Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La)
RAAD VAN BEROEP
Uitspraak
op het hoger beroep van:
[Appellante],
de Minister van (thans) Financiën, Economische Zaken en Primaire Sector,
Uitspraakdatum: 27 maart 2026
Zaaknummer: AUA2025H00121
IN AMBTENARENZAKEN
ARUBA
wonend in Aruba,
appellante, ([appellante]),
tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba (Gerecht) van 5 mei 2025, AUA202403925 (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[Appellante]
en
geïntimeerde (minister),
gemachtigde: mr. H.F. Falconi, advocaat.
Procesverloop
[Appellante] heeft hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een contramemorie ingediend.
De Raad heeft het hoger beroep behandeld op de zitting van 5 maart 2026. [Appellante] is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Waar gaat de zaak over?
Appellante] was als ambtenaar werkzaam bij de Dienst Financiën in de functie van juridisch beleidsmedewerker. Sinds 1 februari 1997 ontving zij een schaarstetoelage van 10%. Deze schaarstetoelage is per 1 december 1998 verhoogd naar 15% en per 1 december 2020 naar 20%.
Na wijziging van het wettelijk maximaal uit te keren percentage aan schaarstetoelage van 20 naar 25 heeft de minister bij beslissing van 10 oktober 2024 (bestreden beschikking) ambtshalve de schaarstetoelage van [appellante] met ingang van 1 augustus 2024 verhoogd naar 25%.
Appellante] heeft per 6 februari 2026 de dienst verlaten. Zij ontvangt inmiddels pensioen.
Appellante] heeft op zich geen bezwaar tegen de verhoging van haar schaarstetoelage met ingang van 1 augustus 2024. Zij heeft bezwaar tegen het feit dat de schaarstetoelage pas vanaf 1 januari 2024 meetelt voor haar pensioengrondslag. De schaarstetoelage heeft zij ontvangen in afwachting van een algehele herziening van de bezoldigingsregeling, die niet is gerealiseerd. In eerste aanleg heeft zij bepleit dat een nieuwe beschikking wordt genomen waarbij haar bezoldiging, met terugwerkende kracht tot 1 januari 2011, met 50% wordt verhoogd en dat deze verhoging ook meetelt voor haar pensioenopbouw.
Wat is het oordeel van het Gerecht?
2. Het Gerecht heeft het bezwaar van [appellante] ongegrond verklaard, omdat de bezwaren van [appellante] niet zijn gericht tegen de bestreden beschikking.
Wat heeft [appellante] aangevoerd tegen de uitspraak van het Gerecht?
Appellante] heeft aangevoerd dat de minister bij het nemen van de bestreden beschikking geen rekening heeft gehouden met haar omstandigheden, namelijk het langdurig ontvangen van een schaarstetoelage van 20% en het binnen afzienbare tijd met pensioen gaan. Er ontbreekt een overgangsregeling of een hardheidsclausule en daarom is de bestreden beschikking ook onvolledig.
Appellante] heeft uiteengezet dat een algehele herziening van de bezoldigingsregeling tot gevolg zou hebben dat haar salaris zou worden aangepast en dat daardoor de pensioengrondslag automatisch wordt aangepast. Ook zonder een algehele herziening van de bezoldigingsregeling zou de schaarstetoelage kunnen meetellen bij haar pensioengrondslag, namelijk op basis van buitenwettelijk begunstigend beleid. Dat buitenwettelijk begunstigend beleid zou in een ministeriële beschikking moeten worden opgenomen en ook zou een algemeen besluit genomen moeten worden op grond waarvan de schaarstetoelage ook mee kan tellen voor het pensioen.
Hoe oordeelt de Raad?
Volgens vaste rechtspraak wordt voldoende procesbelang aangenomen als het resultaat dat met de procedure wordt nagestreefd, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor de betrokkene feitelijk betekenis kan hebben. De bestuursrechter is namelijk alleen tot het beoordelen van rechtsvragen gehouden als dit van betekenis is voor het geschil over een besluit van een bestuursorgaan. Voor de vraag of er (nog) een procesbelang bestaat, is dus relevant wat de betrokkene met het rechtsmiddel wenst te bereiken.
Kort samengevat komt het erop neer dat [appellante] op zich niet betwist dat de verhoging van haar schaarstetoelage naar 25% met ingang van 1 augustus 2024 een correct besluit is, waartegen zij op zich ook geen bezwaren heeft. De inzet van haar hoger beroep is een hoger pensioen, waarbij rekening wordt gehouden met de aan haar betaalde schaarstetoelage over de periode van 1 februari 1997 tot 1 januari 2024. Zij heeft daarvoor verschillende opties gesuggereerd, die alle neerkomen op andere regelgeving of buitenwettelijk begunstigend beleid. De Raad kan alleen oordelen over de juistheid van de verhoging van de schaarstetoelage naar 25% met ingang van 1 augustus 2024 en niet over het uitblijven van regelgeving of beleid. Dat wat [appellante] nastreeft kan zij in deze procedure niet bereiken. [Appellante] heeft dan ook geen procesbelang.
Conclusie
De slotsom is dat het hoger beroep niet ontvankelijk moet worden verklaard.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Raad verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus gegeven door mr. M.C. Bruning voorzitter, mr. A.H.M. van de Leur en
mr. M. Evertsz, leden, en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.