Regeling Ambtenarenrechtspraak (RAr)
RAAD VAN BEROEP
Uitspraak
[appellante],
de Regering van Curaçao,
Uitspraakdatum: 28 januari 2026
Zaaknummer: CUR2025H00098
IN AMBTENARENZAKEN
VAN CURACAO
op het hoger beroep van:
appellante (hierna: appellante),
gemachtigde: mr. B.L. Lie Atjam,
tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Curaçao (Gerecht), van 24 februari 2025, zaaknummer CUR202401134 (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
geïntimeerde (hierna: de regering),
gemachtigde: mr. J.G. Ricardo.
Procesverloop
Bij brief van 2 april 2024 heeft appellante bezwaar ingediend tegen het uitblijven van een beschikking van de Regering op haar verzoek van 23 mei 2023, zoals herhaald bij brief van 31 oktober 2023.
Bij de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen de aangevallen uitspraak heeft appellante hoger beroep ingesteld.
De Raad heeft het hoger beroep behandeld op de zitting van 15 januari 2026. Appellante en de regering hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Overwegingen
De gang van zaken tot nu toe
Appellante was werkzaam als interieurverzorgster bij het ministerie van Gezondheid, Milieu en Natuur (GMN) in de functie van interieurverzorgster. Appellante stelt vanaf 2012 (ook) werkzaamheden te hebben verricht als receptioniste / telefoniste. Appellante is inmiddels met pensioen.
Op 23 augustus 2012 heeft appellante de Regering verzocht haar te benoemen in een administratieve functie. Omdat zij geen reactie kreeg, heeft appellante op 20 februari 2014 bezwaar gemaakt bij het Gerecht in ambtenarenzaken tegen het niet c.q. niet tijdig beslissen op haar verzoek.
Het Gerecht heeft bij uitspraak van 22 augustus 2014 het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat was ingediend. In die uitspraak is als verwerende partij aangemerkt de minister van GMN. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.
Op 23 mei 2023 heeft appellante een verzoek ingediend om haar rechtspositie met terugwerkende kracht tot 2012 te herstellen en haar te benoemen in de administratieve functie vanwege haar werk als receptioniste / telefoniste. Omdat zij ook op dit verzoek geen reactie kreeg, heeft zij op 2 april 2024 bezwaar gemaakt bij het Gerecht tegen het niet c.q. niet tijdig beslissen op haar verzoek.
In de uitspraak van 24 februari 2025 heeft het Gerecht dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. De reden daarvoor is – kort samengevat – dat een ambtenaar een geschil niet voor een tweede keer aan de ambtenarenrechter kan voorleggen.
Het hoger beroep
2
In hoger beroep heeft appellante allereerst aangevoerd dat het Gerecht in de aangevallen uitspraak heeft miskend dat het Gerecht in de eerdere uitspraak van 22 augustus 2014 een fout heeft gemaakt door als verwerende partij de ministers van GMN en Bestuur, Planning en Dienstverlening (BPD) aan te merken in plaats van de Regering van Curaçao. Dit terwijl de Regering het bevoegd gezag is ten aanzien van benoemingsbesluiten van ambtenaren.
Deze grond slaagt niet. In de uitspraak van 22 augustus 2014 is het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard. Daartegen is geen hoger beroep ingesteld. Die uitspraak heeft daarmee gezag en kracht van gewijsde. De inhoud daarvan is mede bepalend voor eventuele vervolggeschillen. Dat in die uitspraak de twee genoemde ministers als verweerders zijn aangemerkt, in plaats van de Regering, doet daaraan niet af.
Ook de stelling van appellante dat zij in 2014 niet te laat bezwaar heeft gemaakt en dat het Gerecht dat heeft miskend, stuit af op de in rechte onaantastbare uitspraak van het Gerecht van 22 augustus 2014.
De stelling van appellante dat het Gerecht in de aangevallen uitspraak de Regering een opdracht had moeten geven om binnen een vast te stellen termijn op het verzoek van appellante van 23 augustus 2012 te beslissen, in plaats van het opnemen van een overweging ten overvloede, miskent dat als een bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard, zoals in die uitspraak is gebeurd, het Gerecht op grond van de Regeling ambtenarenrechtspraak 1951 niet de bevoegdheid toekomt om een dergelijke opdracht te geven.
De hogerberoepsgrond gericht tegen de in de aangevallen uitspraak opgenomen overweging ten overvloede slaagt niet, omdat deze niet een partijen bindend oordeel bevat en niet vatbaar is voor hoger beroep.
Voor zover appellante met de overige hogerberoepsgronden heeft willen betogen dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat een geschil niet twee maal aan de ambtenarenrechter kan worden voorgelegd, slaagt dit evenmin. Als appellante zich niet kon vinden in de uitspraak van het Gerecht dan had zij daartegen hoger beroep moeten instellen. Dat heeft zij nagelaten. Dat heeft tot gevolg dat de uitspraak van het Gerecht van 22 augustus 2014 bindend is.
Conclusie
3
De slotsom is dat het hoger beroep niet slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraak bevestigen.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Beslissing
De Raad bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gewezen door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. J. Sybesma en mr. M.A. Evertsz, leden, en uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.