Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La)
RAAD VAN BEROEP
Uitspraak
[Verzoeker]
De Gouverneur van Aruba,
Uitspraakdatum: 6 maart 2026
Zaaknummer: AUA2025H00013
IN AMBTENARENZAKEN
ARUBA
op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van Beroep in ambtenarenzaken van Aruba van 7 juli 2021, AUA2018H00221, in de zaak van:
wonend in Aruba,
verzoeker, hierna: [verzoeker],
gemachtigde: mr. R.P. Lee, advocaat,
en
hierna: de gouverneur,
gemachtigde: mr. A.F.J. Caster.
Procesverloop
De gouverneur heeft met het landsbesluit van 11 september 2017 het verzoek van [verzoeker] te worden bevorderd naar de rang van opzichter A binnendienst (schaal 9) afgewezen.
Het Gerecht in ambtenarenzaken van Aruba heeft met de uitspraak van 5 november 2018, AUA201702699, het bezwaar van [verzoeker] tegen de afwijzing van het bevorderingsverzoek ongegrond verklaard.
Met de uitspraak van 7 juli 2021 heeft de Raad de uitspraak van het Gerecht bevestigd.
Op 16 januari 2026 heeft [verzoeker] de Raad verzocht de uitspraak van 7 juli 2021, AUA2018H00221, te herzien (herzieningsverzoek).
De gouverneur heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft het herzieningsverzoek behandeld op de zitting van 6 februari 2026. [Verzoeker] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De gouverneur heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
2. Beoordelingskader
In de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) is een regeling van de herziening van uitspraken van de ambtenarenrechter opgenomen.
Op grond van artikel 135, eerste lid, van de La is ieder die partij was in een geding, bevoegd, binnen drie maanden nadat van enige omstandigheid als in het tweede lid bedoeld is gebleken, de herziening van een onherroepelijke of onherroepelijk geworden uitspraak te verzoeken. In het tweede lid is bepaald dat de herziening wordt verzocht op de grond dat gebleken is van enige omstandigheid die bij de behandeling van het hoger beroep aan de Raad niet bekend was en die op zich zelf of in verband met andere feiten of omstandigheden ernstige twijfel doet ontstaan aan de juistheid van de uitspraak van de Raad.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie de uitspraak van 16 december 2020, ECLI:NL:ORBAACM:2020:31) is het rechtsmiddel van herziening niet bedoeld om het geschil waarover is beslist bij de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht, opnieuw aan de Raad voor te leggen. Herziening is ook niet bedoeld om een partij in de gelegenheid te stellen om argumenten die verzoeker in hoger beroep bij de Raad naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen, opnieuw of alsnog naar voren te brengen om zodoende het debat te heropenen.
De Raad stelt vast dat [verzoeker] aan zijn herzieningsverzoek uitsluitend ten grondslag heeft gelegd het landsbesluit van 17 april 2023 ten aanzien van de ambtenaar [naam ambtenaar]. [Verzoeker] stelt dat uit dit landsbesluit volgt dat hem in 2017 ten onrechte bevordering per 2008 is onthouden.
De Raad stelt vast dat het landsbesluit van 17 april 2023 betrekking heeft op eerdergenoemde [naam ambtenaar], die bij dat besluit per 1 januari 2021 is bevorderd naar de functie van ploegcommandant detentie (schaal 8, dienstjaar 9), onder de voorwaarde dat hij het diploma Middle Management 1 behaalt uiterlijk 31 december 2023.
De Raad laat in het midden of [verzoeker] tijdig heeft voldaan aan de eis gesteld in artikel 135, eerste lid, La dat de beweerdelijke relevante nieuwe feiten en/of omstandigheden binnen drie maanden naar voren moeten worden gebracht. De reden daarvoor is dat [verzoeker] er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat wordt voldaan aan de eis gesteld in het tweede lid van artikel 135. De Raad betrekt daarbij ten eerste dat het geschil van [verzoeker] een bevordering betrof naar de rang van opzichter A binnendienst en dat het landsbesluit van 17 april 2023 van [naam ambtenaar] ziet op een bevordering naar de functie van ploegcommandant detentie. Verder ging het bij [verzoeker] om bevordering naar schaal 9 per 2008 en bij [naam ambtenaar] om een bevordering naar schaal 8 per 2021. Voorts is relevant dat [verzoeker] per 1 september 2004 is geplaatst in de functie van Afdelingshoofd binnendienst en per 28 mei 2009 uit die functie is ontheven wegens het niet behalen van het vereiste diploma Middle Management 1, waarbij hij is benoemd in de functie van Hoofd Arbeid. Dit terwijl [naam ambtenaar] de functie van Afdelingshoofd binnendienst langdurig heeft waargenomen en eerst per 1 januari 2021 is ingepast in de functie van ploegcommandant detentie, onder de voorwaarde dat hij het diploma Middle Management behaalt uiterlijk 31 december 2023.
Op grond hiervan is niet gebleken van enige omstandigheid die bij de behandeling van het hoger beroep aan de Raad niet bekend was en die op zich zelf of in verband met andere feiten of omstandigheden ernstige twijfel doet ontstaan aan de juistheid van de uitspraak van de Raad van 7 juli 2021.
Conclusie
De slotsom is dat het verzoek om herziening van genoemde uitspraak van de Raad niet voor toewijzing in aanmerking komt.
Beslissing
De Raad van Beroep:
- wijst het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 7 juli 2021, AUA2018H00221, af.
Aldus gegeven door mr. B.J. van Ettekoven voorzitter, mr. J. Sybesma en
mr. P. Klik, leden, en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2026 in tegenwoordigheid van mr. M.F.G. Maes, griffier.