Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La)
RAAD VAN BEROEP
Uitspraak
[Verzoeker]
de minister van Justitie, hierna: de minister,
Uitspraakdatum: 27 maart 2026
Zaaknummer: AUA2026H00029 (beslissing bij voorraad)
IN AMBTENARENZAKEN
VAN ARUBA
van de voorzitter van de Raad van Beroep in ambtenarenzaken van Aruba, hierna: de voorzitter, op het verzoek om een beslissing bij voorraad van:
verzoeker, hierna: [verzoeker],
naar aanleiding van de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba (Gerecht) van 23 februari 2026, AUA202503951 (uitspraak van het Gerecht), in het geding tussen:
[Verzoeker]
en
gemachtigde: mr. Y.F.M. Kaarsbaan.
Procesverloop
[Verzoeker] heeft het Gerecht op 25 november 2025 verzocht om een beslissing bij voorraad.
Het Gerecht heeft dit verzoek in aanwezigheid van [verzoeker] behandeld op de zitting van 23 februari 2026. Het Gerecht heeft op de zitting mondeling uitspraak gedaan en het verzoek afgewezen. Deze beslissing is neergelegd in het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 23 februari 2026 van het Gerecht.
Op 26 februari 2026 heeft [verzoeker] de President van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie verzocht om een beslissing bij voorraad.
Overwegingen
Waarom heeft het Gerecht het verzoek om een beslissing bij voorraad afgewezen?
Verzoeker] is een gepensioneerde politieambtenaar. Hij heeft de minister op 27 augustus 2024 onder andere verzocht om uitbetaling van, kort samengevat, achterstallig salaris, een gratificatie, een toelage, emolumenten en vindersloon.
De minister heeft dit verzoek met de beschikking van 11 maart 2025 afgewezen. Tegen deze beschikking heeft [verzoeker] geen bezwaar gemaakt bij het Gerecht.
Zoals hiervoor vermeld heeft [verzoeker] het Gerecht op 25 november 2025 verzocht om een beslissing bij voorraad.
In de uitspraak van het Gerecht van 23 februari 2026 heeft het Gerecht gewezen op de relevante wettelijke bepalingen in de Landsverordening ambtenarenrechtspraak, hierna: La. Daaruit volgt volgens het Gerecht dat tegen een beschikking binnen een termijn van 30 dagen bezwaar kan worden gemaakt. Alleen als tijdig bezwaar is gemaakt, kan - in samenhang daarmee - een verzoek worden gedaan om een beslissing bij voorraad.
Omdat [verzoeker] geen bezwaar heeft gemaakt tegen de afwijzende beschikking van 11 maart 2025, heeft het Gerecht het verzoek tot het treffen van een beslissing bij voorraad afgewezen. Dit onder vermelding dat tegen de uitspraak geen hoger beroep mogelijk is.
Wat heeft [verzoeker] aangevoerd tegen de uitspraak van het Gerecht?
De voorzitter begrijpt uit het verzoekschrift van 26 februari 2026 dat [verzoeker] stelt dat de minister niet volledig op zijn verzoek van 27 augustus 2024 heeft beslist en dat hij daarover in de periode van maart-augustus 2025 met de minister heeft gecommuniceerd.
Verzoeker] vraagt zijn bezwaar te honoreren en het verzoek om een beslissing bij voorraad voor behandeling terug te verwijzen naar het Gerecht.
Hoe oordeelt de voorzitter van de Raad?
De voorzitter is van oordeel dat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is. De reden daarvoor is als volgt.
Vastgesteld wordt dat [verzoeker] tegen de uitspraak van het Gerecht van 23 februari 2026 geen hoger beroep heeft ingesteld. Reeds daarom is het niet mogelijk om een ontvankelijk verzoek in te dienen om een beslissing bij voorraad. De wettelijk vereiste samenhang tussen een (ontvankelijk) hoger beroep en een verzoek om een beslissing bij voorraad ontbreekt namelijk. Maar ook als [verzoeker] hoger beroep had ingesteld, of alsnog zou instellen, tegen de uitspraak van 23 februari 2026 is een verzoek om een beslissing bij voorraad niet mogelijk. De reden daarvoor is dat de uitspraak van het Gerecht een beslissing op het verzoek van [verzoeker] om een beslissing bij voorraad te treffen is. Uit artikel 94, vierde lid, van de La volgt dat tegen een uitspraak van het Gerecht op een verzoek om een beslissing bij voorraad geen hoger beroep mogelijk is. Daarbij is niet van belang of het verzoek is toegewezen of afgewezen. Als geen ontvankelijk hoger beroep mogelijk is, kan evenmin bij de hoger beroepsrechter een beslissing bij voorraad worden gevraagd.
Omdat het verzoek van [verzoeker] van 26 februari 2026 kennelijk niet ontvankelijk is, wordt het verzoek niet inhoudelijk behandeld en wordt ervan afgezien om het verzoek op een zitting te behandelen.
Conclusie
4. Het verzoek van [verzoeker] van 26 februari 2026 is kennelijk niet-ontvankelijk. Hieruit volgt dat er geen grond is om zijn verzoek terug te verwijzen naar het Gerecht.
5. Er is geen aanleiding voor vergoeding van de proceskosten.
Beslissing
De voorzitter van de Raad van Beroep in ambtenarenzaken van Aruba:
- verklaart het verzoek om een beslissing bij voorraad niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gewezen door mr. B.J. Ettekoven, voorzitter, en uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.