Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La)
RAAD VAN BEROEP
Uitspraak
op het hoger beroep van:
[Appellante],
De Gouverneur van Aruba,
Uitspraakdatum: 27 maart 2026
Zaaknummer: AUA2025H00234
IN AMBTENARENZAKEN
ARUBA
appellante, hierna: [appellante]
tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba (Gerecht) van 15 september 2025, AUA202402502 (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[Appellante]
en
geïntimeerde, hierna: de gouverneur,
gemachtigde: mr. T. Loopstok.
Procesverloop
[Appellante] heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.
De gouverneur heeft een verweerschrift met bijlagen ingediend.
De Raad heeft het hoger beroep behandeld op de zitting van 6 februari 2026. [Appellante] is verschenen. De gouverneur heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.
Overwegingen
Waar gaat de zaak over?
1. Deze zaak gaat over de vraag of de gouverneur met het landsbesluit van 18 juni 2024 (correctiebesluit) de vermelding van de maximale waardering van de functie van [appellante], administratief medewerkster bij de Directie Volksgezondheid (DVG), heeft mogen corrigeren van schaal 6 naar schaal 5. Net als het Gerecht beantwoordt de Raad deze vraag bevestigend. De Raad legt dat hieronder verder uit.
Wat is het oordeel van het Gerecht?
2. Het Gerecht heeft het bezwaar van [appellante] ongegrond verklaard. Het Gerecht heeft daarbij overwogen dat de gouverneur voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de vermelding van schaal 6 in de landsbesluiten van 18 november 2015 en van 20 (lees: 14) februari 2024 op een fout berust. Volgens het Gerecht staat voldoende vast dat de functie van administratief medewerkster binnen de DVG maximaal is gewaardeerd op schaal 5. Verder heeft het Gerecht geoordeeld dat [appellante] onvoldoende heeft onderbouwd dat haar werk op de afdeling Dienst Besmettelijke Ziekten (DBZ) zwaarder is en daarom hoger gewaardeerd zou moeten worden. Tot slot is het Gerecht van oordeel dat het evenredigheidsbeginsel niet is geschonden alleen al omdat het correctiebesluit geen directe nadelige gevolgen heeft voor de rechtspositie van [appellante].
Wat heeft [appellante] aangevoerd tegen de uitspraak van het Gerecht?
3. [ Appellante] heeft in hoger beroep, samengevat weergegeven, het volgende aangevoerd. Zij betwist dat haar functie maximaal op schaal 5 is gewaardeerd en stelt dat het door de gouverneur overgelegde formatierapport niet formeel is vastgesteld. Daarnaast stelt [appellante] dat de inhoud van haar functie een waardering op schaal 6 rechtvaardigt en dat uit het functiehuis van het Land Aruba blijkt dat vergelijkbare administratieve functies op schaal 6 of hoger zijn gewaardeerd, zodat het gelijkheidsbeginsel is geschonden.
Verder voert [appellante] aan dat het correctiebesluit in strijd is met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, omdat zij er vanaf 2015 op mocht vertrouwen dat zij te zijner tijd in haar functie zou kunnen doorgroeien naar schaal 6.
Hoe luidt het verweer van de gouverneur?
4. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat de functie van [appellante] maximaal is gewaardeerd op schaal 5 heeft de gouverneur functiewaarderingsgegevens en verschillende landsbesluiten van collega’s van [appellante] overgelegd. In deze landsbesluiten is (gecorrigeerd) schaal 5 als maximale functiewaardering voor de functie van administratief medewerker vermeld. De door [appellante] gemaakte vergelijking met administratieve functies bij andere diensten is niet relevant omdat per dienst en per formatieplan de functiewaardering wordt vastgesteld. Verder stelt de gouverneur dat [appellante] niet is benadeeld door het correctiebesluit, zodat noch het rechtszekerheidsbeginsel, noch het vertrouwensbeginsel is geschonden.
Hoe oordeelt de Raad?
De Raad stelt voorop dat in deze procedure niet de waardering van de functie van [appellante] ter beoordeling voorligt maar uitsluitend de vraag of de gouverneur de eerdere vermelding van schaal 6 als de maximale functiewaardering heeft mogen corrigeren in schaal 5. De Raad ziet dan ook geen aanleiding in te gaan op de stelling van [appellante] dat haar functie, gelet op de zwaarte van de werkzaamheden of in vergelijking met andere functies binnen de overheid, een waardering op schaal 6 rechtvaardigt. Die stelling valt buiten de omvang van dit geding.
Voor het antwoord op de hier voorliggende vraag moet eerst worden vastgesteld dat de vermelding van schaal 6 berust op een fout omdat de functie van [appellante] maximaal is gewaardeerd op schaal 5.
De Raad is net als het Gerecht van oordeel dat de gouverneur met de overgelegde stukken, waaronder het Functie Inventarisatie Formulier (FIF), het formatieoverzicht van de DVG en het functiewaarderingsformulier, voldoende heeft onderbouwd dat de functie van administratief medewerker bij DVG maximaal is gewaardeerd op schaal 5. Dat het formatierapport nog niet definitief is vastgesteld maakt dit niet anders. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat ook in de overgelegde landsbesluiten van de directe collega’s van [appellante] schaal 5 is vermeld als maximale functiewaardering, dan wel dat deze bij onjuistheden daarover zijn gecorrigeerd in schaal 5.
Gelet hierop concludeert de Raad dat de vermelding van schaal 6 in de landsbesluiten van november 2015 en februari 2024 berust op een onjuiste weergave van de geldende functiewaardering van de functie van [appellante] en daarmee op een fout.
Zoals het Gerecht terecht heeft overwogen, was en is de gouverneur in beginsel bevoegd een gemaakte fout in een besluit te herstellen. Dit is slechts anders als daarmee wordt gehandeld in strijd met enig rechtsbeginsel of algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, zoals het rechtszekerheidsbeginsel. Van een dergelijke strijd is ook de Raad niet gebleken. [Appellante] is met ingang van 1 mei 2023 bevorderd naar schaal 5 zodat de wijziging van de maximale functiewaardering in het correctiebesluit van schaal 6 naar schaal 5 geen enkele invloed heeft gehad op haar actuele rechtspositie.
Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. De Raad overweegt in dat kader allereerst dat [appellante] er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat zij medio 2015 heeft verzocht om overplaatsing naar de functie van administratief medewerkster bij de DVG met het oog op de maximale inschaling van schaal 6. [Appellante] heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat haar bij de indiensttreding in juni 2015 mondeling is toegezegd dat haar functie maximaal was gewaardeerd op schaal 6. De Raad is van oordeel dat de enkele foutieve vermelding van schaal 6 in de landsbesluiten van november 2015 en februari 2024 niet een ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging tot een bevordering naar schaal 6 in de toekomst inhoudt. Ten tijde van het correctiebesluit was een eventuele bevordering naar schaal 6 niet aan de orde. Een teleurgestelde toekomstverwachting is onvoldoende voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de gouverneur bevoegd was de fout te corrigeren en dat hij van die bevoegdheid gebruik heeft mogen maken.
Conclusie
6. De slotsom is dat het hoger beroep niet slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraak bevestigen.
7. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling van proceskosten in hoger beroep
Beslissing
De Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. B.J. van Ettekoven voorzitter, mr. J. Sybesma en
mr. P. Klik, leden, en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.