ECLI:NL:ORBAACM:2026:21

ECLI:NL:ORBAACM:2026:21

Instantie Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak 11-03-2026
Datum publicatie 11-03-2026
Zaaknummer SXM2025H00060
Rechtsgebied Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

ontslag medewerker Dienst Burgerzaken wegens plichtsverzuim, i.v.m. registratie van vijftien personen waarbij niet alle procedurevoorschriften zijn nageleefd. Disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag niet evenredig aan aard en ernst van plichtsverzuim. Vernietiging uitspraak van het Gerecht.

Uitspraak

Regeling Ambtenarenrechtspraak (RAr)

RAAD VAN BEROEP

Uitspraak

[appellante],

de Gouverneur van Sint Maarten,

Uitspraakdatum: 11 maart 2026

Zaaknummer: SXM2025H00060

IN AMBTENARENZAKEN

VAN SINT MAARTEN

op het hoger beroep van:

appellante (hierna: appellante),

gemachtigde: mr. S.R. Bommel,

tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Sint Maarten (Gerecht), van 14 juli 2025, zaaknummer SXM202401397 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

geïntimeerde (hierna: de Gouverneur),

gemachtigden: mrs. Gibson en I.Z. Guardiola.

Procesverloop

Bij brief van 12 december 2024 heeft appellante bezwaar ingediend tegen het landsbesluit van 24 oktober 2024, door haar ontvangen op 12 november 2024.

Bij de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen de aangevallen uitspraak heeft appellante hoger beroep ingesteld.

De Raad heeft het hoger beroep behandeld op de zitting van 29 januari 2026. Appellante was aanwezig, bijgestaan door mr. S.R. Bommel. De Gouverneur heeft zich laten vertegenwoordigen door mrs. Guardiola en Gibson, bijgestaan door L. Hakkens en R. Mogen, beiden werkzaam bij de afdeling personeelszaken.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?

1. Deze zaak gaat over de vraag of de Gouverneur appellante terecht heeft ontslagen wegens plichtsverzuim. Appellante meent van niet. Het Gerecht heeft de Gouverneur in het gelijk gesteld. De Raad komt tot de conclusie dat appellante plichtsverzuim heeft gepleegd, dat haar kan worden toegerekend, maar dat de disciplinaire straf van ontslag een te zware sanctie is gelet op de aard, ernst en omvang van het geconstateerde plichtsverzuim. De Raad legt dat hierna uit.

Wat ging aan het ontslagbesluit vooraf?

2. Appellante is op 9 januari 2013 in dienst getreden van het Land. Bij besluit van 18 december 2020 is appellante per 1 oktober 2020 aangesteld als medewerker Back Office bij de Dienst Burgerzaken van het ministerie van Algemene Zaken.

In de periode 2022 – 2024 heeft appellante vier waarschuwingen gekregen voor het handelen in strijd met de ambtelijke (huis-)regels. Op 11 augustus 2022 ontving zij een waarschuwing voor het dragen van ‘earphones’ tijdens de dienst. Op 3 mei 2023 kreeg zij een waarschuwing voor het ten onrechte ziekmelden tijdens de carnavalsperiode. Op 14 maart 2024 ontving zij een waarschuwing vanwege het kortstondig wegblijven van de werkplek in de ochtend. Op 22 mei 2024 is appellante hiervoor nogmaals gewaarschuwd.

Appellante is werkzaam bij de dienst Burgerzaken. Zij werkt vooral in de backoffice, maar wordt ook ingedeeld bij de frontoffice. Na een periode van verlof in verband met de verkiezingen heeft appellante haar werk hervat in de laatste week van de maand mei 2024. Zij is toen ingedeeld bij de frontoffice.

In die week heeft appellante de intake gedaan van vijftien personen die geregistreerd wilden worden. Het betrof vijftien personen die op Sint Maarten waren tewerkgesteld als ‘construction workers’. De intermediair van deze vijftien personen was de heer [K]. Appellante was bekend met de heer K, omdat deze ook een cateringbedrijf heeft en zij regelmatig eten bij hem bestelde. Op dinsdag 28 mei 2024 heeft de heer K zich bij Burgerzaken gemeld voor registratie van bedoelde vijftien personen. Appellante heeft hem toen gezegd dat registratie alleen mogelijk is als de te registreren personen zelf verschijnen. Wel heeft zij toen van deze K een envelop met stukken in ontvangst genomen met betrekking tot deze vijftien personen, met daarin de voor registratie benodigde formulieren, verklaringen en kopieën. Appellante heeft op de naam van genoemde K twee afspraken ingepland van ieder tien minuten voor de registratie van de vijftien personen. De eerste afspraak was op woensdag 29 mei 2024 om 11:00 uur. Appellante heeft verklaard dat K die woensdag in de ochtend is verschenen met twee van de vijftien personen en in de middag met nog een persoon. De tweede afspraak stond ingepland op donderdag 30 mei 2024 om 10:10 uur. Appellante heeft verklaard dat de vijftien personen op de woensdag, donderdag en vrijdag zijn verschenen, dat zij die tussen andere cliënten door heeft geholpen, dat zij van alle vijftien personen de identiteit heeft gecontroleerd aan de hand van hun paspoort, dat zij de door K overhandigde stukken heeft gecontroleerd en dat ze die heeft overgedragen aan de backoffice voor registratie.

Het hoofd van de dienst Burgerzaken heeft een onderzoek ingesteld naar de handelwijze van appellante bij de intake c.q. registratie van de vijftien personen. Daarbij is geconstateerd dat zij een aantal bij registratie in acht te nemen voorschriften niet heeft nageleefd. Ten eerste zou ze ten onrechte akkoord zijn gegaan met registratie van de vijftien personen op een commercieel adres. Ten tweede zou zij de vijftien personen hebben geregistreerd zonder dat zij in persoon zijn verschenen. Ten derde zou zij niet alle documenten en paspoorten hebben gecheckt. Ten vierde zou zij onlogische apostilledata op enkele geboorteakten niet hebben opgemerkt. En ten vijfde zou zij een vertaling van een stuk hebben geaccepteerd van een niet-beëdigde vertaler.

Op 4 juni 2024 is appellante gehoord over de registratie van de vijftien personen. Van dat gehoor is een proces-verbaal opgemaakt. Daaruit blijkt dat het accent van het gehoor lag op de vraag of alle vijftien personen wel of niet persoonlijk zijn verschenen. Tevens is aan de orde gekomen dat appellante een door ene [B] vertaald stuk heeft geaccepteerd, dat deze B beëdigd vertaler is, maar niet in de Spaanse taal, terwijl het een vertaling uit het Spaans betrof.

Op 2 juli 2024 heeft een bijeenkomst plaatsgevonden georganiseerd door het Hoofd Burgerzaken met alle vijftien geregistreerde personen. Daarbij waren namens de dienst aanwezig de ambtenaren [1], [2], [3] en [4]. allen werkzaam bij de dienst Burgerzaken. Appellante was daar niet bij aanwezig.

Op 10 april 2025 hebben de ambtenaren [1], [2], [3] en [4] op verzoek van het Hoofd Burgerzaken in verband met een gerechtelijke procedure identieke verklaringen afgelegd over de bijeenkomst op 2 juli 2024. Zij hebben verklaard dat zij als getuige aanwezig waren bij de eerste inschrijving van de betrokken personen en dat die personen uitdrukkelijk hebben verklaard dat:- zij niet eerder bij de dienst Burgerzaken zijn geweest voor een eerdere inschrijving;- dit de eerste keer was dat zij zich kwamen aanmelden voor inschrijving; en- zij niet op 29, 30 of 31 mei 2024 aanwezig zijn geweest voor inschrijving of enige andere formaliteit bij de dienst Burgerzaken.

Nadat aan appellante op 2 augustus 2024 het voornemen tot ontslag was aangezegd, heeft zij op 12 augustus 2024 daarover verantwoording afgelegd. Bij landsbesluit van 24 oktober 2024 is appellante met ingang van diezelfde dag de disciplinaire straf van ontslag opgelegd.

Het oordeel van het Gerecht

3. Het Gerecht heeft geoordeeld dat de Gouverneur voldoende zorgvuldig heeft vastgesteld dat appellante vijftien personen heeft geregistreerd zonder dat deze personen persoonlijk zijn verschenen bij appellante voor het registratieproces. Daarvoor acht het Gerecht van belang:- dat er in het systeem geen afspraken zijn gevonden voor registratie van deze vijftien personen;- dat slechts twee afspraken zijn gevonden op naam van de heer K;- dat dit wordt bevestigd in de verklaringen van 10 april 2025.Het Gerecht heeft geen aanleiding gezien te twijfelen aan de juistheid van de afgelegde verklaringen. De stellingen van appellante heeft het Gerecht als ongeloofwaardig terzijde geschoven. Het Gerecht heeft verder van belang geacht dat appellante ten onrechte enkele documenten heeft geaccepteerd bij de registratie. Het Gerecht heeft de gedragingen van appellante aangemerkt als ernstig plichtsverzuim, dat appellante kan worden toegerekend. De Gouverneur was dus bevoegd een disciplinaire straf op te leggen. De sanctie van ontslag is door het Gerecht niet onevenredig geacht.

Het hoger beroep

4. Wat betreft de gedragingen van appellante in mei 2024 stelt de Raad vast dat het belangrijkste verwijt aan appellante is, dat zij vijftien personen heeft geregistreerd zonder dat die persoonlijk aan haar zijn verschenen bij de frontoffice. Anders dan het Gerecht is de Raad er niet van overtuigd dat die vijftien personen, of althans het merendeel van hen, niet eerder dan 2 juli 2024 bij Burgerzaken zijn verschenen. Daarbij betrekt de Raad de verklaringen van appellante hierover, zoals afgelegd tijdens de zitting in hoger beroep. De Raad heeft niet kunnen vaststellen welke personen zich op welke dag en welk dagdeel bij haar hebben gemeld, maar heeft wel de overtuiging gekregen dat op de betreffende woensdag, donderdag en vrijdag telkens een of enkele personen van de groep van vijftien zijn verschenen voor persoonlijke identificatie en registratie.

Anders dan het Gerecht hecht de Raad geringe waarde aan de verklaringen van de vier ambtenaren. De reden daarvoor is dat van de bijeenkomst zelf op 2 juli 2024 geen verslag is opgemaakt, zodat niet kan worden vastgesteld welke personen daar zijn verschenen, wat daar toen is besproken en welke personen zouden hebben verklaard niet eerder dan 2 juli 2024 bij de dienst Burgerzaken te zijn geweest. Verder acht de Raad van belang dat de vier verklaringen letterlijk identiek zijn, hetgeen doet vermoeden dat het niet het persoonlijk relaas betreft van de vier hiervoor genoemde ambtenaren, maar van een ander. Voorts is van belang dat de verklaringen zijn ondertekend op verzoek van het Hoofd Burgerzaken, en dat ondertekening heeft plaatsgevonden op 20 april 2025, dat wil zeggen ongeveer tien maanden na de betreffende bijeenkomst.

De Raad stelt vast dat van de zijde van de Gouverneur ter zitting is verklaard dat alle vijftien personen zijn geregistreerd, omdat zij bleken te beschikken over de juiste documenten. Het verwijt aan appellante is dus niet dat zij ten onrechte heeft bijgedragen aan de registratie van deze vijftien personen, maar dat zij de daarvoor geldende procedurevoorschriften niet heeft nageleefd. Wat het naleven van de bij registratie in acht te nemen procedurevoorschriften betreft, is de Raad met het Gerecht van oordeel dat appellante zich inderdaad op verschillende onderdelen niet aan die voorschriften heeft gehouden. Appellante had voor iedere te registreren persoon een afzonderlijke afspraak dienen in te boeken van tien minuten; dat heeft zij niet gedaan. Zij had bij de registratie van natuurlijke personen in beginsel geen commercieel adres mogen accepteren, maar moeten doorvragen naar hun woon- of verblijfplaats. Zij had een document niet mogen accepteren met een datum van apostille gelegen voor de uitgiftedatum van het betreffende document. En zij had de stukken van vertaler B niet mogen accepteren; deze B is weliswaar beëdigd vertaler, maar niet in de Spaanse taal. De Raad merkt deze gedragingen van appellante aan als plichtsverzuim. Met het Gerecht is de Raad van oordeel dat aan ambtenaren bij de dienst Burgerzaken hoge eisen van nauwgezetheid, integriteit en betrouwbaarheid mogen worden gesteld en dat appellante daarin tekort is geschoten. Dat kan haar worden aangerekend. Daarbij betrekt de Raad dat appellante eerder is aangesproken op een gebrek aan precisie en het te losjes omgaan met de registratievoorschriften. Zij was dus gewaarschuwd. De Raad ziet echter geen aanleiding de gedragingen van appellante als ernstig plichtsverzuim aan te merken, zoals het Gerecht heeft gedaan. Daarvoor is redengevend de aard van de overtredingen (procedurele voorschriften) en de ernst van die overtredingen.

Evenals het Gerecht komt de Raad tot de conclusie dat de Gouverneur bevoegd was appellante een disciplinaire straf op te leggen. Anders dan het Gerecht acht de Raad, alle omstandigheden in aanmerking nemend, de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag niet evenredig aan de aard en ernst van het gepleegde plichtsverzuim. De Raad zal daarom de uitspraak vernietigen, het bezwaar tegen het ontslagbesluit gegrond verklaren en het bestreden landsbesluit van 24 oktober 2024 vernietigen.

Ter voorlichting aan partijen overweegt de Raad dat het de Gouverneur vrij staat appellante wegens het door haar gepleegde plichtsverzuim alsnog een disciplinaire straf op te leggen. De disciplinaire straffen van schriftelijke berisping, inhouding van inkomen gedurende een of twee maanden, terugzetting naar een lagere bezoldigingstrede of voorwaardelijk ontslag (met een maximumtermijn van een jaar) acht de Raad niet onevenredig en zouden de rechterlijke toetsing op evenredigheid doorstaan. Of aan appellante alsnog een disciplinaire straf wordt opgelegd, is echter aan de Gouverneur.

Conclusie

De slotsom is dat het hoger beroep slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen, het bezwaar gegrond verklaren en het landsbesluit van 24 oktober 2024 vernietigen.

De Raad ziet aanleiding de Gouverneur te veroordelen in de proceskosten. Deze worden begroot op Cg 1.400.- voor het hoger beroep en Cg 1.400.- voor de bezwaarprocedure.

Beslissing

De Raad:

- vernietigt de uitspraak van het Gerecht van 14 juli 2025 in zaaknummer SXM202401397;- verklaart het bezwaar van appellante gegrond; - vernietigt het landsbesluit van 24 oktober 2024, no. LB-24/939;- veroordeelt de Gouverneur tot betaling aan appellante van de proceskosten aan haar zijde voor het hoger beroep en de bezwaarprocedure tot een bedrag van in totaal Cg 2.800.- (zegge: achtentwintighonderd gulden).

Deze uitspraak is gewezen door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. P. Klik en mr. M.A. Evertsz, leden, en uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. B.J. van Ettekoven
  • mr. P. Klik
  • mr. M.A. Evertsz

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?