Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La)
RAAD VAN BEROEP
Uitspraak
op het hoger beroep van:
De Gouverneur van Aruba,
[Betrokkene],
Uitspraakdatum: 14 april 2026
Zaaknummer: AUA2025H00073
IN AMBTENARENZAKEN
ARUBA
appellant, hierna: de gouverneur,
gemachtigde: mr. C.L. Geerman,
tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba (Gerecht) van 17 februari 2025, AUA202303579 (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
de gouverneur
en
geïntimeerde, hierna: [betrokkene],
gemachtigde: mr. D.G. Illes, advocaat.
Procesverloop
De gouverneur heeft tegen de aangevallen uitspraak hoger beroep ingesteld.
De Raad heeft het hoger beroep behandeld op de zitting van 5 februari 2026. De gouverneur heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. [betrokkene] is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.
Na de zitting heeft de Raad de gouverneur een aantal vragen voorgelegd. Met de “akte aanvullende stukken” van 5 maart 2026 (met bijlagen) heeft de gouverneur gereageerd op de vragen van de Raad. [betrokkene] heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid hierop te reageren. De Raad heeft daarop het onderzoek gesloten en bepaald dat uitspraak wordt gedaan.
Overwegingen
Waar gaat de zaak over?
Betrokkene] werkt sinds 14 juli 2014 bij het Departamento di Progreso Laboral (DPL) in de functie van medewerker toelating arbeidsmarkt (schaal 8). In de periode van augustus 2018 tot oktober 2023 heeft zij feitelijk werkzaamheden verricht in de functie van adviseur toelating arbeidsmarkt (schaal 11). Op 29 augustus 2018 heeft zij verzocht om plaatsing in deze functie.
Net als bij het Gerecht ligt in hoger beroep de vraag voor of de gouverneur het verzoek van [betrokkene] om interne overplaatsing naar de functie van adviseur toelating arbeidsmarkt terecht heeft afgewezen met het bestreden landsbesluit van 7 september 2023 (hierna: bestreden besluit). Het Gerecht heeft het bestreden besluit vernietigd. Anders dan het Gerecht komt de Raad tot het oordeel dat het bestreden besluit in stand kan blijven. De Raad licht dat hierna toe.
Wat is het oordeel van het Gerecht?
2. Het Gerecht heeft het bezwaar tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de gouverneur met inachtneming van de uitspraak een nieuwe beslissing neemt op het overplaatsingsverzoek van [betrokkene]. Het Gerecht heeft daarbij overwogen dat de gouverneur onvoldoende heeft gemotiveerd dat [betrokkene] niet beschikt over het voor de functie van adviseur toelating arbeidsmarkt vereiste hbo werk-en denkniveau. De door de gouverneur overgelegde productiecijfers en de gestelde duur van het ziekteverzuim van [betrokkene] acht het Gerecht daarvoor onvoldoende.
Voor wat betreft de tweede afwijzingsgrond heeft het Gerecht geoordeeld dat de gouverneur [betrokkene] niet kan tegenwerpen dat er geen formatieplaats beschikbaar is, nu feitelijk meer personen in de functie werkzaam zijn dan het formele aantal van vier fte’s. Volgens het Gerecht dient de gouverneur eerst te beoordelen of [betrokkene] geschikt is voor de functie en vervolgens te bezien op welke wijze een plaatsing kan worden gerealiseerd.
Wat heeft de gouverneur aangevoerd tegen de uitspraak van het Gerecht?
3. De gouverneur heeft in hoger beroep herhaald dat [betrokkene] niet beschikt over het vereiste werk- en denkniveau voor de functie van adviseur toelating arbeidsmarkt. Volgens de gouverneur blijkt uit de overgelegde productiecijfers van [betrokkene] dat zij in vergelijking met die van haar collega’s veel minder produceert. Daarnaast wijst de gouverneur op de ziekteverzuimcijfers van [betrokkene] en herhaalt hij zijn standpunt dat het mavo-diploma van [betrokkene] niet voldoet aan het vereiste hbo-niveau. Over het ontbreken van een beschikbare formatieplaats heeft de gouverneur aangevoerd dat er weliswaar zes personen werkzaam zijn geweest als adviseur toelating arbeidsmarkt, maar dat uit het formatierapport volgt dat er slechts vier FTE formatieplaatsen voor de functie beschikbaar zijn. De andere twee adviseurs zijn bovenformatief geplaatst.
Hoe oordeelt de Raad?
Voldoet [betrokkene] aan het vereiste werk- en denkniveau?
Evenals het Gerecht is de Raad van oordeel dat de gouverneur onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [betrokkene] niet voldoet aan het vereiste hbo werk- en denkniveau. Allereerst acht de Raad van belang dat [betrokkene] gedurende een periode van vijf jaar feitelijk werkzaamheden heeft verricht als adviseur toelating arbeidsmarkt zonder dat is gebleken dat zij niet voldoende functioneerde. De door de gouverneur overgelegde overzichten over de productie van [betrokkene] en de duur van haar ziekteverzuim vormen naar het oordeel van de Raad geen geschikte maatstaf voor de beoordeling van het werk- en denkniveau. Deze gegevens zien voornamelijk op de kwantiteit van het werk en de inzetbaarheid, en geven geen inzicht in de inhoudelijke kwaliteit van het functioneren van [betrokkene]. Het Gerecht heeft dan ook terecht geoordeeld dat aan het bestreden landsbesluit in zoverre een motiveringsgebrek kleeft en het ontbreken van het vereiste werk- en denkniveau niet aan de afwijzing ten grondslag kan worden gelegd.
Kan [betrokkene] tegengeworpen worden dat er geen formatieplaats beschikbaar was? 4.2. De gouverneur heeft op verzoek van de Raad nadere informatie overgelegd over de formele en feitelijke bezetting van de functie van adviseur toelating arbeidsmarkt bij het DPL in de periode van augustus 2018 tot oktober 2023.
Uit deze informatie volgt dat er vier formele formatieplaatsen zijn voor de betreffende functie. Verder heeft de gouverneur met het overgelegde overzicht met toelichting en de landsbesluiten van de toenmalige collega’s van [betrokkene] inzichtelijk gemaakt dat in juli 2011 (2x), juli 2015 en januari 2019 (2x) adviseurs toelating arbeidsmarkt zijn geplaatst bij DPL. Daarnaast is op 2 mei 2018 een adviseur aangesteld op basis van een arbeidsovereenkomst. Vanaf januari 2019 werkten er dus zes adviseurs waarvan twee boven de beschikbare formatie.
Op basis van de overgelegde gegevens heeft de gouverneur voldoende onderbouwd dat ten tijde van het bestreden besluit de vier beschikbare formatieplaatsen waren bezet en er dus geen formatieplaats beschikbaar was om [betrokkene] te benoemen in de functie van adviseur toelating arbeidsmarkt. Voor zover er in de loop van 2018 wel een vacature en een formatieplaats beschikbaar was, moet worden vastgesteld dat die per januari 2019 reeds is vervuld, waarmee de vier fte formatieplaatsen waren bezet. De gouverneur was en is niet gehouden om het aantal formele formatieplaatsen uit te breiden om aan het verzoek van [betrokkene] te kunnen voldoen. Dat er boven formatief op de afdeling adviseurs werkzaam zijn en zijn geweest, leidt niet tot een ander oordeel, omdat het aantal beschikbare formele formatieplaatsen niet is gewijzigd.
Conclusie
5. De slotsom is dat de Raad evenals het Gerecht van oordeel is dat het bestreden landsbesluit een motiveringsgebrek bevat ten aanzien van het gestelde ontbreken van het vereiste werk- en denkniveau. Dit is echter onvoldoende reden voor vernietiging van dit besluit, omdat het een tweede weigeringsgrond bevat die de rechterlijke toets kan doorstaan. De gouverneur heeft aan de weigering [betrokkene] over te plaatsen en te benoemen in de functie van adviseur toelating arbeidsmarkt namelijk terecht ten grondslag gelegd dat daarvoor de benodigde formatieplaats ontbrak. Dit betekent dat het hoger beroep van de gouverneur slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Het bezwaar van [betrokkene] zal alsnog ongegrond worden verklaard.
6. De gouverneur heeft op 5 maart 2026 ten aanzien van een overgelegd stuk verzocht om beperkte kennisneming vanwege het vertrouwelijke karakter van dat stuk. Nu er geen aanleiding is dit stuk bij de beoordeling te betrekken en dit stuk niet van betekenis is voor de uitkomst van het hoger beroep, is het verzoek om beperkte kennisneming daarmee achterhaald.
7. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling van proceskosten in hoger beroep.
Beslissing
De Raad van Beroep:
-vernietigt de aangevallen uitspraak;
-verklaart het bezwaar van [betrokkene] tegen het bestreden landsbesluit van 7 september 2023 ongegrond.
Aldus gegeven door mr. B.J. van Ettekoven voorzitter, mr. J. Sybesma en
mr. P. Klik, leden, en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.