ECLI:NL:ORBAACM:2026:17

ECLI:NL:ORBAACM:2026:17

Instantie Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak 04-03-2026
Datum publicatie 05-03-2026
Zaaknummer SXM2025H00034
Rechtsgebied Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Procedure Bodemzaak

Samenvatting

Ontslag directeur Bureau Telecommunicatie en Post wegens plichtsverzuim, i.v.m. niet opgeven van nevenwerkzaamheden en onverenigbare commerciële activiteiten.

Uitspraak

Regeling Ambtenarenrechtspraak (RAr)

RAAD VAN BEROEP

Uitspraak

[naam appellant],

appellant

de Gouverneur van Sint Maarten,

Uitspraakdatum: 4 maart 2026

Zaaknummer: SXM2025H00034

IN AMBTENARENZAKEN

VAN SINT MAARTEN

op het hoger beroep van:

appellant (hierna: appellant),

gemachtigde: mr. S.R. Bommel,

tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Sint Maarten (Gerecht), van 7 april 2025, zaaknummer SXM202400752 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

en

geïntimeerde (hierna: de gouverneur),

gemachtigde: mr. R.F. Gibson.

Procesverloop

Bij brief van 21 juni 2024 heeft appellant bezwaar ingediend tegen het landsbesluit van 15 april 2024, door hem ontvangen op 23 mei 2024.

Bij de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen de aangevallen uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld.

De Raad heeft het hoger beroep behandeld op de zitting van 29 januari 2026. Appellant was aanwezig, bijgestaan door mr. S.R. Bommel. De gouverneur heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?

1. Deze zaak gaat over de vraag of de gouverneur bij landsbesluit van 15 april 2024 appellant terecht heeft ontslagen. Appellant meent van niet. De gouverneur meent van wel. Het Gerecht heeft het ontslagbesluit in stand gelaten. Tegen die uitspraak is het hoger beroep gericht.

Wat ging er aan de zaak vooraf?

2. Appellant heeft in 2005 tezamen met [naam compagnon, hierna: C] het bedrijf [naam bedrijf, hierna: bedrijf 1] opgericht, waarin zij ieder 500 aandelen hadden. Appellant heeft op zitting bij de Raad verklaard dat bedrijf 1 is opgericht om activiteiten te ontplooien op St. Kitts, te weten het exploiteren van een bioscoop. Bedrijf 1 fungeerde als holding voor – in ieder geval – een andere vennootschap, [naam bedrijf, hierna: bedrijf 2]. Appellant heeft aangegeven zich niet te hebben bemoeid met de bedrijfsvoering van de bioscoop, hij was bestuurder en ”landlord of the building”.

Vanaf 8 april 2010 heeft appellant de functie waargenomen van directeur van de overheidsorganisatie Bureau Telecommunicatie en Post (BTP), bij welk bureau hij op 1 november 2012 is benoemd tot directeur.

In december 2011 heeft bedrijf 1 een belang genomen van 35% in het bedrijf [naam bedrijf, hierna: bedrijf 3].

Op 16 maart 2012 is tussen BTP en bedrijf 3 een overeenkomst gesloten, waarmee bedrijf 3 per 12 juni 2012 nummerplanbeheerder werd tegen een vergoeding van USD 90.000.- per jaar. Deze overeenkomst is voor BTP ondertekend door [naam vertegenwoordiger BTP]. De overeenkomst is twee keer verlengd, namelijk in 2015 en 2018. Beide overeenkomsten tot verlenging zijn voor BTP getekend door appellant in zijn hoedanigheid van directeur BTP.

In 2019 is door het OM een strafrechtelijk onderzoek gestart naar mogelijke misdrijven of overtredingen door appellant, C en een derde. Appellant is in dat kader in 2019 door de landsrecherche gehoord. In juli 2021 ontving appellant van het OM het bericht dat het onderzoek nog niet was afgerond; in 2023 heeft het OM appellant een bericht van niet verdere vervolging gestuurd.

Na een onderhoud met de minister van Toerisme, Economische Zaken, Transport en Telecommunicatie (hierna: TEATT) heeft appellant zijn werkzaamheden als directeur BTP in 2019 voortgezet.

Appellant heeft zijn aandelen in bedrijf 1 overgedragen aan C en [naam andere aandeelhouder] bij overeenkomst gedateerd 15 september 2020.

Bij besluit van 13 augustus 2021 is appellant geschorst.

Het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten heeft bij uitspraak van 16 november 2021 (ECLI:NL:OGEAM:2021:160) genoemde C, de zakenpartner van appellant, veroordeeld. In die uitspraak is het volgende overwogen. Voor de leesbaarheid heeft de Raad de namen van de betrokken (rechts-)personen ingevuld:

“In het onderhavige geval had de verdachte (C), via zijn aandeelhouderschap van bedrijf 1 en het aandeelhouderschap van bedrijf 1 in bedrijf 3, een financieel belang bij het contract tussen BTP en bedrijf 3, waarbij BTP bedrijf 3 betaalde. Dit blijkt ook uit het feit dat de verdachte (C) daadwerkelijk dividend van bedrijf 3 heeft ontvangen.” (…) “De verdachte (C) heeft gehandeld met twee petten op, wat hij bovendien heeft trachten te verbergen. Het Gerecht leidt uit de tamelijk omslachtige wijze van dividenduitkering af dat de verdachte zijn (financiële) betrokkenheid via bedrijf 1 bij bedrijf 3 heeft proberen te camoufleren. Nu de verdachte voor die handelwijze geen plausibele reden heeft opgegeven, gaat het Gerecht ervan uit dat de verdachte dit heeft gedaan om verwijten van belangenverstrengeling of tegenstrijdige belangen, zoals ook [initialen, lees: appellant] die voorzag, te voorkomen.

Het hebben van een financieel belang bij bedrijf 3, (…) beschadigt de onpartijdigheid en de integriteit van het openbaar bestuur en veroorzaakt risico dat de overheid te dure en/of kwalitatief onvoldoende prestaties geleverd krijgt.”

Bij landsbesluit van 15 april 2024 is aan appellant de disciplinaire straf van ontslag opgelegd wegens plichtsverzuim. Daaraan is een voornemenprocedure vooraf gegaan. Appellant heeft op 17 januari 2024 gereageerd op het daarvoor ontvangen voornemen om hem te ontslaan.

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie heeft bij vonnis van 24 januari 2024 (ECLI:NL:OGHACMB:2024:12) het hoger beroep van C verworpen. In dat vonnis is door het Hof onder meer het volgende overwogen. Voor de leesbaarheid heeft de Raad de namen van de betrokken (rechts-)personen ingevuld:

“3.6.1 Het Hof heeft onder meer de volgende vaststellingen gedaan. De verdachte (C) was sinds oktober 2010 lid van de Staten van Sint Maarten en lid van de parlementaire commissie Toerisme, Economische Zaken, Transport en Telecommunicatie (hierna: TEATT). Samen met [getuige 1, lees appellant] heeft de verdachte het bedrijf [initiaal, lees bedrijf 1] Ltd. (hierna: [bedrijf 1]) opgericht. In december 2011 zijn de verdachte (C) en [getuige 1, appellant] via [bedrijf 1] voor 35% aandeelhouder geworden van [bedrijf 3] N.V. (hierna: [bedrijf 3]). Op 16 maart 2012 heeft de openbare rechtspersoon Bureau Telecommunicatie en Post (hierna: BTP) het nummerbeheerplan van Sint Maarten aan [bedrijf 3] uitbesteed. De betreffende overeenkomst hield in dat BTP jaarlijks USD 90.000.- aan [bedrijf 3] zou gaan betalen. De verdachte (C) heeft nagelaten zijn belang in [bedrijf 3] te melden op het moment dat deze overeenkomst werd gesloten, terwijl [bedrijf 3] door deze overeenkomst met BTP een deel van de overheidstaak ging uitvoeren waarvoor BTP direct verantwoording schuldig was aan de minister van TEATT. (…)

Over deze overeenkomst is door de COO van BTP ([getuige 4]) verklaard dat deze “foute boel” was omdat de uitbesteding van het nummerbeheerplan er niet toe leidde dat BTP inkomsten genereerde, maar dat BTP daarvoor ging betalen. Vanaf 2014 is door [bedrijf 3] dividend uitgekeerd (via [bedrijf 1]) aan de verdachte (C).”

Met het arrest van 27 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:46, heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van C verworpen met toepassing van artikel 81, eerste lid, Wet RO.

De uitspraak van het Gerecht

3. Het Gerecht is tot de conclusie gekomen dat appellant heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in de artikelen 52, 53 en 54 van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma), dat dit ernstig plichtsverzuim oplevert, dat dit plichtsverzuim aan appellant kan worden toegerekend, dat de gouverneur bevoegd was een disciplinaire sanctie aan appellant op te leggen en dat de sanctie van strafontslag niet onevenredig is. Het bezwaar van appellant is door het Gerecht ongegrond verklaard.

Het hoger beroep

4. Voor het toepasselijke wettelijke kader verwijst de Raad naar de uitspraak van het Gerecht.

De Raad stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat appellant nevenwerkzaamheden had toen hij voor BTP ging werken in 2010, toen hij als directeur van BTP werd aangesteld in 2012, en ook nog toen hij als directeur van BTP de overeenkomsten met bedrijf 3 verlengde in 2015 en 2018. De Raad stelt eveneens vast dat deze nevenwerkzaamheden en zijn aandeel in genoemde vennootschappen, mede-eigenaar van bedrijf 1 en via bedrijf 1 minderheidsaandeelhouder in bedrijf 3, door appellant niet zijn gemeld, hetgeen op grond van de Lma wel had gemoeten. Daaraan doet niet af dat appellant, zoals hij stelt, welke stelling overigens op geen enkele wijze is onderbouwd, deze nevenwerkzaamheden wel mondeling zou hebben gemeld aan de minister van TEATT. Appellant moet als waarnemend directeur van BTP sinds april 2010 op de hoogte zijn geweest van het feit dat BTP op 16 maart 2012 een overeenkomst sloot met bedrijf 3. Als directeur BTP heeft hij de driejarige overeenkomst met bedrijf 3 nog twee keer verlengd. Appellant heeft ter zitting verklaard dat hij ook toentertijd wist dat hij “twee petten” op had, namelijk enerzijds directeur BTP en anderzijds aandeelhouder in bedrijf 3, waarmee BTP een overeenkomst had gesloten. En dat die twee posities onverenigbaar waren. Hij bevond zich, in zijn woorden, “between a rock and a hard place”. Wat daar ook van zij, dit is geen rechtvaardiging voor het niet schriftelijk melden van zijn nevenwerkzaamheden en zijn aandeel in genoemde vennootschappen. De Raad komt daarom, net als het Gerecht, tot de slotsom dat appellant ernstig plichtsverzuim heeft gepleegd door dit niet op de bij wet voorgeschreven wijze te melden.

De Raad is verder van oordeel dat het Gerecht terecht heeft geoordeeld dat appellant zich ook schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 54 van de Lma. Appellant had als ambtenaar, gelet op zijn belang – via bedrijf 1 – in bedrijf 3 niet mee mogen werken aan het sluiten en verlengen van de overeenkomsten tussen BTP en bedrijf 3. Hij was daar in maart 2012 zijdelings bij betrokken, als waarnemend directeur, maar sinds november 2012 als directeur rechtstreeks. En appellant heeft zelf als directeur BTP in 2015 en 2018 de overeenkomsten tot verlenging getekend. Daarbij ging het steeds om dienstverlening door bedrijf 3 aan BTP, dus aan de overheid, waarvoor de overheid moest betalen, oftewel ten laste van de overheid.

De Raad acht niet geloofwaardig de stelling van appellant dat hij al in 2014, dus voor de eerste verlenging van de overeenkomst tussen BTP en bedrijf 3, afstand had genomen van bedrijf 1. De aandelen van appellant in bedrijf 1 zijn immers pas medio 2020 overgedragen aan C. Appellant heeft niet door verifieerbare stukken aangetoond dat zijn bemoeienis met bedrijf 1 in 2014 was gestaakt. Dat geldt ook voor de ter zitting betrokken stelling van appellant, dat C hem al in 2014 voor de overdracht van de aandelen in natura zou hebben betaald, door een stuk grond van appellant te egaliseren en van bomen te ontdoen. Maar zelfs indien ervan zou moeten worden uitgegaan dat appellant medio 2014 zijn aandeel bedrijf 1 heeft overgedragen aan C, waar de Raad niet van uitgaat, laat dat onverlet dat appellant in de periode van 2012 tot medio 2024 heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 54 van de Lma.

Daar komt nog bij dat op grond van de inmiddels onherroepelijke vonnissen van de strafrechter ervan moet worden uitgegaan dat appellant’s zakenpartner C vanaf 2014 van bedrijf 3 via bedrijf 1 dividend heeft ontvangen. Omdat appellant een identieke positie innam als C, beiden waren immers voor 50% eigenaar van bedrijf 1 en tezamen waren zij voor 35% aandeelhouder in bedrijf 3, moet ervan worden uitgegaan dat ook aan appellant sinds 2014 dividend is uitgekeerd. Zijn stelling ter zitting, dat hij nimmer enig dividend heeft ontvangen, acht de Raad zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet geloofwaardig.

Dit alles draagt bij aan het oordeel dat appellant zich niet heeft gedragen als een goed ambtenaar betaamt en dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim, dat hem kan worden toegerekend. Appellant is terecht verweten dat zijn commerciële activiteiten onverenigbaar zijn met het bekleden van een leidinggevende positie bij een overheidsdienst, gelet op de dienstverlening van bedrijf 3 aan BTP. Hij had zijn betrokkenheid bij bedrijf 1 en bedrijf 3 dienen te melden en actief moeten bijdragen aan beëindiging van deze onverenigbare posities. Dat heeft hij nagelaten en dat wordt hem terecht aangerekend. Daaraan doen de mondelinge contacten tussen appellant en de toenmalig minister van TEATT niet af.

Net als het Gerecht is de Raad van oordeel dat de gouverneur gebruik heeft mogen maken van zijn bevoegdheid om de disciplinaire straf van ontslag op te leggen. Het gegeven ontslag is niet onevenredig aan de aard en ernst van het gepleegde verzuim. Dat tussentijds is gepoogd het geschil tussen partijen in der minne op te lossen via mediation, leidt niet tot een ander oordeel.

Conclusie

De slotsom is dat het hoger beroep niet slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraak bevestigen.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

De Raad:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gewezen door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. P. Klik en mr. M.A. Evertsz, leden, en uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. B.J. van Ettekoven
  • mr. P. Klik
  • mr. M.A. Evertsz

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?