Regeling Ambtenarenrechtspraak (RAr)
RAAD VAN BEROEP
Uitspraak
[namen zes appellanten],
appellanten
de minister van Justitie van Sint Maarten,
Uitspraakdatum: 18 maart 2026
Zaaknummers: SXM2025H00088, SXM2025H00089, SXM2025H00090, SXM2025H00091, SXM2025H00092 en SXM2025H00093
IN AMBTENARENZAKEN
VAN SINT MAARTEN
op de hoger beroepen van:
appellanten (hierna: appellanten),
gemachtigde: D.W.O. Francisca,
tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Sint Maarten (Gerecht), van 8 september 2025, zaaknummers SXM202500361, SXM202500363, SXM202500366, SXM202500367, SXM202500374 en SXM202500375 (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
en
geïntimeerde (hierna: de minister),
gemachtigde: mr. D. Schram.
Procesverloop
Bij brieven van 2, 3 en 4 december 2024 hebben appellanten bezwaren ingediend bij het Gerecht tegen het uitblijven van landsbesluiten over hun bevorderingsverzoeken van 1 en 7 augustus 2023.
Bij de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht de bezwaren ongegrond verklaard.
Tegen de aangevallen uitspraak hebben appellanten hoger beroepen ingesteld.
De Raad heeft de hoger beroepen behandeld op de zitting van 29 januari 2026. Ter zitting waren aanwezig de appellanten [appellant 6] en [appellant 2], bijgestaan door hun gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van E. Djoeneri, juridisch medewerker. Tevens was op verzoek van de Raad ter zitting aanwezig mr. Gibson, als gemachtigde van de Gouverneur van Sint Maarten.
Overwegingen
Waar gaat deze zaak over?
Deze zaak ging over het uitblijven van beslissingen op de bevorderingsverzoeken van appellanten van 1 en 7 augustus 2023. Inmiddels hebben appellanten hierover landsbesluiten ontvangen. Omdat zij het met de inhoud van die landsbesluiten niet eens zijn, hebben zij daartegen bij het Gerecht bezwaar aangetekend. Dit roept de vraag op wat het belang nog is voor appellanten bij de onderhavige procedure. De Raad gaat hierna op deze vraag in.
Wat ging er aan deze zaak vooraf?
Appellanten hebben op 1 respectievelijk 7 augustus 2023 verzoeken gedaan om hun rechtspositie recht te trekken. Zij hebben gevraagd om bevordering naar schaal 8P (trede 8).
Bij uitspraak van 5 februari 2024 heeft het Gerecht de bezwaren van appellanten niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.
In hoger beroep heeft de Raad bij uitspraak van 15 januari 2025 de uitspraak van het Gerecht van 5 februari 2024 vernietigd en de bezwaren tegen de fictieve weigeringen om appellanten te bevorderen gegrond verklaard. Daarbij is de minister opgedragen om bij de Gouverneur te bespoedigen dat deze binnen twee maanden beslissingen neemt op de bevorderingsverzoeken.
Op 18 maart 2025 hebben appellanten bezwaar gemaakt bij de minister tegen het uitblijven van beslissingen op de bevorderingsverzoeken.
Op 2, 3 en 4 april 2025 hebben appellanten bezwaarschriften ingediend als bedoeld in de artikelen 35, 41 en 96 van de RAr.
Bij uitspraak van 8 september 2025 heeft het Gerecht de bezwaren van appellanten ongegrond verklaard, omdat de gedane verzoeken niet voor toewijzing in aanmerking komen.
Tegen de uitspraak van het Gerecht hebben appellanten op 7 oktober 2025 hoger beroep ingesteld.
Op 28 november 2025 heeft de Gouverneur beslissingen genomen op de bevorderingsverzoeken van appellanten; deze zijn op 9 december 2025 aan appellanten uitgereikt.
Ter zitting hebben appellanten meegedeeld zich niet te kunnen vinden in de landsbesluiten van 28 november 2025. Zij hebben daartegen bezwaar gemaakt bij het Gerecht. De behandeling bij het Gerecht moet nog plaatsvinden.
Het oordeel van de Raad
Appellanten klagen er in hoger beroep allereerst over dat zij nog immer geen door de Gouverneur ondertekende landsbesluiten hebben mogen ontvangen.
De Raad stelt vast dat appellanten inmiddels die besluiten wel hebben gekregen, zodat dit punt achterhaald is.
De Raad stelt vast dat de door appellanten in hoger beroep naar voren gebrachte beroepsgronden met name gericht zijn tegen het uitblijven van getekende landsbesluiten en niet tegen de uitspraak van het Gerecht op de bij het Gerecht ingediende bezwaarschriften. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van het Gerecht over de bezwaren op grond van de artikelen 35 en 41 van de RAr enerzijds en artikel 96 van de RAr anderzijds en ook in de overwegingen van het Gerecht daarover. Die uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.
Zoals naar voren komt in de pleitaantekeningen van de mondelinge behandeling ter zitting bij de Raad verzoeken appellanten de Raad thans om de in hun ogen foutieve landsbesluiten te vernietigen en de minister en de Gouverneur op te dragen om correcte landsbesluiten te nemen over hun bevordering, niet alleen naar schaal 8 maar voor een aantal van hen ook naar schaal 9, met daaraan verbonden een dwangsom, vergoeding van schade en proceskosten.
De Raad gaat niet over tot een inhoudelijke beoordeling van de rechtmatigheid van de landsbesluiten, zoals door appellanten is verzocht. De reden daarvoor is dat daarover door appellanten een procedure aanhangig is gemaakt bij het Gerecht. Appellanten hebben er recht op dat hun bezwaren tegen die landsbesluiten in twee rechterlijke instanties worden beoordeeld; eerst bij het Gerecht en nadien – indien gewenst – bij de Raad van Beroep. Dat betekent dat het Gerecht nu aan zet is. Omdat de gehele procedure lang heeft geduurd, waarvoor overigens de minister excuses heeft aangeboden, zal de Raad bij het Gerecht er op aandringen om de bezwaren van appellanten – zo mogelijk – met de nodige voorrang te behandelen.
Conclusie
De slotsom is dat de hoger beroepen niet slagen. De hoger beroepen worden daarom ongegrond verklaard. De Raad zal de aangevallen uitspraak bevestigen.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. Ook het verzoek om schadevergoeding komt niet voor toewijzing in aanmerking, reeds omdat de gestelde schade niet is onderbouwd.
Beslissing
De Raad:
- verklaart de hoger beroepen ongegrond;
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst af het meer of anders gevorderde.
Deze uitspraak is gewezen door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. P. Klik en mr. M.A. Evertsz, leden, en uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.