Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La)
RAAD VAN BEROEP
Op het hoger beroep van:
de Minister van (thans) Algemene zaken, Cultuur, Milieu en Natuur
[Betrokkene],
Uitspraakdatum: 27 maart 2026
Zaaknummer: AUA2026H00003
IN AMBTENARENZAKEN
ARUBA
appellant (minister),
gemachtigde: mr. V.M. Emerencia,
tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba (Gerecht) van 8 december 2025, AUA202501204 (aangevallen uitspraak), in het geding tussen:
appellant
en
wonend in Aruba,
geïntimeerde ([betrokkene]),
gemachtigde: mr. E. Duijneveld, advocaat.
Procesverloop
De minister heeft hoger beroep ingesteld.
[Betrokkene] heeft een contramemorie ingediend.
De Raad heeft het hoger beroep behandeld op de zitting van 6 maart 2026. Mr. J. Sybesma heeft via een videoverbinding vanuit Curaçao deelgenomen. [betrokkene] en haar gemachtigde zijn, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Waar gaat de zaak over?
Betrokkene] is als ambtenaar werkzaam op het Hulpbestuurskantoor Santa Cruz (HBKSTC). Vanaf 26 augustus 2014 neemt zij daar de functie waar van chef HBKSTC.
Op 5 juli 2016 stemt de ministerraad in met het voorstel [betrokkene] per 1 januari 2016 te plaatsen in de functie van chef HBKSTC. Bij besluit van 11 januari 2017 wordt een waarnemingstoelage aan [betrokkene] toegekend over 2014 en bij besluit van 19 november 2018 over 2015. Nadat op 22 augustus 2019 een verklaring van geen bezwaar is afgegeven, wordt [betrokkene] bij besluit van 5 augustus 2020 met ingang van 23 augustus 2019 benoemd in de functie van HBKSTC.
Op 8 september 2022 dient [betrokkene] een verzoek in om een waarnemingstoelage over de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 augustus 2019.
Bij besluit van 13 maart 2023 wordt het verzoek om een waarnemingstoelage afgewezen. De minister beroept zich op het vaste beleid dat toeslagen alleen kunnen worden toegekend met niet meer dan drie jaar terugwerkende kracht.
Wat is het oordeel van het Gerecht?
2. Het Gerecht heeft het bezwaar van [betrokkene] gegrond verklaard. Daarbij heeft het Gerecht het volgende overwogen.
Het Gerecht wijst op vaste rechtspraak dat het door de minister gevoerde beleid van drie jaar terugwerkende kracht bij bevorderingen en toekenningen van toeslagen de rechterlijke toets doorstaat. Op grond van een zorgvuldige belangenafweging dient de minister in elk individueel geval na te gaan of er sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat de minister van zijn beleid moet afwijken. Naar het oordeel van het Gerecht is het in dit geval onredelijk dat de minister zich op dit beleid beroept. Zowel [betrokkene] als de minister zijn er steeds vanuit gegaan dat de benoeming van [betrokkene] in de functie van chef HBKSTC met ingang van 1 januari 2016 zou plaatsvinden. Dat de benoeming op zich heeft laten wachten en dat [betrokkene] gedurende deze periode geen verzoek heeft ingediend om een waarnemingstoelage kan haar niet worden tegengeworpen. De minister is ervan op de hoogte dat [betrokkene] de werkzaamheden als chef HBKSTC vanaf 1 januari 2016 daadwerkelijk heeft verricht en heeft daarvan ook voordeel gehad. Een strikt formele toepassing van het beleid miskent deze feiten en leidt tot een onevenredig nadelig gevolg voor [betrokkene]. Nu de aanspraak op waarnemingstoelage rechtstreeks uit de wet voortvloeit, had het op de weg van de minister gelegen om na de benoeming van [betrokkene] tot chef HBKSTC tevens haar waarnemingstoelage vast te stellen.
Waarom is de minister het niet eens met de aangevallen uitspraak?
Volgens de minister is geen sprake van een bijzonder geval om van zijn vaste beleid af te wijken. Hij beroept zich daarbij op een uitspraak van de Raad en twee uitspraken van het Gerecht. De minister voegt daaraan toe dat het [betrokkene] kan worden verweten dat zij niet tijdig een aanvraag om waarnemingstoelage heeft ingediend. Zij was ervan op de hoogte dat zij telkens zo’n verzoek moest indienen. De minister benadrukt ook de eigen verantwoordelijkheid van [betrokkene].
Hoe oordeelt de Raad?
De minister beroept zich op een uitspraak van de Raad van 8 september 2021, ECLI:NL:ORBAACM:2021:55. In die uitspraak heeft de Raad het door de minister gevoerde en kennelijk stelselmatig toegepaste beleid van maximaal drie jaar terugwerkende kracht na het aanvragen van een toelage niet onredelijk geacht. Dit standpunt is ook verwoord in de aangevallen uitspraak en wordt nog steeds door de Raad onderschreven. Bij het toepassen van dit beleid hoort ook dat de minister moet beoordelen of sprake is van een bijzonder geval, waarin hij van zijn beleid moet afwijken. In de twee uitspraken van het Gerecht, waarnaar de minister verwijst (ECLI:NL:OGAACMB:2016:34 en ECLI:NL:OGAACMB:2025:105), heeft het Gerecht geoordeeld dat het bestendige beleid met betrekking tot de terugwerkende kracht van bevorderingen de rechterlijke toets doorstaat. Deze uitspraken gaan dus niet over het beleid met betrekking tot de terugwerkende kracht van toelagen.
De stelling dat [betrokkene] wist dat zij, ook vanaf 1 januari 2016 telkens een verzoek om waarnemingstoelage moest indienen is niet onderbouwd. Deze stelling doet ook geen recht aan de feitelijke situatie, waarin de Ministerraad in 2016 het besluit heeft genomen dat [betrokkene] met ingang van 1 januari 2016 zal worden benoemd tot chef HBKSTC. [betrokkene] had, zolang haar benoeming nog niet rond was, na afloop van elk kalenderjaar een aanvraag om waarnemingstoelage kunnen indienen. Dat zij dat niet heeft gedaan valt gezien de feitelijk, hiervoor weergegeven, situatie zonder meer te begrijpen. Als de benoeming tot chef HBKSTC, zoals de bedoeling was, per 1 januari 2016 zou zijn geëffectueerd, had [betrokkene] nooit waarnemingstoelagen over de periode vanaf 1 januari 2016 hoeven aan te vragen.
De minister heeft in hoger beroep het standpunt herhaald dat geen sprake is van een bijzonder geval om af te wijken van het beleid. Het Gerecht heeft uitvoerig en op goed te volgen wijze gemotiveerd waarom de minister in dit geval niet kan vasthouden aan zijn strikte beleid en waarom wel een bijzonder geval moet worden aangenomen. De gronden die de minister in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd hebben de Raad niet kunnen overtuigen. De Raad is bekend met de financiële achtergrond van het door de minister gevoerde beleid om bij verzoeken om bevordering en aanvragen om toelagen niet meer dan drie jaar terugwerkende kracht te verlenen. Dit financiële argument gaat in dit geval niet op. Zoals het Gerecht terecht heeft overwogen heeft [betrokkene] de werkzaamheden daadwerkelijk verricht en heeft de minister daarvan voordeel ondervonden.
Ter zitting is nog opgeworpen dat afwijken van het beleid een ongewenste precedentscheppende werking met zich meebrengt. De minister miskent met dit argument de bijzonderheid van het individuele geval. Het enkele feit dat in dit geval de minister afwijkt van zijn beleid houdt niet in, dat hij in alle volgende gevallen ook moet afwijken zijn beleid. Dat hangt van de specifieke omstandigheden van het geval af. In dat verband merkt de Raad nog het volgende op over de verantwoordelijkheid van [betrokkene] en van de minister. Terecht benadrukt de minister de eigen verantwoordelijkheid van [betrokkene]. Maar tegenover deze eigen verantwoordelijkheid van de ambtenaar staat ook de verantwoordelijkheid van de dienst en van de minister. Het zou de minister niet misstaan om in situaties als deze waarin een functie wordt waargenomen in afwachting van een benoeming in die functie, ambtshalve een waarnemingstoelage toe te kennen als de benoeming niet met terugwerkende kracht vanaf het moment van waarneming kan worden gerealiseerd. Er is geen regeling die dat verbiedt.
Conclusie
De slotsom is dat het hoger beroep niet slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraak bevestigen.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Raad bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.C. Bruning voorzitter, mr. J. Sybesma en
mr. M. Evertsz, leden, en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.