Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La)
RAAD VAN BEROEP
Uitspraak
op het hoger beroep van:
[Appellant],
de Gouverneur van Aruba,
Uitspraakdatum: 9 februari 2026
Zaaknummer: AUA2025H00026
IN AMBTENARENZAKEN
ARUBA
wonend in Aruba,
appellant ([appellant]),
gemachtigde: mr. R.P. Lee, advocaat,
tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba (Gerecht) van 30 januari 2025, AUA202302329 (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[Appellant]
en
geïntimeerde (hierna: de gouverneur),
gemachtigde: mr. V.M. Emerencia.
Procesverloop
[Appellant] heeft hoger beroep ingesteld.
De gouverneur heeft een contramemorie ingediend.
De Raad heeft het hoger beroep behandeld op de zitting van 16 december 2025. [Appellant] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De gouverneur heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Waar gaat de zaak over?
Appellant] werkt sinds 1 juli 1997 bij de Dienst Gevangeniswezen Aruba (DGWA). Met ingang van 1 maart 2001 is hij aangesteld in de functie van ploegcommandant binnendienst en met ingang van 1 maart 2003 is hij bevorderd naar schaal 7.
Na goedkeuring op 20 augustus 2019 van het formatierapport DGWA 2019, is bij besluit van 1 november 2019 (de nieuwe organisatie van) de DGWA ingesteld. Op 18 mei 2021 is het besluit genomen de reorganisatie van DGWA met ingang van 1 januari 2021 te implementeren.
Met het landsbesluit van 17 april 2023 (inpassingsbesluit) is [appellant] met ingang van 1 januari 2021 ingepast in de functie van ploegcommandant detentie, en bevorderd naar schaal 8, dienstjaar 9. Met ingang van diezelfde datum is hij ontheven uit die functie en aangesteld als afdelingshoofd, onder de voorwaarde dat hij voor 31 december 2023 het diploma Middle Management moet halen.
appellant] heeft tegen het inpassingsbesluit bezwaar gemaakt.
Wat is het oordeel van het Gerecht?
2. Het Gerecht heeft het bezwaar van [appellant] ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Gerecht het volgende overwogen.
Het Gerecht is van oordeel dat de gouverneur de eis mag stellen dat [appellant] voor de functie van afdelingshoofd de opleiding Middle Management 1 (MM1) afrondt. Ter zitting van het Gerecht heeft de gouverneur de deadline voor het behalen van het MM1-diploma laten vallen en opgemerkt dat het behalen van dat diploma vooral moet worden gezien in het licht van de mogelijkheden van [appellant] tot bevordering naar de rang van Opzichter A Binnendienst, schaal 9.
Volgens het Gerecht mag van [appellant] worden verwacht dat hij zich inspant om de laatste module van de MM1-opleiding te halen. De gouverneur heeft zich coulant opgesteld door geen einddatum meer te hanteren voor het bepalen van het MM1-diploma. Het Gerecht is van oordeel dat het handhaven van de voorwaarde dat [appellant] de MM1-opleiding behaalt, mede in dat licht bezien niet onredelijk is.
Wat heeft [appellant] aangevoerd tegen de uitspraak van het Gerecht?
appellant] heeft aangevoerd dat de aangevallen uitspraak en het bestreden landsbesluit niet in stand kunnen blijven, omdat aan de benoeming tot afdelingshoofd geen enkele voorwaarde over het doen van een opleiding of het behalen van een diploma mag worden gesteld.
Hoe oordeelt de Raad?
Het is de vraag welke juridische betekenis de voorwaarde nog heeft dat [appellant] het MM1-diploma moet halen, nu de termijn waarbinnen dat diploma moet zijn gehaald niet meer geldt. Ter zitting van de Raad is bevestigd dat aan de benoeming van [appellant] tot afdelingshoofd niet kan worden getornd. Hij is als zodanig benoemd en dat blijft zo.
Feitelijk bevindt [appellant] zich in dezelfde situatie waarin elk vergelijkbaar afdelingshoofd binnen de DGWA in schaal 8 zich bevindt. Bevordering naar schaal 9 (in de rang van Opzichter A Binnendienst) is alleen mogelijk als [appellant] in het bezit is van het MM1-diploma.
Wat [appellant] kennelijk probeert te bereiken is op voorhand de vaststelling dat de gouverneur hem het niet halen van het MM1-diploma niet mag tegenwerpen bij een verzoek om bevordering naar schaal 9. Een dergelijke vaststelling zou volledig buiten de omvang van het geding vallen en kan dus niet worden gedaan.
Conclusie
De slotsom is dat het hoger beroep niet slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraak bevestigen.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.C. Bruning voorzitter, mr. A.H.M. van de Leur en
mr. J. Sybesma, leden, en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.