Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La)
RAAD VAN BEROEP
Uitspraak
op het hoger beroep van:
DE MINISTER VAN JUSTITIE EN SOCIALE ZAKEN,
1. [betrokken 1];
2. [betrokkene 2];
3. [betrokkene 3];
4. [betrokkene 4];
Uitspraakdatum: 27 maart 2026
Zaaknummer: AUA2025H00081 tot en met AUA2025H00084
IN AMBTENARENZAKEN
ARUBA
appellant, hierna: de minister,
gemachtigde: mr. V.M. Emerencia,
tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba (Gerecht) van 5 maart 2025, AUA202301550 tot en met AUA202301554 (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
de minister
en
allen wonend in Aruba,
geïntimeerden, hierna: de politieambtenaren,
gemachtigde: mr. R. Marchena.
Procesverloop
De minister heeft hoger beroep ingesteld.
De politieambtenaren hebben een verweerschrift ingediend
De Raad heeft het hoger beroep behandeld op de zitting van 5 februari 2026. De politieambtenaren waren allen aanwezig, bijgestaan door hun gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Waar gaat de zaak over?
1. Deze zaak gaat over de vraag of de minister bij afzonderlijke beschikkingen van 14 maart 2023 (bestreden beschikkingen) terecht heeft geweigerd de politieambtenaren een toelage van Afl 750,- per maand toe te kennen. De Raad beantwoordt die vraag ontkennend, net als het Gerecht heeft gedaan in de aangevallen uitspraak. De Raad legt dit hierna verder uit.
Wat is het oordeel van het Gerecht?
Het Gerecht heeft de bezwaren van de politieambtenaren tegen de bestreden beschikkingen gegrond verklaard, deze vernietigd en de minister opgedragen binnen drie maanden nieuwe beslissingen op de aanvragen te nemen met inachtneming van het oordeel van het Gerecht. Naar het oordeel van het Gerecht zijn de bestreden beschikkingen niet voorzien van een deugdelijke motivering. De minister heeft niet gemotiveerd waarom de werkzaamheden van de politieambtenaren voor de Unit Helicopter, hierna: UH-werkzaamheden, niet bijzonder van aard zijn of vanwege het bijzondere karakter niet uniek zijn voor de functies binnen de overheid. De minister heeft volgens het Gerecht evenmin aannemelijk gemaakt dat de UH-werkzaamheden overeenkomen met de reguliere taken van de politieambtenaren en dat bij hun bezoldiging al rekening is gehouden met het gevarencomponent van de UH-werkzaamheden.
Het Gerecht heeft verder nog geoordeeld dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt omdat de politieambtenaren niet aannemelijk hebben gemaakt dat de UH-werkzaamheden vergelijkbaar zijn aan die van het arrestatieteam (AT).
Tot slot heeft het Gerecht het standpunt van de minister dat toekennen van de toelagen nadelige financiële gevolgen voor het Land heeft, buiten bespreking gelaten. Het Gerecht heeft er daarbij op gewezen dat eventuele financiële gevolgen niet aan de motivering van de bestreden beschikkingen ten grondslag zijn gelegd.
Wat heeft de minister aangevoerd tegen de uitspraak van het Gerecht?
3. De minister is het niet eens met de uitspraak van het Gerecht. In de kern betoogt de minister dat voldoende is onderbouwd dat de UH-werkzaamheden geen bijzonder karakter hebben. Het enige bijzondere aan de UH-werkzaamheden is dat de politieambtenaren onregelmatig werden opgeroepen. De minister herhaalt zijn standpunt dat de gevarencomponent in de UH-werkzaamheden niet verschilt van de gangbare werkzaamheden van politieambtenaren en al is verdisconteerd in hun salaris. Tot slot wijst de minister erop dat de nadelige financiële gevolgen van het toekennen van een toelage wel degelijk een rol hebben gepeeld bij de weigering de toelagen toe te kennen.
Wat is het verweer van de politieambtenaren?
4. Allereerst betogen de politieambtenaren dat het hoger beroep van de minister niet-ontvankelijk is omdat de Raad de minister ten onrechte een hersteltermijn heeft gegeven voor het indienen van de gronden. Wat betreft de inhoud van de zaak hebben de politieambtenaren nader onderbouwd waarom naar hun mening de UH-werkzaamheden bijzonder van aard zijn en afwijken van hun reguliere werkzaamheden. Verder stellen de politieambtenaren dat de minister ook in hoger beroep niet heeft onderbouwd dat de gevarencomponent in de UH-werkzaamheden in hun salaris is verdisconteerd. Zij hebben tabellen van de hoofdschalen van de functies bij het Korps Politie Aruba, hierna: KPA, overgelegd waaruit volgens hen de gestelde verdiscontering niet is op te maken. Tot slot zijn de politieambtenaren het met het Gerecht eens dat de afwijzing van de toelagen in de bestreden beschikkingen niet is gebaseerd op financiële overwegingen. De politieambtenaren betogen tot slot dat de UH-werkzaamheden vergelijkbaar zijn met de werkzaamheden van politieambtenaren in verschillende andere teams binnen het KPA die wel een toelage ontvangen.
Hoe oordeelt de Raad?
Anders dan de politieambtenaren betogen, volgt uit artikel 105 van de La niet dat verlenging van een gegeven termijn voor het indienen van de gronden van het hoger beroep is uitgesloten indien tijdig is verzocht om verlenging. De minister heeft tijdig verzocht om verlenging en binnen de verlengde termijn de gronden ingediend. Dit betekent dat de Raad geen aanleiding ziet het hoger beroep van de minister niet-ontvankelijk te verklaren.
Op grond van artikel 25, eerste lid, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht, hierna: Lma, kan aan een ambtenaar een toelage toegekend worden indien zijn positie of taak een bijzonder karakter draagt. Uit paragraaf 4.1.1. onder b van het Handboek Rechtspositionele Regelingen Aruba 2009 volgt wat onder een positie of taak met een bijzonder karakter moet worden verstaan. Ambtenaren, die naast hun eigenlijke functie andersoortige werkzaamheden verrichten die veel afwijken van hun functie, kunnen in aanmerking kunnen komen voor een toelage op grond van artikel 25 van de Lma.
Gelet op het betoog van de minister in hoger beroep ziet de Raad zich allereerst gesteld voor de vraag of de UH-werkzaamheden van de politieambtenaren een bijzonder karakter hebben en in relevante mate afwijken van hun eigen werkzaamheden bij het KPA.
Vaststaat dat de politieambtenaren formeel zijn ingedeeld bij het Flexteam van het KPA. Het Flexteam is in 2016 opgericht met als specifiek doel om de handhaving van de openbare orde te verbeteren. De politieambtenaren zijn vanuit hun district in dit Flexteam geplaatst. Vervolgens zijn zij ook alle vier in maart 2019 bij de UH ingedeeld. Ter zitting is als volgt toegelicht wat de UH-werkzaamheden inhouden.
De UH-werkzaamheden van de politieambtenaren omvatten het meevliegen met de helicopter van de UH. De vluchten bestonden uit noodvluchten, aangewezen vluchten en reguliere surveillancevluchten. De vluchten werden uitgevoerd gedurende vijf jaar, namelijk in de periode van maart 2019 tot en met februari 2024.
In het eerste jaar maakte de helicopter van de UH ongeveer 36 vlieguren per maand. De politieambtenaren namen per duo om en om deel aan de luchtoperaties. Gemiddeld besteedde een politieambtenaar 18 tot 20 uur per maand aan de UH-werkzaamheden. Deze werkzaamheden werden verricht tijdens hun werktijd bij het Flexteam. In verband met mogelijke ongeplande vluchten moesten de politieambtenaren voortdurend (24/7) beschikbaar zijn. De politieambtenaren hebben tegen hun wens in geen speciale training of opleiding voor hun inzet bij de UH gevolgd. Er werd echter wel een beroep op bepaalde vaardigheden gedaan, bijvoorbeeld bij transportvluchten, zoekacties, evacuaties en het ophalen van drenkelingen. Uiteindelijk hebben de politieambtenaren de benodigde vaardigheden voor de UH-werkzaamheden geleerd in de praktijk.
De Raad stelt op grond van de toelichting op de zitting en de dossierstukken vast dat de UH-werkzaamheden specifieke inzet en vaardigheden, voortdurende beschikbaarheid en deelname aan verschillende luchtoperaties vereisen. Deze kenmerken en vereisten onderscheiden zich duidelijk van de reguliere werkzaamheden van de politieambtenaren bij het Flexteam. Zonder nadere toelichting, die ook in hoger beroep ontbreekt, kan daarom niet worden volgehouden dat deze werkzaamheden geen bijzonder karakter hebben en naar aard en risico niet afwijken van de functie van de politieambtenaren bij het Flexteam.
De Raad stelt vast dat de minister aan politieambtenaren werkzaam bij Bureau Operationele Expertise (BOE), het Arrestatieteam (AT), de Landsrecherche en het Bureau Integriteit en Veiligheid (BIV) toelagen verstrekt in verband met werkzaamheden met een bijzonder karakter die in relevante mate afwijken van hun regulier politiewerk, terwijl aan de politieambtenaren voor hun UH-werkzaamheden geen toelage wordt verstrekt. De Raad is van oordeel dat de minister er niet in is geslaagd te onderbouwen waarom de werkzaamheden van de politieambtenaren in de vier genoemde eenheden wel een bijzondere karakter dragen dat afwijkt van het reguliere werk van die politieambtenaren en dat van UH-werkzaamheden niet. De Raad tekent daarbij aan dat de werkzaamheden bij de genoemde afdelingen zich net zoals bij de UH-werkzaamheden onderscheiden op het gebied van bijzondere inzet, specifieke taken en verhoogde risico’s.
Daarnaast heeft de minister zijn stelling dat de gevarencomponent van de UH-werkzaamheden reeds in het salaris van de politieambtenaren is verdisconteerd ook in hoger beroep op geen enkele wijze nader onderbouwd. De minister heeft geen salarisstructuur, functiewaardering of andere beleidsstukken overgelegd waaruit blijkt dat bij de bezoldiging van de betrokken politieambtenaren rekening is gehouden met de specifieke risico’s en verantwoordelijkheden die samenhangen met UH-werkzaamheden. Het Gerecht heeft daarom terecht geoordeeld dat ook deze stelling onvoldoende is gemotiveerd en de bestreden weigering niet kan dragen.
Los van het feit dat de minister aan de bestreden beschikkingen geen financiële of budgettaire overwegingen ten grondslag heeft gelegd, heeft de minister niet aannemelijk gemaakt dat toekenning van de verzochte toelagen tot onoverkomelijke budgettaire of financiële gevolgen leidt. Het gaat immers om vier politieambtenaren en toelagen over een afgebakende periode van vijf jaar. Daar komt bij dat de toelagen voor politieambtenaren van genoemde vier eenheden een aanzienlijk grotere groep personen betreft en de toelagen aan die groep een structureel karakter hebben, terwijl de betaling daarvan kennelijk niet leidt tot financiële problemen.
Conclusie
De slotsom is dat het Gerecht terecht heeft geoordeeld dat de minister de afwijzing van de toelagen in de bestreden beschikkingen onvoldoende heeft gemotiveerd. Het hoger beroep van de minister slaagt daarom niet. Het Gerecht heeft de bestreden beschikkingen terecht vernietigd en de minister opgedragen nieuwe beslissingen te nemen op het verzoek van de politieambtenaren hen een toelage te verlenen.
In het kader van de finale geschilbeslechting ligt vervolgens de vraag voor of de minister met een toereikende motivering de verzochte toelagen alsnog zou kunnen weigeren. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
Naar het oordeel van de Raad, zoals volgt uit de overwegingen 5.3 tot en met 5.6, moeten de UH-werkzaamheden van de politieambtenaren aangemerkt worden als bijzonder van aard en in relevante mate afwijkend van hun reguliere werkzaamheden. Daarmee is voldaan aan de in artikel 25 van de Lma en het daarop gebaseerde beleid neergelegde voorwaarden voor verlenen van een toelage. De minister was dan ook bevoegd de toelagen toe te kennen. Zoals volgt uit deze uitspraak heeft de minister onvoldoende argumenten aangevoerd die rechtvaardigen dat van deze bevoegdheid geen gebruik kan worden gemaakt. Niet is gebleken van andere argumenten die aan het alsnog honoreren van de aanvragen in de weg staan. Dat leidt de Raad tot het oordeel dat de minister bij het nemen van nieuwe beslissingen op de aanvragen om een toelage van de politieambtenaren er in redelijkheid niet van kan afzien gebruik te maken van zijn bevoegdheid deze toelage te verlenen.
De Raad wijst de minister er daarbij nog op dat de aanvragen van de politieambtenaren om een toelage zien op de periode waarin zij de UH-werkzaamheden hebben verricht, te weten van maart 2019 tot en met februari 2024.
7. De Raad zal de minister veroordelen de in hoger beroep gemaakte proceskosten van de politieambtenaren te betalen voor de aan hen verleende rechtsbijstand. Deze kosten stelt de Raad op Afl. 1.400,- (1 punt voor het verweerschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting) met een waarde per punt van Afl. 700,-.
Beslissing
De Raad van Beroep:
Aldus gegeven door mr. B.J. van Ettekoven voorzitter, mr. J. Sybesma en
mr. P. Klik, leden, en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.