Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La)
RAAD VAN BEROEP
Uitspraak
op het hoger beroep van:
[Appellante],
de Gouverneur van Aruba,
Uitspraakdatum: 27 maart 2026
Zaaknummer: AUA2025H00030
IN AMBTENARENZAKEN
ARUBA
wonend in Aruba,
appellante (appellante),
gemachtigde: mr. S.A. Kock, advocaat,
tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba (Gerecht) van 30 januari 2025, AUA202302414 (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[Appellante]
en
geïntimeerde (gouverneur),
gemachtigde: mr. V.M. Emerencia.
Procesverloop
[Appellante] heeft hoger beroep ingesteld.
De gouverneur heeft een contramemorie ingediend.
De Raad heeft het hoger beroep behandeld op de zitting van 5 maart 2026. [Appellante] is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. De gouverneur heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Waar gaat de zaak over?
Appellante] werkt sinds 2 december 1996 bij de Dienst Gevangeniswezen Aruba (DGWA) als bedrijfsmaatschappelijk werkster. Met ingang van 1 december 2000 is zij bevorderd naar de rang van hoofdmaatschappelijk werker (schaal 9, dienstjaar 3). Per 1 december 2002 is zij ontheven uit de rang van hoofdmaatschappelijk werker en benoemd in de administratieve rang van hoofdcommies (schaal 10, dienstjaar 1).
Na goedkeuring op 20 augustus 2019 van het formatierapport DGWA 2019 (formatierapport), is bij besluit van 1 november 2019 (de nieuwe organisatie van) de DGWA ingesteld. Op 18 mei 2021 is het besluit genomen de reorganisatie van DGWA met ingang van 1 januari 2021 te implementeren.
Met het landsbesluit van 11 april 2023 (inpassingsbesluit) is [appellante] met ingang van 1 januari 2021 ingepast in de functie van maatschappelijk werker (schaal 10, dienstjaar 9).
Appellante] heeft tegen het inpassingsbesluit bezwaar gemaakt.
Naar aanleiding van haar bezwaargrond dat zij is ingepast in een functie die zij nooit heeft vervuld, is met een landsbesluit van 30 augustus 2023 de functie waarin [appellante] is ingepast gewijzigd naar de functie van bedrijfsmaatschappelijk werker.
Appellante] wil worden ingepast in een van de drie leidinggevende functies waarvoor zij haar belangstelling heeft kenbaar gemaakt.
Wat is het oordeel van het Gerecht?
2. Het Gerecht heeft het bezwaar van [appellante] ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Gerecht het volgende overwogen.
Het Gerecht heeft vastgesteld dat [appellante] in de nieuwe organisatie is ingepast in de functie die zij al eerder vervulde en dat daarmee is gehandeld volgens het “Mens-volgt-Taak-principe” dat uitgangspunt is geweest bij de reorganisatie. Verder heeft het Gerecht geoordeeld dat in het reorganisatieproces zorgvuldig is omgegaan met de door [appellante] geuite belangstelling voor verschillende leidinggevende functies. Naar het oordeel van het Gerecht is voldoende gemotiveerd waarom [appellante] niet voor die functies in aanmerking komt.
Wat heeft [appellante] aangevoerd tegen de uitspraak van het Gerecht?
Appellante] stelt dat bij de afweging om haar in te passen in de functie van bedrijfsmaatschappelijk werker onvoldoende rekening is gehouden met haar belangen. Zij lijkt als enige bedrijfsmaatschappelijk werker binnen het KIA nimmer in aanmerking te kunnen komen voor een andere functie of een hogere rang. De functie van bedrijfsmaatschappelijk werker is steeds complexer geworden, maar er heeft geen nieuwe functiewaardering plaatsgevonden.
Appellante] betwist verder dat de functies waarvoor zij haar belangstelling heeft geuit al waren vervuld. Zij verwijst daarbij naar haar sollicitaties in 2017 en 2020 naar twee van die functies.
Verder heeft [appellante] een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Zij vindt dat haar ten onrechte het niet hebben van een WO-diploma wordt tegengeworpen en wijst op de situatie dat in november 2023 in de functie van Hoofd Bedrijfsvoering iemand is benoemd die ook niet beschikt over een WO-diploma.
Hoe oordeelt de Raad?
Wat [appellante] in het hoger beroepschrift heeft aangevoerd is een herhaling van wat zij in bezwaar heeft aangevoerd. Het Gerecht heeft op goed te volgen gronden gemotiveerd waarom de door [appellante] aangevoerde gronden niet kunnen leiden tot vernietiging van het inpassingsbesluit. De Raad kan zich daarin vinden en voegt daar het volgende aan toe.
Kort samengevat komt het erop neer dat de inpassing van [appellante] in de functie van bedrijfsmaatschappelijk werker een inpassing is volgens het aan de reorganisatie ten grondslag liggende principe “Mens-volgt-Taak”. In het kader van het inpassingsproces heeft [appellante] haar belangstelling kenbaar gemaakt voor drie leidinggevende functies. Na de beslissing om haar niet in een van die leidinggevende functies te plaatsen is een interne bezwaarprocedure gevolgd, waarbij de beslissing om [appellante] in te passen in haar eigen functie in stand is gebleven. De Raad stelt vast dat bij de inpassing de juiste procedure is gevolgd. Naast het bedrijfsbelang om [appellante] als enige bedrijfsmaatschappelijk medewerker te benoemen in haar eigen functie, is de belangrijkste overweging om [appellante] niet te benoemen in een van de drie leidinggevende functies de omstandigheid dat [appellante] niet beschikt over een WO-diploma. [appellante] beroept zich op het gelijkheidsbeginsel, maar dat beroep gaat niet op. [Appellante] heeft niet aangetoond dat in het kader van het inpassingsproces op een van die functies een ambtenaar is geplaatst die niet in het bezit was van een WO-diploma.
Het bezwaar van [appellante] dat de functie van bedrijfsmaatschappelijk werker in het kader van de reorganisatie niet is geherwaardeerd kan inhoudelijk niet worden besproken, omdat dat een besluit van algemene strekking is dat is genomen voorafgaand aan het inpassingsbesluit.
Aan wat [appellante] ter zitting heeft verteld over de afwijzing van haar sollicitatie naar de functie van Manager Detentie en de wijze waarop haar ontwikkelingstraject verloopt gaat de Raad ook voorbij. De Raad kan alleen antwoord geven op de vraag of het Gerecht het inpassingsbesluit terecht in stand heeft gelaten. Deze vraag beantwoordt de Raad bevestigend.
Conclusie
De slotsom is dat het hoger beroep niet slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraak bevestigen.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Raad bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.C. Bruning voorzitter, mr. A.H.M. van de Leur en
mr. M. Evertsz, leden, en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.