort en dient na twee jaar een loonkorting te worden toegepast. Een uitzondering op deze verplichting vormt een zeer ernstig tekortschieten van bedrijfsarts en/of werkgever in hun verplichting om de ambtenaar te begeleiden op weg naar herstel. De loonkorting moet in dat geval achterwege blijven op grond van de in acht te nemen zorgvuldigheid. Die situatie doet zich hier niet voor. Vernietiging aangevallen uitspraak, bezwaar wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Wet ambtenarenrechtspraak 1951 BES (War 1951 BES)

RAAD VAN BEROEP

Uitspraak

de Minister van Binnenlandse zaken en Koninkrijkrelaties,

[Betrokkene]

Uitspraakdatum: 2 december 2025

Zaaknummer: BON2025H00038

IN AMBTENARENZAKEN

VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

op het hoger beroep van:

appellant (hierna: de minister),

gemachtigde: mr. T. Breugom, advocaat,

tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Gerecht) van 28 mei 2025, GAZ BON202400569 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

de minister

en

wonend op Bonaire,

geïntimeerde, (hierna: [betrokkene])

procederend in persoon

Procesverloop

De minister heeft hoger beroep ingesteld.

[Betrokkene] heeft een contramemorie ingediend.

De Raad heeft het hoger beroep behandeld op de zitting van 4 november 2025. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door mr. F.H.A. Alberda, werkzaam bij de Rijksdienst Caribisch Nederland. [Betrokkene] was in persoon aanwezig op de zitting.

Overwegingen

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

[Betrokkene] werkt sinds oktober 2019 als controller bij de Shared Service Organisatie (SSO) van Caribisch Nederland (CN), laatstelijk als senior controller.

[Betrokkene] is sinds 2 augustus 2022 arbeidsongeschikt door ziekte voor het vervullen van haar eigen functie.

De minister heeft [betrokkene] met de beschikking van 17 september 2024 (bestreden beschikking) bericht dat haar inkomen met ingang van 2 augustus 2024 wordt aangepast naar 90% van haar loon omdat [betrokkene] op dat moment twee jaar vrijgesteld is van dienst in verband met haar arbeidsongeschiktheid. [Betrokkene] heeft tegen deze loonkorting bezwaar gemaakt.

In de periode augustus 2022 tot januari 2025 heeft [betrokkene] regelmatig, soms verschillende keren per maand, contact gehad met de bedrijfsarts. In de verslagen van de contacten met de bedrijfsarts is vermeld dat [betrokkene] in het eerste halfjaar van 2023 enkele keren een (forse) terugval heeft gehad, waardoor de re-integratie is gestaakt. Ook in september 2023 was [betrokkene] nog niet inzetbaar. In november 2023 komt een inzetbaarheidsonderzoek ter sprake, dat uiteindelijk in april/mei 2024 heeft plaatsgevonden. Het doel van dat onderzoek was te onderzoeken welke passende werkzaamheden [betrokkene] kunnen worden opgedragen als onderdeel van het re-integratietraject. Vanaf juli 2024 heeft [betrokkene] ten behoeve van thuiswerken (digitaal) toegang gekregen tot bedrijfsinformatie. Vanaf augustus 2024 is er een gestage opbouw in het aantal uren (thuis)werken.

[Betrokkene] is door de bedrijfsarts per 3 maart 2025 geschikt verklaard voor het verrichten van haar eigen functie.

Wat is het oordeel van het Gerecht?

Het Gerecht heeft het bezwaar van [betrokkene] tegen de loonkorting gegrond verklaard en de bestreden beschikking vernietigd. Het Gerecht heeft daarbij in de kern geoordeeld dat zonder communicatie tussen een arts en [betrokkene] en de minister over hoe de ongeschiktheid weggenomen kan worden door aanpassingen in het kader van het re-integratieplan, de minister niet kon concluderen dat [betrokkene] op 2 augustus 2024 twee jaar arbeidsongeschikt was. Daarbij heeft het Gerecht verwezen naar de uitspraak van de Raad van Beroep van 6 december 2023, ECLI:NL:ORBAACM:2023:73.

Wat is het standpunt van de minister in hoger beroep?

In hoger beroep heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat uit het relevante wettelijke kader volgt dat alleen een arts kan oordelen over de vraag of een betrokken werknemer of ambtenaar (hierna: ambtenaar) door arbeidsongeschiktheid verhinderd is zijn dienst te verrichten. Dit betekent ook dat zolang een arts een ambtenaar niet hersteld heeft verklaard, deze wordt geacht nog arbeidsongeschikt te zijn. Bij twee jaar arbeidsongeschiktheid volgt van rechtswege een loonkorting van 10%. Die korting vloeit rechtstreeks uit de wet voort en is geen sanctie.

Het Gerecht heeft volgens de minister een voorwaarde over communicatie aan de toepassing van de loonkorting verbonden die niet uit de wet voortvloeit. Als de uitspraak van het Gerecht gevolgd moet worden, dan betekent dit voor de praktijk dat een bedrijfsarts regelmatig moet vaststellen of aanpassingen de arbeidsongeschiktheid kunnen opheffen. Ook zou de bedrijfsarts dan verplicht zijn daarover te communiceren met de ambtenaar en diens werkgever. Dit is onwerkbaar, in strijd met de wet en volgt ook niet uit de uitspraak van de Raad van Beroep van 6 december 2023. De minister stelt zich op het standpunt dat per 2 augustus 2024 terecht een korting is toegepast op het loon van [betrokkene]. De minister verzoekt de aangevallen uitspraak om die reden te vernietigen en het bezwaar van [betrokkene] alsnog ongegrond te verklaren.

Het standpunt van [betrokkene]

Betrokkene] heeft in bezwaar en in hoger beroep aangevoerd dat de werkgever te weinig heeft gedaan aan haar re-integratie. Zij stelt al in november 2023 te hebben aangegeven te willen hervatten in aangepast werk. Omdat de digitale toegangsrechten voor het thuiswerken op 5 juli 2024 zijn hersteld, kon zij met de re-integratie pas op 8 juli 2024 starten. Het is daarom aan de werkgever te wijten, aldus [betrokkene], dat haar re-integratieproces met ongeveer acht maanden is vertraagd. Als de werkgever in november 2023 de re-integratiewerkzaamheden zou zijn gestart, dan had zij acht maanden later, dat wil zeggen medio juli 2024, haar werkzaamheden volledig kunnen hervatten en zou een loonkorting per 2 augustus 2024 zijn uitgebleven. De loonkortingsbeschikking is volgens [betrokkene] in strijd met het beginsel dat niemand voordeel mag trekken uit eigen nalatigheid en daarmee genomen in strijd met de in acht te nemen zorgvuldigheid. Verder betoogt [betrokkene] dat uit artikel 33 van de toepasselijke wettelijke regeling en de jurisprudentie volgt dat de minister een belangenafweging had moeten toepassen. Omdat naast genoemde nalatigheid van de werkgever ook die afweging achterwege is gebleven, heeft het Gerecht de bestreden beschikking terecht vernietigd. [Betrokkene] verzoekt de uitspraak van het Gerecht te bevestigen.

Wat is het oordeel van de Raad?

De bevoegdheid van de bestuursrechter

De Raad oordeelt ambtshalve dat de brief van 17 september 2024 waarbij wordt meegedeeld dat een loonkorting zal worden toegepast omdat een ambtenaar twee jaar arbeidsongeschikt is, moet worden aangemerkt als een beschikking in de zin van de War BES 1951. De korting vloeit weliswaar rechtstreeks uit de wet voort, zoals de minister terecht stelt, maar het is de minister die bepaalt wanneer de arbeidsongeschiktheid is begonnen, of deze twee jaar onafgebroken heeft geduurd, en dus of aan de voorwaarde voor toepassing van de wettelijke loonkorting is voldaan. Mede om redenen van rechtsbescherming moet een ambtenaar hier in rechte tegen op kunnen komen. Als tegen de beschikking waarin de loonkorting wordt meegedeeld bezwaar wordt gemaakt, dan is de ambtenarenrechter bevoegd hierover te oordelen. Het Gerecht heeft zich dan ook terecht bevoegd geacht te oordelen op het bezwaar van [betrokkene].

Wat zegt de wet?

De relevante wettelijke bepalingen uit het Besluit vakantie en vrijstelling van dienst ambtenaren BES zijn weergegeven onder 7.1-7.5 van de aangevallen uitspraak.

Toepassing van de wet

De Raad is van oordeel dat uit het samenstel van wettelijke bepalingen volgt dat het uitsluitend aan de door het bevoegd gezag aangewezen (bedrijfs)arts is, in dit geval de arts(en) van MedWork, om te bepalen of een ambtenaar wegens ziekte arbeidsongeschikt en verhinderd is tot het verrichten van dienst. Tussen partijen is niet in geschil dat 2 augustus 2022 moet worden aangemerkt als de eerste arbeidsongeschiktheidsdag. Uit het dossier en hetgeen ter zitting is besproken volgt dat [betrokkene] door de bedrijfsarts per 3 maart 2025 hersteld is verklaard. Dat betekent dat [betrokkene] per 2 augustus 2024 twee jaar onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest, zodat per die datum van rechtswege een loonkorting van 10% moest worden toegepast.

De uitspraak van de Raad van 6 december 2023

De Raad volgt de minister in zijn betoog dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat zonder deugdelijke communicatie de minister niet heeft kunnen concluderen dat [betrokkene] op 2 augustus 2024 al vierentwintig (24) maanden arbeidsongeschikt was. Dat oordeel is in strijd met de wettelijke systematiek.

Het volgt ook niet uit de uitspraak van de Raad van 6 december 2023, waarnaar door het Gerecht is verwezen. De Raad stelt vast dat in die uitspraak een andere situatie aan de orde was, niet gelijk aan of vergelijkbaar met die van [betrokkene]. In die uitspraak gaat het namelijk om een arbeidsgeschiktheidsverklaring en hersteldmelding van een ambtenaar door de bedrijfsarts, waar de minister tegen opkwam, omdat die meende dat de ambtenaar (nog) niet arbeidsgeschikt was.

In de uitspraak van de Raad van 6 december 2023 is de volgende overweging opgenomen:‘Zoals in 4.3 is overwogen is het niet aan de werkgever, maar aan de bedrijfsarts om te bepalen of de werknemer wegens ziekte ongeschikt is zijn functie uit te oefenen. Indien de bedrijfsarts van oordeel is dat de werknemer wegens ziekte ongeschikt is om te werken, is het ook aan de bedrijfsarts te oordelen of en, zo ja, in hoeverre de ongeschiktheid door aanpassingen kan worden weggenomen, wat dit betekent voor zijn ongeschiktheidsoordeel en daarover te communiceren met zowel werknemer als werkgever.’

Uit deze overweging volgt dat de bedrijfsarts moet bepalen of door middel van aanpassingen de ongeschiktheid kan worden weggenomen en dat de bedrijfsarts daarover moet communiceren. Daaruit volgt niet dat als er vertraging optreedt met het aanbieden van aanpassingen of met de communicatie daarover de minister niet kan en mag vaststellen dat er sprake is van 24 maanden onafgebroken arbeidsongeschiktheid. Immers, zolang de bedrijfsarts de ambtenaar niet arbeidsgeschikt heeft verklaard, duurt de arbeidsongeschiktheid voort en dient na het verstrijken van de in de wet genoemde periode(n) een loonkorting te worden toegepast.

Zorgvuldigheid

Een uitzondering op de verplichting een loonkorting toe te passen kan slechts worden aanvaard, indien komt vast te staan dat werkgever en/of bedrijfsarts zeer ernstig zijn tekortgeschoten in hun verplichting om de ambtenaar te begeleiden op weg naar herstel. In dat geval kan toepassen van de loonkorting zozeer in strijd komen met de in acht te nemen zorgvuldigheid dat deze achterwege moet blijven.

Gelet op alle beschikbare rapportages van de bedrijfsarts(en) van MedWork en de daarop ter zitting gegeven toelichting stelt de Raad vast:-dat [betrokkene] vanaf haar eerste arbeidsongeschiktheidsdag periodiek en veelvuldig contact heeft gehad met de bedrijfsarts; -dat telkens haar inzetbaarheid is besproken, dat uit de rapportages blijkt dat zij – mede vanwege terugvallen in januari en juni 2023 – tot medio 2023 niet of nauwelijks inzetbaar is geweest; -dat als gevolg daarvan de ingezette revalidatie moest worden afgebroken; -dat naar aanleiding van de melding van [betrokkene] in november 2023 dat zij weer aan de slag wilde in december 2023 een overleg met de werkgever heeft plaatsgevonden over het aanbieden van aangepast werk; -dat eind 2023 / begin 2024 is afgesproken een inzetbaarheidsonderzoek te laten plaatsvinden om te onderzoeken welke functionele mogelijkheden [betrokkene] had en om haar passende werkzaamheden te kunnen aanbieden; -dat zij vanaf juli 2024 is gaan hervatten in aangepast werk; -dat in november/december 2024 de conclusie is getrokken dat [betrokkene] voor 31,5 uur inzetbaar was en dat nagedacht kon worden over een extra taak; -om uiteindelijk per 3 maart 2025 te concluderen dat [betrokkene] weer volledig arbeidsgeschikt was voor het verrichten van haar eigen functie.Gelet op deze feiten en omstandigheden doet een uitzonderingssituatie als hiervoor bedoeld zich bij [betrokkene] niet voor.

De stelling van [betrokkene] dat als aan haar enkele maanden eerder dan juli 2024 passende (thuis)werkzaamheden zouden zijn aangeboden, zij voor 2 augustus 2024 arbeidsgeschikt zou zijn verklaard en de loonkorting achterwege was gebleven, volgt de Raad niet, omdat elke (medische) onderbouwing daarvan ontbreekt..

Conclusie

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van de minister slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Uit het voorgaande volgt tevens dat de door [betrokkene] in bezwaar naar voren gebrachte gronden niet slagen. Niet is gebleken dat de bestreden beschikking op onzorgvuldige wijze is voorbereid of genomen. Omdat aan de wettelijke toepassingsvoorwaarden is voldaan, te weten twee jaar onafgebroken arbeidsongeschiktheid, heeft de minister per 2 augustus 2024 terecht een loonkorting van 10% toegepast. Anders dan [betrokkene] heeft betoogd, is daarbij geen plaats voor een belangenafweging. Dat geen belangenafweging heeft plaatsgevonden, vormt dan ook geen grond voor vernietiging van de bestreden beschikking. Het bezwaar van [betrokkene] moet daarom ongegrond worden verklaard.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Raad van Beroep:

Deze uitspraak is gewezen door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, mrs. B. Nijland, en M.A. Evertsz, leden, en uitgesproken in het openbaar op 2 december 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. B.J. van Ettekoven

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?